Ardea


Wanneer ze haar ogen neerslaat en een mantel om zich heen wikkelt, valt Ardea in niets te onderscheiden van willekeurig welke andere jonge menselijke vrouw in Katapesh. Maar gooit ze haar kap terug en kijkt ze iemand recht aan, dan kan die de verschillen meteen waarnemen. Van haar donkerrode haren die vaak onafhankelijk van de wind flakkeren als hongerige vlammen, over haar huid die glanst als gepoetst brons, tot de donkere irissen van haar ogen waarin kleine vonken glanzen, is Ardea duidelijk doordrongen van vuur dat kan warmen of verwoesten.
Ardea’s eerste herinneringen zijn in nevelen gehuld. Soms, wanneer ze droomt of doezelt, duiken er beelden op, flarden van een leven waarin ze rondtrok diep in onherbergzame woestijnen, soms met een stam, soms alleen met de altijd-aanwezige figuur van haar moeder, die tot op de dag van vandaag echter altijd ontsnapt aan haar pogingen om haar beter te zien. In die periode die een aantal decennia overspande, werd Ardea langzamerhand volwassen, zich aanvankelijk niet bewust van het feit dat het vreemd was dat dat zo lang duurde – ze bleven nooit lang genoeg bij één groep mensen opdat ze dat had kunnen beseffen.
Telkens wanneer Ardea verder probeert te reiken in haar verleden, om meer te weten te komen, bloeien vuurbloemen in de nevel tot ze die hebben verteerd, en alle beelden die erin verborgen lagen, zijn verdwenen. Ardea heeft in de loop der jaren geleerd om geduldig af te wachten wat haar gegund is te zien en daar genoegen mee te nemen. Tenminste, meestal, want bij tijd en wijle is het haar vurige aard onmogelijk om zich tevreden te stellen met een dergelijk traag proces.

Haar bewuste herinneringen beginnen op het moment dat ze in de ochtendzon voor de poorten van Solku stond, met op haar schouder een bescheiden pakket met haar bezittingen. Om haar hals hing een ketting met smaragden hanger, en telkens haar onrustige vingers die betastten, klonk in haar oren de melodieuze maar dwingende stem van haar moeder: “Tot elke prijs… je moet het vuur in je beheersen!”, en in haar onderbewustzijn lag het duidelijke besef dat ze niet moest proberen terug te keren naar de plek waar ze vandaan kwam.
Na een lange dag verward door de stad sjokken, enerzijds vruchteloos trachtend zich te verzetten tegen wat het ook was dat haar ervan weerhield terug te keren, anderzijds pogend te begrijpen wat die laatste, haastige boodschap precies behelsde – en met het stijgende panische besef dat ze geen idee had wie ze was en wat ze hier deed – hield Ardea halt bij een fontein, waar ze wat kon drinken en zich bezinnen over wat haar te doen stond. Op dat moment hoorde ze het geluid van een handgemeen in een straatje in de buurt, en de boze kreet van een vrouw.
Iets in haar voelde zich onmiddellijk geneigd om uit te zoeken wat er aan de hand was, en omdat dat op dat moment het enige in haar gemoed was dat enigszins duidelijk leek, spoedde ze zich naar het steegje. Daar zag ze een vrouw die beschermend voor een jong meisje stond, maar bedreigd werd door drie mannen, die op haar in schenen te praten. Ardea reageerde impulsief en naar een kennelijk ingesleten gewoonte die ze achteraf zelf niet kon plaatsen: ze beende op het groepje af en eiste gebiedend om te horen te krijgen wat er gaande was. De mannen besteedden nauwelijks aandacht aan haar, en één van hen maakte aanstalten om de vrouw te doorsteken.
Ardea, die nu dicht genoeg was genaderd om hem aan te raken, greep hem bij de schouder, met niet meer dan de bedoeling hem uit zijn evenwicht te brengen, vooral ziedend van woede omdat ze zomaar genegeerd werd. Tot ieders verbazing, inclusief die van haarzelf, verspreidde zich onmiddellijk een brandgeur, en binnen enkele tellen was het hele bovenlichaam van de man bedekt met vlammen. Zijn makkers moesten hun uiterste best doen om ze te doven, en van die verwarring maakte de vrouw gebruik om zowel het jonge meisje als Ardea via een aantal kronkelstraatjes in veiligheid te brengen.
De vrouw stelde zich voor als Haleen, die op dat moment als lijfwacht werkte voor de dochter van een rijke koopman - het meisje dat op een haar na voor ontvoering behoed was. Haleen was diep onder de indruk van het feit dat Ardea haar leven had gered, en nam haar onmiddellijk onder haar hoede, toen ze meer over Ardea’s situatie vernam. 

In de daaropvolgende jaren fungeerde Ardea in wisselende rollen als assistente bij Haleens uiteenlopende opdrachten. Ze weigerde pertinent om haar actie van de eerste dag te herhalen, van mening dat dit niet bepaald kon worden opgevat als het vuur in haar beheersen, en leerde zich te verdedigen met meer conventionele wapens als speer en kruisboog.
Maar Haleen, die scherpzinnig observeerde, merkte dat hoe langer dit duurde, en hoe meer Ardea haar best deed om niets van het vuur in haar bloed vrij te laten, hoe groter de druk werd die zich in haar opbouwde. Op sommige dagen vreesde ze dat de jonge vrouw letterlijk in vlammen zou uitbarsten. Ze zag Ardea zo wanhopig worstelen met de magische krachten in haar die te pas en te onpas naarbuiten probeerden te breken, zich vertalend in gigantische woede-uitbarstingen, dat ze besloot dat het zo niet verder kon.
Na lange gesprekken wist ze Ardea, die haar was gaan vertrouwen, ervan te overtuigen dat – net zoals een zwaard op zich niet gevaarlijk is, maar gevaarlijk wordt door degene die er onkundig of onnadenkend mee omgaat – Ardea haar krachten beter kon leren kennen, gebruiken en zo in de hand krijgen. Was dat niet een meer wezenlijke beheersing? De daaropvolgende jaren begon Ardea tussen hun gezamenlijke opdrachten door aan magische studies, die ze eigenzinnig en wel in haar eentje deed, en haar kracht groeide gestaag via proefondervindelijke evolutie.

Toen kwam ineens de dag dat Ardea thuiskwam en merkte dat Haleen spoorloos was verdwenen. Op tafel lag een brief, die misschien uitleg had kunnen verschaffen, maar er was een kruik wijn omgevallen die de inkt had gevlekt, en haast alle woorden onleesbaar maakte. Aanvankelijk was ze niet heel erg ongerust, maar naarmate de dagen zich aaneenregen tot weken  zonder enig bericht, begon ze zich toch ernstige vragen te stellen. Toen Ardea op de straten van Solku hoorde dat er een expeditie werd uitgerust naar Kelmarane, kreeg één van de half leesbare woorden in de brief die ze zorgvuldig had bewaard ineens betekenis. Ze besloot zich aan te sluiten bij de expeditie, in de hoop zo een spoor van Haleen terug te vinden…


Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.