maandag 6 januari 2014

18 december 2013

Dag 6 (vervolg II)

Oxvard krijgt nauwelijks de tijd om zijn hereniging met Felliped goed tot zich te laten doordringen, want voor hij goed van de verbazing om hun hereniging is bekomen, wordt de priester door zijn confrator Ominan overladen met vragen. Oxvard vertelt wat hij weet, maar dat is niet zoveel. Hij blijkt de laatste overlevende te zijn van de Leeuwen van Senara  – Felliped hoort met afgrijzen aan hoe hun leider de vorige dag is terechtgesteld.
Zelf heeft Oxvard de hele tijd in de gevechtsmarkt opgesloten gezeten in een klein kamertje, van waaruit hij de gnolls hoorde praten met soortgenoten en ander tuig, maar informatie heeft hij zo niet opgevangen. Ominan blijft enigszins ontevreden achter, en ook Ardea wordt niks wijzer: Oxvard heeft niet de gelegenheid gehad om te zien of de vrouw die zij in Kelmarane hoopte te vinden, Haleen, zich in de gevechtsmarkt bevond.
Oxvard heeft geen idee waar de gnolls hem heenbrachten, alleen dat ze niet veel goeds in de zin hadden, en is dus uiterst dankbaar voor zijn redding. Hij betoont zich dan ook meteen bereid om de avonturiers met zijn helende gave terzijde te staan.
Ze besluiten om eerst en vooral maar eens rust te nemen, want tijd om krachten op te doen hebben ze niet bepaald gehad. Om beurten betrekken ze de wacht, en zien wel diverse patrouilles passeren, maar hoeden zich ervoor hun aandacht te trekken, voor ze zich klaar voelen voor een nieuw gevecht.

Dag 7

De volgende morgen voelt iedereen zich verkwikt. Ardea en Ominan hebben het voedsel dat ze voorzienend hadden ingepakt al achter de kiezen voor ze beseffen dat de rest op een houtje zit te bijten en hen als een stel hongerige puppies aanstaart. Tja, niks aan te doen… met hier en daar rammelende magen gaan ze in een hinderlaag liggen om de eerstvolgende patrouille af te wachten: die gaan ze op de nek springen, om daarna dieper Kelmarane in te trekken.

Inmiddels in het klooster ziet een wachter een ruiter naderen, en wanneer die halt houdt bij het klooster, verzoekt een vrouwenstem om toegang. De wachter informeert achterdochtig wie daar voor de poort staat, en de bezoeker stelt zich voor als Vita. Ze vraagt de leider van de expeditie te spreken. Nadat de wachter heeft achterhaald dat Vita hier is om Avellana te zoeken, toont hij zich bereid haar binnen te laten en naar Almah te begeleiden.
Tegenover Almah zet Vita uiteen dat ze op onderzoek is uitgestuurd door iemand uit het geboortedorp van Avellana. In haar naspeuringen is ze aan de weet gekomen dat Avellana als slavin is verkocht, maar de gelegenheid had gekregen om zichzelf vrij te kopen door deel te nemen aan de expeditie naar Kelmarane. 
Almah bevestigt dat ze de goede informatie heeft, maar vertelt haar dat ze helaas te laat is: Avellana is net een dag tevoren overleden tijdens een gevecht met een demon, die in dienst staat van de gnolls die Kelmarane hebben ingepalmd.
Vita’s gezicht betrekt, en ze is een poosje in gedachten verzonken voor ze zich weer tot Almah wendt. Ze verklaart dat ze een hevige haat jegens gnolls koestert en vraagt of er, nu haar opdracht zinloos is geworden, geen plaatsje is voor haar in de expeditie tegen de gnolls. Nadat Almah zich vergewist heeft van haar vaardigheden – Vita blijkt een geoefend spoorzoeker en boogschutter te zijn – onthaalt ze verheugd dit nieuwe lid van de expeditie: na het verscheiden van Avellana konden de avonturiers wel versterking gebruiken.
Maar voor ze tot de orde van de dag overgaat, heeft Vita nog een verzoek: ze wil graag het lichaam van Avellana een keer zien, en eventuele bezittingen van de danseres wil ze graag verzamelen om die voor haar opdrachtgever te bewaren. Almah stuurt een wachter met haar mee om haar naar de nis te brengen waar Avellana in de catacomben rust, en suggereert haar zich ook tot de drie avonturiers te wenden indien ze meer over Avellana wil weten: zij hebben haar beter leren kennen dan waar Almah gelegenheid toe had.
Nadat de wachter Avellana’s tombe voor haar heeft geopend, en Vita het lichaam van de danseres heeft bestudeerd, maakt ze plannen om meteen maar tot actie over te gaan. Op haar vraag wijst de wachter Vita vanop de uitkijkpost de plek in Kelmarane aan waar hij de avonturiers voor het laatst in actie heeft gezien. Hij verzekert haar ervan dat ze het met de priester onder hen, Ominan, ongetwijfeld goed zal kunnen vinden: volgens de wachter is dat bij uitstek een geweldige kerel. Vita neemt het ter kennisgeving aan, verliest verder geen tijd meer, zadelt haar kameel, en gaat op pad.

In de verlaten herberg in Kelmarane is het Ominan die ineens een geluid bespeurt buiten het raam achter zich. Zonder zijn kalmte te verliezen sommeert hij de sluipende figuur in de bosjes om zich onmiddellijk kenbaar te maken. Een halfelf met een boog en pijlenkoker op haar rug hijst zich soepeltjes door het raam, en stelt zich voor als Vita. Ze verklaart dat ze gezonden is door Almah om hen bij te staan op de expeditie.
Ragna vindt het wel best, maar Ominan en Ardea zijn iets achterdochtiger. Maar wanneer Vita een correcte beschrijving van Almah en Garavel weet te geven, is Ardea gerustgesteld, en wanneer ze Ominan identificeert als degene waar de wachter zo van onder de indruk was, is ook de priester snel gesust.
De opstelling van de hinderlaag wordt herzien. Ardea en Vita trekken naar de eerste verdieping van de herberg, en stellen zich daar bij de ramen op, terwijl Ominan en Ragna op de onderste verdieping op de loer liggen.
Wanneer patrouille van vier gnolls nietsvermoedend door de straat komt, weten ze niet wat hen overkomt. Vanuit de ramen van de bovenverdieping suizen een vuurstraal en een pijl op hen af, waardoor twee gnolls wankelend achterblijven. Ragna velt trefzeker één van de gewonde gnolls, en brengt ze zo meteen in de minderheid.
Ominan stormt naar buiten en brult de gnolls in hun eigen taal een verwensing toe, die ze niet al te zwaar lijken op te nemen. Ardea is echter even van haar à propos door deze actie, en haar volgende vuurschicht mist de derde gnoll waar hij voor bedoeld was. Vita’s handen lijken sneller te bewegen dan mogelijk wanneer ze razendsnel twee pijlen afvuurt: de ene legt de tweede gewonde gnoll om, de andere mist helaas eveneens gnoll nummer drie, die kennelijk over goede reflexen beschikt.
Maar dat is buiten Ragna en Ominan gerekend. Ragna schiet hem fluks een pijl in zijn bast, en Ominan wervelt naderbij om hem met één houw van zijn kromzwaard de kop af te hakken. De vierde gnoll krijgt in de gaten dat dit niet goed gaat aflopen, en slaakt een luide alarmkreet, voor hij Ominan een gigantische klap verkoopt. Vita schiet de gnoll echter trefzeker een pijl in zijn schouder, zodat Ominan andermaal de genadeklap kan toebrengen.

Vier gnoll-lijken liggen in het stof, en het is heel even stil. Maar dan horen ze vanuit de verte een dreigend geluid: het helse geblaat van een demonische geit galmt over Kelmarane. Oxvard snelt naderbij en zet zijn helende kracht in om Ominan, die er niet bepaald florissant meer uitziet, te versterken.
Ardea onderneemt ook preventieve actie. Ze leunt uit het raam, en vraagt Ragna om in haar gezichtsveld te komen staan. De halfork neemt aan dat het wel geen kwaad zal kunnen en ondergaat laconiek de bezwerende gebaren en melodieuze woorden die bij een incantatie van de tovenares horen. Een vreemde kracht golft naar beneden, glijdt in de leden van de krijgster, en even later kijkt Ragna wat verbaasd maar verheugd van op haar nieuwe hoogte naar haar grote ledematen en wapen: Ardea heeft van haar een gigant gemaakt.
Wanneer de demon arriveert treft hij tegenover zich ineens een tegenstander die boven hem uitsteekt. De vier gaan onmiddellijk in de aanval, en scheppen moed uit het feit dat zijn geitenkop er nog steeds wat gehavend uitziet na hun vorige aanvaring. Ardea slingert magische projectielen naar hem toe; Vita, die van Ardea heeft begrepen dat dit het wezen is dat Avellana fataal is geworden, is kennelijk even van de kook: haar pijl zoeft langs de demon heen zonder hem te raken. Ragna heeft intussen wat moeite om zich aan haar nieuwe lichaamsvorm aan te passen. Ze dendert weliswaar zonder problemen op de demon af, maar de zwaai van haar grote zwaard gaat faliekant over zijn kop heen.
Ominan anticipeert op het logische gevolg, en schiet naderbij om Ragna bij te staan. En maar goed ook, want de demon hakt meteen met volle kracht in op deze reusachtige tegenstander: Ragna krijgt twee forse houwen van zijn hellebaard te verduren, en hij spietst haar ook nog een keer aan één van zijn hoorns. Ze wankelt verzwakt achteruit, recht tegen Ominan aan die zijn helende kracht haar lichaam in laat stromen.
Vita lijkt nog steeds haar gebruikelijke kalmte niet te hebben teruggevonden bij het zicht van Avellana’s nemesis: haar pijlen blijven de demon systematisch missen, terwijl Ardea haar magische projectielen naar de demon blijft slingeren. Hij begint ongecoördineerder te bewegen, en ook Ragna slaat andermaal mis wanneer ze uithaalt met haar gigantische zwaard.
Ominan ziet echter zijn kans schoon terwijl de demon is afgeleid door Ragna’s manoeuvres, duikt in een acrobatisch hoogstandje tussen haar benen door, en voor de demon tijd heeft om van de verrassing te bekomen, maakt Ominans flitsende kromzwaard een eind aan zijn leven. De demon valt dreunend op de grond, en opluchting heerst alom. Ragna reageert zich af door met haar gigantische voeten nog een paar keer op de gevallen tegenstander op en neer te gaan springen, zodat hij zeker nooit meer overeind zal komen.

Gesterkt door deze overwinning besluiten de vier om Kelmarane maar meteen wat dieper in te trekken. Ze volgen het pad naarboven, tot ze bij een wachthuisje komen. Ominan herkent er op een pilaar een standbeeld van Sarenrae die een klaroen steekt. Nog maar net heeft hij zijn gezellen daarop gewezen, of er klinkt daadwerkelijk een klaroenstoot! Ominan krijgt niet de gelegenheid te hopen dat het zijn godin is die hem met een bezoek komt vereren: twee gnollwachters blijken een viertal getrainde hyena’s te hebben losgelaten.
De gnolls bestoken de avonturiers met pijlen, maar de vier zijn paraat, en weten tijdig dekking te zoeken. Inmiddels hebben de hyena’s echter wel de tijd om zich op hen te storten. Twee van hen werpen zich op Ominan en trekken de priester naar de grond. Twee andere trachten door Ragna’s wapenrusting en schimmel heen te bijten. Ominan brult de anderen toe dat hij zich prima weet te redden en verzoekt hen vooral met de gnolls af te rekenen.
Vita neemt die raad meteen ter harte en richt haar pijlen op de gnolls, en weet één van hen direct te treffen. De gnolls zelf lijken te zenuwachtig om fatsoenlijk te reageren en blijven hun tegenstanders in het gewoel met de hyena’s missen. Ardea bestookt afwisselend gnolls en hyena’s met haar vuurstralen, maar ook haar speelt de chaotische toestand schijnbaar parten: meer dan eens missen haar vuurschichten hun doel. Vita blijft daarentegen onverstoorbaar haar boog spannen tot ze beide gnolls met een welgemikte pijl naar beneden heeft laten tuimelen.
Intussen heeft Ominan zich niet laten ontmoedigen door het feit dat hij liggend de strijd moet aangaan – met een welgemikte klap slaat hij één hyena de kop af, en begint dan naar de andere te hakken. Ragna heeft hyenamoes van haar aanvallers gemaakt, en komt Ominan een handje helpen. Samen weten ze al gauw de laatste belager onschadelijk te maken.
Wanneer Ominan het stof van zijn kleren heeft geklopt, wordt de tocht verder gezet. Het poortgebouwtje wordt verkend, en tot Vita’s vreugde treffen ze daarin een flinke voorraad pijlen aan. Die kan ze ongetwijfeld nog goed gebruiken, en ze vult dan ook meteen haar pijlenkoker bij.
De groep is nog maar goed en wel weer buitengekomen of er klinkt een hoog, krijsend geluid uit de lucht. Zware vleugelslagen komen steeds dichterbij, en al gauw zien de avonturiers dat wat hen nadert een gevleugeld hertachtig wezen is, met scherpe hoeven en vervaarlijke klauwen. Ze beseffen meteen dat dit de peryton is waar Felliped hen voor waarschuwde, en merken tot hun verrassing dat het wezen een mensvormige schaduw heeft.
Veel tijd om zich daarover te bekommeren, hebben ze echter niet, want het beest komt snel naderbij. Terwijl de peryton rakelings over Ominan scheert, waarbij zijn klauwen de priester maar net missen, vuurt Ardea magische projectielen op zijn kop af, die echter te hoog raken en slechts een stukje van zijn indrukwekkende gewei slaan. Vita, die er haar zinnen op heeft gezet de peryton recht in zijn hart te raken, heeft intussen niet veel meer geluk, en de peryton cirkelt terug om zich nogmaals op Ominan te storten. Ardea heeft zich deze keer echter beter gefocust en weet de peryton goed te raken met enkele flinke treffers, waarna Ragna met een forse zwaardstoot een eind aan het gevecht maakt.
De avonturiers komen zo langzamerhand de bedrukte sfeer te boven die hen sinds het verscheiden van Avellana had omringd: de succesvolle acties van vandaag lijken zich naadloos aan elkaar te rijgen. Ragna neemt een poot van de peryton mee als trofee, Vita enkele zwarte veren om op haar hoed te steken, en Ardea steekt het stukje gewei op zak dat ze eerder had losgeschoten. Al doende merken ze op dat de schaduw van de peryton nu beter past bij de vorm van het wezen dat geveld op de grond ligt. Ardea en Ominan speculeren enige tijd over dit geheimzinnige gebeuren: is de peryton een mens in de gedaante van een monster, of een dier onder invloed van een mens? Uiteindelijk laten ze de zaak rusten: ze hebben afgerekend met de tegenstander, en dat is het voornaamste.

In een goed humeur trekken ze terug naar het klooster: dit lijkt een goed moment om even terug te trekken en nieuwe krachten op te doen. Bovendien zijn Ragna en Vita intussen wel erg hongerig geworden! Maar wanneer ze daar aankomen, staat het hele klooster in rep en roer. De vier haasten zich naar het centrum van de chaos en zien dat een gigantische gier rondcirkelt boven de binnentuin, waar het nest met de eieren was.
Vita loopt zelfverzekerd naar voren, en wanneer mensen haar proberen te weerhouden, verklaart ze dat het dier alleen maar haar nest probeert te bewaken – wat kan natuurlijker zijn? Ze wil proberen om de gier te kalmeren, en ziet geen reden om de vogel maar af te maken.
Ominan heeft niet veel vertrouwen in dit plan, en verzamelt een aantal huurlingen met pijl en boog die hij naar een hogergelegen punt dirigeert. Zijn twijfel blijkt terecht: ondanks verwoede pogingen slaagt Vita er niet in contact te leggen met de gier: het beest is door het dolle heen en doet woeste aanvallen naar wie ook in de buurt durft te komen.
Ragna heeft helemaal geen zin meer in een hoop toestanden: ze wil eindelijk wel eens iets te eten en daarmee uit! Dus stormt ze de binnentuin in en maakt zich klaar om de gier aan te vallen zodra die in haar bereik komt. Ardea stelt zich wat verdekt achter haar op, en bestookt de gier, terwijl Ominan de boogschutters coacht en hun pijlen door de lucht zoeven. De gier wordt een aantal keren geraakt, en stort zich op het eerste het beste doelwit dat ze ziet: de halfork die uitdagend in de binnentuin staat te schreeuwen. Maar de aanval loopt niet zoals gewenst, want Ragna slaat met één krachtige mep de gier uit de lucht, waarna het dier zielloos ter aarde stort. Tevreden stapt Ragna weg: op naar haar welverdiende en langverwachte avondmaal.

’s Avonds krijgt de dag nog een onverwacht staartje: Ragna wordt benaderd door Almah. Aanvankelijk is Ragna wat wantrouwig: wat heeft de handelsprinses met haar alleen te bespreken – is ze soms ontevreden over haar diensten? Maar het blijkt dat Almah iets heel anders in gedachten heeft. Ze herinnert Ragna aan de eerste dag dat ze bij de karavaan kwam, toen ze één van de kaarten van Eloais bij zich droeg, en vraagt haar of zij soms een bepaalde affiniteit met deze kaarten voelt? 
Ragna heeft niet direct een reactie klaar, en voelt zich ook niet in staat te ontkennen dat ze toch wel een zekere band met deze kaart voelde. Wanneer Almah haar vraagt of zij soms in de mogelijkheid is om een voorspelling te doen over wat de expeditie te wachten staat, gaat ze daar schoorvoetend op in, ze voelt dat dit iets is dat ze een kans moet geven.
Wanneer ze haar ogen sluit, voelt ze het vreemde element in zich dat haar extra kracht verleende in haar strijd tegen de gnolls, zich op een nieuwe manier roeren. Vage kluwens beelden komen tot haar, en ze ziet dat er verschillende gevechten in de toekomst liggen. Vreemd genoeg krijgt ze daarbij één heel sterke indruk: dat één van de zwaarste gevechten vermeden zou kunnen worden…
Wanneer ze Almah haar bevindingen meedeelt, toont die zich erg tevreden, en voelt ze zich ook hoopvol gestemd door de boodschap die Ragna haar biedt. Ze voelt zich zo dankbaar gestemd dat ze Ragna belooft dat ze de beloning voor de diensten van de avonturiers zal verhogen.
Ragna zelf vertrekt bedachtzaam uit deze ontmoeting. De gave die zich in haar geopenbaard heeft, is mysterieus, maar voelt als een verrijking. Maar of ze tevreden moet zijn met de gedachte dat een gevecht vermeden zou worden? Dat weet de strijdvaardige halfork nog niet zo zeker…

XP
7,600 XP (1,900 XP per speler)

Treasure
Masterwork halberd

Totaal XP: 22,000 XP (5,500 XP per speler)