Dag 6 (vervolg)
Na het gevecht zien haar drie makkers dat Ragna’s
schimmelplekken zich hebben uitgebreid, en wanneer ze haar zwaard terug in de
schede steekt, heeft dat niet het gebruikelijke effect: de plekken blijven
zichtbaar op haar lichaam. Haar metgezellen kijken haar enigszins medelijdend
aan, en Avellana deinst gruwelend achteruit, maar Ragna wijst elk meegevoel
meteen van de hand: zelf voelde ze zich tijdens het gevecht sterker dan ooit.
Het was alsof haar haat jegens de gnolls werd gevoed door iets dat zich in haar
had genesteld, en haar op die manier extra kracht schonk.
Ominan vindt dat het gepalaver over Ragna alweer lang genoeg
heeft geduurd, en haalt eens diep adem voor hij zo hard als hij kan de naam van
Kardzwann brult. De overige drie schrikken van deze volgens hen ondoordachte
actie, en Ragna springt naar de priester toe om haar hand voor zijn mond te
slaan. Maar ze is niet op tijd om Ominans uitdaging tegen te houden, die over
de vlakte galmt: “Kom zelf naar buiten, lafaard, in plaats van je lakeien op
ons af te sturen!”
Een luide alarmkreet klinkt door Kelmarane, en zijn drie
metgezellen kijken Ominan aan alsof hij gek is geworden: wat heeft hij hen op
de hals gehaald? De priester haalt onbekommerd de schouders op: het
zuiveringswerk moet maar eens daadkrachtig aangepakt worden, en dat gebeurt
niet wanneer ze zich blijven concentreren op het voetvolk.
Het is hoe dan ook te laat om de klok terug te draaien, en
de vier verschansen zich in een van de huizen die ze de vorige dag uitgekamd
hebben. Ze gaan op de loer liggen, en houden elk één van de toegangswegen in de
gaten. Het duurt niet lang voor Ragna door het raam een merkwaardige figuur
ziet naderen, boomlang, met een geitenkop en een dreigende uitstraling : de
demon is kennelijk uitgestuurd om korte metten met de indringers te maken.
Het is niet alleen Ragna die de demon ziet, de demon ziet
ook haar en komt onmiddellijk op haar afgestormd. Met één krachtige charge
rijgt hij haar aan één van zijn hoorns, en ze valt getroffen op de grond neer.
Ominan snelt naderbij om haar met zijn geneeskracht bij te staan, en ontwijkt
meesterlijk een volgende aanval van de demon, die daarna even op zijn
achterpoten staat te wankelen. De priester maakt van de gelegenheid gebruik om
Ragna weer op de been te helpen.
Maar het mag niet baten: Ragna is nog niet goed overeind
gekrabbeld, of ze wordt door de demon alweer met één klap van zijn hellebaard tegen
de vlakte geslagen. Avellana is intussen naderbij gewerveld, haar kromzwaard in
de aanslag. Is het haar angst voor rare beesten die haar weer parten speelt? De
danseres die normaal zo zeker van haar bewegingen is, mist faliekant. Ze
versaagt niet en steekt nogmaals toe, deze keer raakt ze hem precies ter hoogte
van zijn rechternier. Maar helaas, zijn demonische krachten weren het grootste
deel van haar stoot af. Ook de vlammen die uit Ardea’s handen schieten, schudt
de demon met een minachtend geluid van zich af: in zijn helse thuisoord heeft
hij wel voor hetere vuren gestaan.
Ominan heeft inmiddels zijn nieuwverworven kromzwaard
getrokken, en weet de demon gevoeligere verwondingen toe te brengen met het
koude staal van het wapen dat zijn godin hem toespeelde. Ardea balt haar
magische kracht samen tot projectielen die de geitenkop schudden door hun
impact, maar de tovenares raakt in hoog tempo door haar magische krachten heen,
terwijl Ragna onder de aanvallen van de demon bewusteloos is geraakt, en zwaargewond
op de grond ligt. Ominan kan zich maar ternauwernood de demon van het lijf
houden, en kan haar onmogelijk te hulp snellen.
De situatie dreigt bijzonder precair te worden voor Ragna
wanneer de demon zich geërgerd omkeert naar de danseres die als een wesp om hem
heen wervelt, en hem vol bravoure belooft dat ze zijn linkernier ook nog wel
krijgt.
Ardea maakt van de gelegenheid gebruik om naderbij te
snellen en Ragna uit de gevarenzone te slepen terwijl haar belager is afgeleid.
Met succes: Avellana’s snelle bewegingen hebben de demon voldoende in hun ban.
Maar op een gegeven moment weet hij dan toch haar volgende beweging succesvol
te voorspellen en slaat hij met één machtige klap de zwaarddanseres neer –
Avellana valt als een gewonde vlinder ter aarde, terwijl een nevel van
bloeddruppels haar toedekt.
Haar lot gaat in eerste instantie aan Ardea voorbij: zij
heeft de handen vol met Ragna die er voor dood bijligt. De tovenares tracht het
hoofd koel te houden, stelpt de zwaarste wonden, maar heeft een hard hoofd in
de overlevingskansen van de halfork. Dan herinnert ze zich gelukkig net op tijd
dat Ragna nog een versterkend drankje van vader Zastoran met zich meedroeg.
Ardea giet het de halfork kordaat door de keel, en ziet tot haar opluchting dat
Ragna er meteen een stuk beter uitziet.
Dan richten Ardea’s ogen zich eindelijk weer op het
strijdtoneel. Ominan voert in zijn eentje een heroïsche strijd tegen zijn
demonische tegenstander, maar heeft noodgedwongen zijn offensieve houding moeten
opgeven onder het brute geweld van de aanvallen van de demon die nu alleen op
hem gericht zijn. Hij is bezig aan een terugtrekkende beweging, maar doet dat
langzaam genoeg om de demon met zich mee te lokken.
Wanneer Ardea’s blik zich verplaatst naar de stille gestalte
van Avellana op de grond, begrijpt ze meteen wat Ominans bedoeling is: hij
probeert haar de gelegenheid te geven om Avellana hulp te gaan bieden. Avellana’s
toestand is zo te zien uiterst penibel, en eigenlijk lijkt ze al elke redding
voorbij: haar bleke lichaam is omringd door een poel van rood bloed, die steeds
groter wordt.
De tovenares haast zich zo snel ze kan naar de zijde van
haar strijdmakker, maar ze ziet meteen dat ze de nodige kennis ontbeert om haar
van de rand van de dood terug te sleuren. Haar handen proberen wanhopig maar vruchteloos
de gapende wond te dichten waaruit Avellana’s leven wegstroomt. Enkele seconden
later ziet Ardea tot haar ontzetting de vonk uit Avellana’s ogen verdwijnen op
het moment dat haar ziel uit haar lichaam vliedt: de altijd zo bruisende
danseres sterft onherroepelijk in haar armen.
Verslagen rept Ardea zich weer richting Ragna en ondersteunt
de halfork, die nog steeds amper op haar benen kan staan. Samen zoeken ze
dekking in de oude stallen waar Felliped zich zo goed wist te verbergen, en
vermoeid wachten ze de verdere loop van de gebeurtenissen af.
Pas een hele tijd later hoort Ardea weer beweging in de
straten. Tot haar grote opluchting is het niet de demon, die nog steeds op
jacht is naar indringers, maar Ominan, die is teruggekomen om zijn
strijdmakkers bij te staan. Hij heeft de demon weten af te schudden, en is daarna
met een omtrekkende beweging weer teruggekeerd.
De tovenares wenkt hem gauw binnen, en vertelt hem het
tragische nieuws: voor Avellana is geen hoop meer. Hij weet Ragna op de been te
helpen, en met zijn drieën gaan ze in een sombere stilte het lichaam van
Avellana halen – wie weet kan vader Zastoran toch nog iets voor haar doen, zo
hopen ze tegen beter weten in. Gelukkig lijkt de demon zich weer te hebben
teruggetrokken naar de binnenstad, en zonder verdere hindernissen kunnen ze met
hun droeve last de terugtocht aanvatten.
In het klooster aangekomen, wordt hun laatste spoor van hoop
snel de bodem ingeslagen. Vader Zastoran schudt droevig zijn hoofd wanneer hij
het lichaam van de jonge vrouw ziet, en ook Almah kan alleen maar treurig
zuchten omdat er nu een tweede lid van de expeditie is gevallen.
Ominan, Ragna en Ardea besluiten om Avellana een waardige
rustplaats te geven in de catacomben van het klooster dat ze mee heeft helpen
bevrijden. In gedachten verzonken komen ze weer boven, maar ineens worden hun
overpeinzingen over het tragische lot van de metgezel die ze maar zo kort
hebben gekend, ruw verstoord: ijselijke kreten, die nog net als menselijk te
herkennen zijn, komen uit de richting van Kelmarane.
Al snel zien ze Felliped overstuur naderbij komen: hij is
ervan overtuigd dat dit één van zijn groepsgenoten moet zijn, die in Kelmarane
door de gnolls gemarteld wordt. Hij wil erop af, en smeekt de drie om hem te
komen helpen. Almah hecht haar goedkeuring aan dit plan, maar de drie weifelen:
zijn ze wel opgewassen tegen een volgend gevecht, zonder dat ze enige tijd
hebben gehad om te herstellen van het voorgaande gevecht?
Uiteindelijk hakken ze de knoop door: ze zullen alvast
richting Kelmarane trekken, maar zich daar verschansen tot de volgende ochtend.
Felliped stemt in, en nadat de haveloze bard is voorzien van
wat bijeengeraapte wapens zodat hij zich beter kan verdedigen, trekken de vier
omzichtig richting Kelmarane. Ze verbergen zich eens te meer in de herberg, en
houden om beurten de wacht.
Het loopt tegen middernacht, wanneer Ardea tijdens haar
wacht een patrouille ziet voorbijkomen. In het midden van de gnolls, die naast
hun wapens ook stokken meedragen waarvan het doel niet meteen duidelijk is,
ziet ze een gevangene die door de gnolls grinnikend wordt voortgeduwd. Het ziet
er niet best uit voor de arme kerel, en ze vermoedt dan ook meteen dat dit één
van Fellipeds gezellen is.
Wanneer ze de bard haastig wakker schudt, kan hij dit meteen
bevestigen: de man is Oxvard, een priester die deel uitmaakte van zijn groep.
Hij wil er meteen op af om zijn makker te bevrijden, en wanneer Ragna en Ominan
gewekt zijn, voelen ze ook wel wat voor dit plan. Ardea sputtert wat tegen:
haar magische krachten hebben niet bepaald veel tijd gehad om weer op peil te
komen, maar beseft dan toch ook dat ze niet werkeloos wil toezien hoe Oxvard
naar zijn noodlot wordt geleid.
Met zijn vieren besluipen ze geruisloos de patrouille. Ardea
slingert een vuurschicht naar één van de gnolls, en op datzelfde moment vallen
ook Ominan en Ragna aan. Ragna slaat met één klap één van de gnolls neer, en
wendt zich dan meteen tot de volgende, die het evenmin lang overleeft. Felliped
schreeuwt zijn makker toe te vluchten, en is zodoende te veel afgeleid om
fatsoenlijk te kunnen mikken: zijn pijl mist doel. Maar intussen bestookt Ardea
zijn gemiste doelwit, heeft Ragna afgerekend met haar tweede tegenstander, en
wordt bij een vierde door Ominan het hoofd van het lichaam gescheiden. Wanneer
Ragna tenslotte de laatste met een welgemikte klap afmaakt, staat een beduusde
Oxvard in het midden van de gevelde gnolls. Opgelucht herkent hij Felliped
tussen zijn redders, en hij haast zich naderbij…
XP
1,600 XP (400 XP per speler)
Totaal: 14,400 XP (3,600 XP per speler)