vrijdag 13 december 2013

4 december 2013

Dag 6 (vervolg)

Na het gevecht zien haar drie makkers dat Ragna’s schimmelplekken zich hebben uitgebreid, en wanneer ze haar zwaard terug in de schede steekt, heeft dat niet het gebruikelijke effect: de plekken blijven zichtbaar op haar lichaam. Haar metgezellen kijken haar enigszins medelijdend aan, en Avellana deinst gruwelend achteruit, maar Ragna wijst elk meegevoel meteen van de hand: zelf voelde ze zich tijdens het gevecht sterker dan ooit. Het was alsof haar haat jegens de gnolls werd gevoed door iets dat zich in haar had genesteld, en haar op die manier extra kracht schonk.

Ominan vindt dat het gepalaver over Ragna alweer lang genoeg heeft geduurd, en haalt eens diep adem voor hij zo hard als hij kan de naam van Kardzwann brult. De overige drie schrikken van deze volgens hen ondoordachte actie, en Ragna springt naar de priester toe om haar hand voor zijn mond te slaan. Maar ze is niet op tijd om Ominans uitdaging tegen te houden, die over de vlakte galmt: “Kom zelf naar buiten, lafaard, in plaats van je lakeien op ons af te sturen!”
Een luide alarmkreet klinkt door Kelmarane, en zijn drie metgezellen kijken Ominan aan alsof hij gek is geworden: wat heeft hij hen op de hals gehaald? De priester haalt onbekommerd de schouders op: het zuiveringswerk moet maar eens daadkrachtig aangepakt worden, en dat gebeurt niet wanneer ze zich blijven concentreren op het voetvolk.
Het is hoe dan ook te laat om de klok terug te draaien, en de vier verschansen zich in een van de huizen die ze de vorige dag uitgekamd hebben. Ze gaan op de loer liggen, en houden elk één van de toegangswegen in de gaten. Het duurt niet lang voor Ragna door het raam een merkwaardige figuur ziet naderen, boomlang, met een geitenkop en een dreigende uitstraling : de demon is kennelijk uitgestuurd om korte metten met de indringers te maken.
Het is niet alleen Ragna die de demon ziet, de demon ziet ook haar en komt onmiddellijk op haar afgestormd. Met één krachtige charge rijgt hij haar aan één van zijn hoorns, en ze valt getroffen op de grond neer. Ominan snelt naderbij om haar met zijn geneeskracht bij te staan, en ontwijkt meesterlijk een volgende aanval van de demon, die daarna even op zijn achterpoten staat te wankelen. De priester maakt van de gelegenheid gebruik om Ragna weer op de been te helpen.
Maar het mag niet baten: Ragna is nog niet goed overeind gekrabbeld, of ze wordt door de demon alweer met één klap van zijn hellebaard tegen de vlakte geslagen. Avellana is intussen naderbij gewerveld, haar kromzwaard in de aanslag. Is het haar angst voor rare beesten die haar weer parten speelt? De danseres die normaal zo zeker van haar bewegingen is, mist faliekant. Ze versaagt niet en steekt nogmaals toe, deze keer raakt ze hem precies ter hoogte van zijn rechternier. Maar helaas, zijn demonische krachten weren het grootste deel van haar stoot af. Ook de vlammen die uit Ardea’s handen schieten, schudt de demon met een minachtend geluid van zich af: in zijn helse thuisoord heeft hij wel voor hetere vuren gestaan.
Ominan heeft inmiddels zijn nieuwverworven kromzwaard getrokken, en weet de demon gevoeligere verwondingen toe te brengen met het koude staal van het wapen dat zijn godin hem toespeelde. Ardea balt haar magische kracht samen tot projectielen die de geitenkop schudden door hun impact, maar de tovenares raakt in hoog tempo door haar magische krachten heen, terwijl Ragna onder de aanvallen van de demon bewusteloos is geraakt, en zwaargewond op de grond ligt. Ominan kan zich maar ternauwernood de demon van het lijf houden, en kan haar onmogelijk te hulp snellen.
De situatie dreigt bijzonder precair te worden voor Ragna wanneer de demon zich geërgerd omkeert naar de danseres die als een wesp om hem heen wervelt, en hem vol bravoure belooft dat ze zijn linkernier ook nog wel krijgt.
Ardea maakt van de gelegenheid gebruik om naderbij te snellen en Ragna uit de gevarenzone te slepen terwijl haar belager is afgeleid. Met succes: Avellana’s snelle bewegingen hebben de demon voldoende in hun ban. Maar op een gegeven moment weet hij dan toch haar volgende beweging succesvol te voorspellen en slaat hij met één machtige klap de zwaarddanseres neer – Avellana valt als een gewonde vlinder ter aarde, terwijl een nevel van bloeddruppels haar toedekt.
Haar lot gaat in eerste instantie aan Ardea voorbij: zij heeft de handen vol met Ragna die er voor dood bijligt. De tovenares tracht het hoofd koel te houden, stelpt de zwaarste wonden, maar heeft een hard hoofd in de overlevingskansen van de halfork. Dan herinnert ze zich gelukkig net op tijd dat Ragna nog een versterkend drankje van vader Zastoran met zich meedroeg. Ardea giet het de halfork kordaat door de keel, en ziet tot haar opluchting dat Ragna er meteen een stuk beter uitziet.
Dan richten Ardea’s ogen zich eindelijk weer op het strijdtoneel. Ominan voert in zijn eentje een heroïsche strijd tegen zijn demonische tegenstander, maar heeft noodgedwongen zijn offensieve houding moeten opgeven onder het brute geweld van de aanvallen van de demon die nu alleen op hem gericht zijn. Hij is bezig aan een terugtrekkende beweging, maar doet dat langzaam genoeg om de demon met zich mee te lokken.
Wanneer Ardea’s blik zich verplaatst naar de stille gestalte van Avellana op de grond, begrijpt ze meteen wat Ominans bedoeling is: hij probeert haar de gelegenheid te geven om Avellana hulp te gaan bieden. Avellana’s toestand is zo te zien uiterst penibel, en eigenlijk lijkt ze al elke redding voorbij: haar bleke lichaam is omringd door een poel van rood bloed, die steeds groter wordt.
De tovenares haast zich zo snel ze kan naar de zijde van haar strijdmakker, maar ze ziet meteen dat ze de nodige kennis ontbeert om haar van de rand van de dood terug te sleuren. Haar handen proberen wanhopig maar vruchteloos de gapende wond te dichten waaruit Avellana’s leven wegstroomt. Enkele seconden later ziet Ardea tot haar ontzetting de vonk uit Avellana’s ogen verdwijnen op het moment dat haar ziel uit haar lichaam vliedt: de altijd zo bruisende danseres sterft onherroepelijk in haar armen.

Verslagen rept Ardea zich weer richting Ragna en ondersteunt de halfork, die nog steeds amper op haar benen kan staan. Samen zoeken ze dekking in de oude stallen waar Felliped zich zo goed wist te verbergen, en vermoeid wachten ze de verdere loop van de gebeurtenissen af.
Pas een hele tijd later hoort Ardea weer beweging in de straten. Tot haar grote opluchting is het niet de demon, die nog steeds op jacht is naar indringers, maar Ominan, die is teruggekomen om zijn strijdmakkers bij te staan. Hij heeft de demon weten af te schudden, en is daarna met een omtrekkende beweging weer teruggekeerd.
De tovenares wenkt hem gauw binnen, en vertelt hem het tragische nieuws: voor Avellana is geen hoop meer. Hij weet Ragna op de been te helpen, en met zijn drieën gaan ze in een sombere stilte het lichaam van Avellana halen – wie weet kan vader Zastoran toch nog iets voor haar doen, zo hopen ze tegen beter weten in. Gelukkig lijkt de demon zich weer te hebben teruggetrokken naar de binnenstad, en zonder verdere hindernissen kunnen ze met hun droeve last de terugtocht aanvatten.
In het klooster aangekomen, wordt hun laatste spoor van hoop snel de bodem ingeslagen. Vader Zastoran schudt droevig zijn hoofd wanneer hij het lichaam van de jonge vrouw ziet, en ook Almah kan alleen maar treurig zuchten omdat er nu een tweede lid van de expeditie is gevallen.
Ominan, Ragna en Ardea besluiten om Avellana een waardige rustplaats te geven in de catacomben van het klooster dat ze mee heeft helpen bevrijden. In gedachten verzonken komen ze weer boven, maar ineens worden hun overpeinzingen over het tragische lot van de metgezel die ze maar zo kort hebben gekend, ruw verstoord: ijselijke kreten, die nog net als menselijk te herkennen zijn, komen uit de richting van Kelmarane.
Al snel zien ze Felliped overstuur naderbij komen: hij is ervan overtuigd dat dit één van zijn groepsgenoten moet zijn, die in Kelmarane door de gnolls gemarteld wordt. Hij wil erop af, en smeekt de drie om hem te komen helpen. Almah hecht haar goedkeuring aan dit plan, maar de drie weifelen: zijn ze wel opgewassen tegen een volgend gevecht, zonder dat ze enige tijd hebben gehad om te herstellen van het voorgaande gevecht?
Uiteindelijk hakken ze de knoop door: ze zullen alvast richting Kelmarane trekken, maar zich daar verschansen tot de volgende ochtend.
Felliped stemt in, en nadat de haveloze bard is voorzien van wat bijeengeraapte wapens zodat hij zich beter kan verdedigen, trekken de vier omzichtig richting Kelmarane. Ze verbergen zich eens te meer in de herberg, en houden om beurten de wacht.

Het loopt tegen middernacht, wanneer Ardea tijdens haar wacht een patrouille ziet voorbijkomen. In het midden van de gnolls, die naast hun wapens ook stokken meedragen waarvan het doel niet meteen duidelijk is, ziet ze een gevangene die door de gnolls grinnikend wordt voortgeduwd. Het ziet er niet best uit voor de arme kerel, en ze vermoedt dan ook meteen dat dit één van Fellipeds gezellen is.
Wanneer ze de bard haastig wakker schudt, kan hij dit meteen bevestigen: de man is Oxvard, een priester die deel uitmaakte van zijn groep. Hij wil er meteen op af om zijn makker te bevrijden, en wanneer Ragna en Ominan gewekt zijn, voelen ze ook wel wat voor dit plan. Ardea sputtert wat tegen: haar magische krachten hebben niet bepaald veel tijd gehad om weer op peil te komen, maar beseft dan toch ook dat ze niet werkeloos wil toezien hoe Oxvard naar zijn noodlot wordt geleid.
Met zijn vieren besluipen ze geruisloos de patrouille. Ardea slingert een vuurschicht naar één van de gnolls, en op datzelfde moment vallen ook Ominan en Ragna aan. Ragna slaat met één klap één van de gnolls neer, en wendt zich dan meteen tot de volgende, die het evenmin lang overleeft. Felliped schreeuwt zijn makker toe te vluchten, en is zodoende te veel afgeleid om fatsoenlijk te kunnen mikken: zijn pijl mist doel. Maar intussen bestookt Ardea zijn gemiste doelwit, heeft Ragna afgerekend met haar tweede tegenstander, en wordt bij een vierde door Ominan het hoofd van het lichaam gescheiden. Wanneer Ragna tenslotte de laatste met een welgemikte klap afmaakt, staat een beduusde Oxvard in het midden van de gevelde gnolls. Opgelucht herkent hij Felliped tussen zijn redders, en hij haast zich naderbij…

XP

1,600 XP (400 XP per speler)

Totaal: 14,400 XP (3,600 XP per speler)

donderdag 12 december 2013

9 november 2013

Dag 5

De volgende morgen wordt er eerst en vooral verslag uitgebracht bij Almah en Garavel, die zich tevreden betonen over de vorderingen.

Terwijl Ragna zich richting vader Zastoran begeeft om enige verkwikkende drankjes, gaat Ominan de reliëfs in de kloostergang nog eens nader inspecteren. Zijn geduld, in combinatie met het doorbladeren van het boek dat hij eerder had gevonden, wordt beloond: hij herkent twee figuren van de Tempeliers van de Vijf Winden: Davashuum met zijn staf, en Kardzwann met zijn bijl.

Op het moment dat Ragna weer opduikt uit het laboratorium merken twee wachtposten een pugwampi op die onbekommerd het klooster nadert. Ragna gaat in een hinderlaag liggen en springt het nietsvermoedende wezen op de nek zodra hij het klooster binnenkomt.
Daarna volgt een strenge ondervraging door Ominan, die zich laat bijstaan door Dashki. De pugwampi kan niet veel méér vertellen dan dat ze eertijds dichter in de buurt van hun goden, de gnolls, leefden, maar dat die hen uit Kelmarane verjaagd hebben. Daarna hebben ze hun intrek in het klooster genomen. De eieren in de binnentuin zijn van ‘een grote vogel’. Meer informatie kunnen ze niet uit de pugwampi persen, die tussen zijn uitleg door jammert en kronkelt, en alleen maar zo snel mogelijk weg wil uit deze onvriendelijke omgeving.
Na de ondervraging stelt Dashki laconiek voor om de pugwampi meteen maar een kopje kleiner te maken. De avonturiers staren hem lichtelijk geschokt aan – vooral de dames vinden het toch eigenlijk maar een aandoenlijk wezentje, dat alleen maar op zoek wil naar soortgenoten, met de prooi die hij geschoten had onder de arm. 
Ze besluiten tenslotte om het verdict maar aan Almah over te laten. Die is het echter meteen eens met haar jager, en ziet niet in waarom er nog geaarzeld moet worden: die ongeluksbeesten zijn niet te vertrouwen, wie wil er nu bewust ongedierte in leven laten zodat het nog meer schade kan aanrichten? Iedereen herinnert zich nu wel weer de bittere ellende die ze dankzij de kleine ongeluksbrengers geleden hebben, en er wordt korte metten met de pugwampi gemaakt.

Daarna is er weer een dag om door te komen voor ze weer onder dekking van de schemering richting Kelmarane kunnen trekken. Ominan neemt de taak op zich om het klooster verder in zijn vroegere glorie te trachten herstellen: traag maar gestaag herstelt hij gebreken en poetst vuil weg. Ragna en Avellana besluiten om wat met de soldaten te gaan verbroederen, die niet onwelgevallig reageren op het idee dat de bard wel wat voor hen wil dansen. Ragna gaat nadien met haar helm rond, en haalt zowaar wat zilver op.

Wanneer uiteindelijk de avond aanbreekt, is iedereen klaar om tot actie over te gaan. Eerst en vooral wordt weer een bezoekje aan Undrella gebracht, die zeer verheugd is Ominan nog eens terug te zien. Ze betuigt nogmaals haar steun, maar kan helaas verder geen nieuwe informatie verstrekken.
De vier steken dan maar behoedzaam de brug over die naar Kelmarane leidt. Het centrum  rond de gevechtsmarkt laten ze voorlopig ongemoeid: ze beginnen met het verkennen van de buitenrand. De meeste huizen zijn verlaten, ze treffen ook wat ooit de havenopslagplaats en de havenmarkt moeten zijn geweest… tussen de nog herkenbare gebouwen liggen ruïnes. Alles is uitgestorven, dus ze zetten hun zoektocht verder.
Uiteindelijk belanden ze in een groot gebouw waarin de stallen lagen. Daar treffen ze wel een teken van leven: een ernstig verzwakte en gewonde man. Aan zijn blanke huid en lichte haarkleur zien ze meteen al dat hij een vreemdeling in deze contreien is, en uit het Hoge Noorden afkomstig moet zijn.
Ze geven hem wat te eten en te drinken, en wanneer hij dat naar binnen heeft geschrokt, stelt de man zich voor als Felliped, lid van de Leeuwen van Senara, een groep die is aangesloten bij de Pathfinder-organisatie. Dit blijkt de groep avonturiers te zijn, die zich in Kelmarane had gewaagd, op zoek naar de schat die er zou liggen. De rest van de groep is gevangengenomen, Felliped  wist ternauwernood te vermijden dat hij hun lot moest delen, maar durfde zich niet verder wagen dan deze veilige schuilplaats. Hij smeekt de vier om hem mee terug te nemen, weg uit Kelmarane.
Daar willen ze wel mee instemmen, maar eerst peuteren ze alle informatie uit Felliped die ze kunnen krijgen. Zo vernemen ze dat er een demon in Kelmarane is – een enorm, geitachtig wezen dat op zijn achterpoten loopt – die voor de gnolls de wacht houdt in de stad. Daarnaast is er in de vroegere slavenmarkt een peryton opgesloten: een monster, deels hert, deels vogel.
Wanneer de vier ervan overtuigd zijn dat Felliped verder niets interessants meer te vertellen heeft, besluiten ze om eerst nog een stukje verder te verkennen voor ze met hem terug keren naar het klooster. Ondanks de smeekbeden van Felliped sommeren ze hem om zich maar weer goed te verstoppen en beloven ze hem dat ze hem voor het eind van de nacht weer komen ophalen.

Via de stallen komen de vier in de herberg die er aanpaalt, waarin ze in tegenstelling tot de vorige verlaten gebouwen wel voetstappen in het stof zien – maar wellicht zijn die van Felliped. Daarna volgt weer een resem verlaten gebouwen… tot ze geheel onverwacht stuiten op een gebouw waarin zich kennelijk een gigantisch wild zwijn heeft gevestigd.
Ragna stormt er meteen op af, van plan dit wilde varkentje wel even te wassen. Wanneer ze door het woeste zwijn ei zo na buiten gevecht wordt gesteld, wordt haastig besloten voor een tactische terugtrekking en wordt een voorzichtiger plan beraamd om met het woeste beest af te rekenen. Ragna, Avellana en Ardea zullen het beest via de ramen bestoken. Ominan zal het buiten staan opwachten, en trachten het mee te lokken naar een nabije klif, zelf op tijd wegspringend, zodat alleen het beest over de rand tuimelt. Tot zover de theorie…
Aanvankelijk lijkt alles goed te gaan: pijlen en magische projectielen maken het zwijn woest, en wanneer het naar buiten komt gestormd, zien zijn kleine oogjes alleen de gestalte van Ominan die uitdagend zwaait, en het stormt gillend op hem af. 
De priester is één ogenblik te lang onder de indruk van de massa borstelige razernij die op hem afgedenderd komt, en springt net te laat op zij. Het zwijn rijgt hem aan zijn indrukwekkende slagtanden, en wordt zo voldoende in zijn vaart gestuit om bovenaan de klif te blijven. Net wanneer hij een poging wil doen om definitief met Ominan af te rekenen, is Ragna hem voor: ze schiet een pijl recht door zijn oog en rekent zo afdoende met het beest af.
Ominan doet een beroep op de helende krachten die zijn godin hem heeft geschonken en blijkt niet te versagen na dit avontuur. Hij voelt zich alleen maar gemotiveerd om verder te gaan met het opschonen van de stad – dit plan liep volgens hem immers geheel zoals gewenst af!
De vier besluiten voorzichtig het eerste stuk van de heuvel op te sluipen. Daar treffen ze nog meer lege huizen, waaronder een aantal goed bewaarde gebouwen die eventueel op een later moment als uitvalsbasis zouden kunnen dienen.

Vervolgens vormen ze het plan om nu, in plaats van het normale pad te volgen dat de heuvel op leidt, langs een steil klif omhoog te klimmen. Mogelijk kunnen ze zo meteen ook met de peryton gaan afrekenen. Het klimmen gaat ze goed af, maar ze zijn nog maar ternauwernood boven, of ze horen een vreemdsoortig gehuil: kennelijk heeft het lawaai hen toch verraden. Een gefluisterd, haastig en chaotisch overleg leidt er toe dat ze niet terug naar beneden, maar richting de tempel vluchten.
Daar lijken ze voorlopig veilig – hebben ze de achtervolgers werkelijk afgeschud? Ze gaan in elk geval naar binnen, op zoek naar een plek om zich even veilig te verschansen. In de tempel treffen ze schroeiplekken op de muren, en een hele hoop skeletten: van priesters, burgers… en een tiental die het harnas van Almah’s lijfwacht dragen. Ominan vindt dat hoogst verdacht: wat doen die figuren daar? Ardea ziet er niet veel vreemds in: Almah’s familie had toch ooit Kelmarane min of meer in beheer?
In het midden van de tempel is een trap, die Ominan gefascineerd afdaalt, aangelokt door een rode gloed, terwijl Ragna bij de deur van de tempel postvat, en de andere twee haar dekken, voor het geval er ongewenst bezoek opduikt. Beneden treft Ominan een metalen plaat, waarop rood gloeiende lijnen zijn geëtst. Ardea raadt hem aan de deur nader te onderzoeken, waarop Ominan haar wat schamper uiteenzet dat hij zo ook wel kan zien dat er magie is gebruikt! Ardea verwaardigt zich niet om daarop in te gaan, en komt de deur zelf nader inspecteren: enig mediteren leert haar dat hier sterke magie is gebruikt om de deur af te sluiten.
Ominan overweegt overmoedig om de deur maar eens open te maken om te zien wat er dan gebeurt, maar laat zich overhalen daar voorlopig van af te zien.
Wanneer de twee weer boven komen, blijken ze inmiddels niet belaagd te worden door gnolls: kennelijk hebben die besloten dat het geluid dat ze meenden te horen, niets beduidde. Ze kunnen omzichtig weer terugsluipen en afdalen, waarna ze een hoogst opgeluchte Felliped ophalen en terug naar het klooster trekken.

Daar aangekomen gaat Ominan meteen Almah uit haar bed zetten. Ondanks Ardea’s protesten vindt hij dat ze wel wat uit te leggen heeft over wat wachten met haar uniform daar in de tempel stonden te doen… en wat die verzegelde deur te betekenen heeft! Avellana is het daar hartgrondig mee eens, en Ragna ziet niet in waarom anderen vredig zouden moeten slapen terwijl zij wakker is.
Almah komt slechtgehumeurd tevoorschijn, en geeft onwillig uitleg. Ze geeft toe dat ze wel degelijk op de hoogte was van de verzegelde deur, maar vond dat dit voorlopig nog van geen enkel belang was voor de avonturiers. Ook Ardea is nu wel verontwaardigd: deze informatie was toch wel van pas gekomen: wat als ze de deur nu toch hadden geopend? Het lijkt Almah niet erg waarschijnlijk dat dat gelukt zou zijn, en ze lacht het probleem weg, wat haar op koele blikken van zowel de tovenares als Ominan te staan komt, terwijl Ragna en Avellana verontwaardigd hun stemmen verheffen.
Om de gemoederen te sussen, geeft Almah dan toch wat meer informatie prijs:het zegel dateert van vlak voor Kelmarane werd verlaten. Ongeveer twintig jaar geleden kwam een demon naar Kelmarane, die de hogepriester corrumpeerde. Op zijn beurt stortte hij de bevolking in chaos en strijd. De Pactmeesters van Katapesh hebben toen ingegrepen en de demon weten te vangen. Verdrijven konden ze hem niet, maar ze hebben hem opgesloten en met het zegel gevangengezet. Almah is hier nu om te zien of het kwaad dat twintig jaar geleden heerste, inmiddels voldoende verzwakt is om het te kunnen uitroeien…
De vier nemen slechts met het nodige wantrouwen genoegen met deze uitleg, en begrijpen dat ze vooral op elkaar aangewezen zijn als ze veilig uit dit avontuur willen komen…

Dag 6

De volgende dag besluiten de vier na enig overleg dat ze het idee om nog onopvallend in Kelmarane te kunnen rondsluipen, wel kunnen opgeven: wanneer de gnolls merken dat na de slang ook het zwijn ineens spoorloos verdwenen is, moeten ze zich wel vragen gaan stellen.
Er wordt dus besloten tot een andersoortige strategie: met een omtrekkende beweging sluipen ze naar de kant van Kelmarane waar de toegangspoort is gelegen en gaan op enige afstand in een hinderlaag liggen, wachtend tot de eerste patrouille zich laat zien.
Ze hoeven niet lang te wachten voor een viertal gnolls komt aangemarcheerd. Wanneer ze de vier zien, gaan ze meteen tot de aanval over, maar hen wacht een warm onthaal. Avellana danst met haar flitsende zwaard rond en zaait dood en verderf, Ragna duikt en hakt naar hartelust, Ominan zwaait zijn sikkel en Ardea laat haar magische projectielen suizen. Voor de gnolls zelfs maar van de verbazing bekomen zijn, liggen hun hoofden al op de grond in het stof, en feliciteren de avonturiers elkaar met deze geslaagde actie…

XP

2,800 XP (700 XP per speler)