Dag 6 (vervolg II)
Oxvard krijgt nauwelijks de tijd om zijn hereniging met
Felliped goed tot zich te laten doordringen, want voor hij goed van de
verbazing om hun hereniging is bekomen, wordt de priester door zijn confrator
Ominan overladen met vragen. Oxvard vertelt wat hij weet, maar dat is niet
zoveel. Hij blijkt de laatste overlevende te zijn van de Leeuwen van
Senara – Felliped hoort met afgrijzen
aan hoe hun leider de vorige dag is terechtgesteld.
Zelf heeft Oxvard de hele tijd in de gevechtsmarkt
opgesloten gezeten in een klein kamertje, van waaruit hij de gnolls hoorde
praten met soortgenoten en ander tuig, maar informatie heeft hij zo niet
opgevangen. Ominan blijft enigszins ontevreden achter, en ook Ardea wordt niks
wijzer: Oxvard heeft niet de gelegenheid gehad om te zien of de vrouw die zij
in Kelmarane hoopte te vinden, Haleen, zich in de gevechtsmarkt bevond.
Oxvard heeft geen idee waar de gnolls hem heenbrachten,
alleen dat ze niet veel goeds in de zin hadden, en is dus uiterst dankbaar voor
zijn redding. Hij betoont zich dan ook meteen bereid om de avonturiers met zijn
helende gave terzijde te staan.
Ze besluiten om eerst en vooral maar eens rust te nemen,
want tijd om krachten op te doen hebben ze niet bepaald gehad. Om beurten
betrekken ze de wacht, en zien wel diverse patrouilles passeren, maar hoeden
zich ervoor hun aandacht te trekken, voor ze zich klaar voelen voor een nieuw
gevecht.
Dag 7
De volgende morgen voelt iedereen zich verkwikt. Ardea en
Ominan hebben het voedsel dat ze voorzienend hadden ingepakt al achter de
kiezen voor ze beseffen dat de rest op een houtje zit te bijten en hen als een
stel hongerige puppies aanstaart. Tja, niks aan te doen… met hier en daar rammelende magen gaan
ze in een hinderlaag liggen om de eerstvolgende patrouille af te wachten: die
gaan ze op de nek springen, om daarna dieper Kelmarane in te trekken.
Inmiddels in het klooster ziet een wachter een ruiter
naderen, en wanneer die halt houdt bij het klooster, verzoekt een vrouwenstem
om toegang. De wachter informeert achterdochtig wie daar voor de poort staat,
en de bezoeker stelt zich voor als Vita. Ze vraagt de leider van de expeditie
te spreken. Nadat de wachter heeft achterhaald dat Vita hier is om Avellana te
zoeken, toont hij zich bereid haar binnen te laten en naar Almah te begeleiden.
Tegenover Almah zet Vita uiteen dat ze op onderzoek is
uitgestuurd door iemand uit het geboortedorp van Avellana. In haar naspeuringen
is ze aan de weet gekomen dat Avellana als slavin is verkocht, maar de
gelegenheid had gekregen om zichzelf vrij te kopen door deel te nemen aan de
expeditie naar Kelmarane.
Almah bevestigt dat ze de goede informatie heeft,
maar vertelt haar dat ze helaas te laat is: Avellana is net een dag tevoren
overleden tijdens een gevecht met een demon, die in dienst staat van de gnolls
die Kelmarane hebben ingepalmd.
Vita’s gezicht betrekt, en ze is een poosje in gedachten
verzonken voor ze zich weer tot Almah wendt. Ze verklaart dat ze een hevige
haat jegens gnolls koestert en vraagt of er, nu haar opdracht zinloos is
geworden, geen plaatsje is voor haar in de expeditie tegen de gnolls. Nadat
Almah zich vergewist heeft van haar vaardigheden – Vita blijkt een geoefend
spoorzoeker en boogschutter te zijn – onthaalt ze verheugd dit nieuwe lid van
de expeditie: na het verscheiden van Avellana konden de avonturiers wel
versterking gebruiken.
Maar voor ze tot de orde van de dag overgaat, heeft Vita nog
een verzoek: ze wil graag het lichaam van Avellana een keer zien, en eventuele
bezittingen van de danseres wil ze graag verzamelen om die voor haar
opdrachtgever te bewaren. Almah stuurt een wachter met haar mee om haar naar de
nis te brengen waar Avellana in de catacomben rust, en suggereert haar zich ook
tot de drie avonturiers te wenden indien ze meer over Avellana wil weten: zij
hebben haar beter leren kennen dan waar Almah gelegenheid toe had.
Nadat de wachter Avellana’s tombe voor haar heeft geopend, en
Vita het lichaam van de danseres heeft bestudeerd, maakt ze plannen om meteen
maar tot actie over te gaan. Op haar vraag wijst de wachter Vita vanop de
uitkijkpost de plek in Kelmarane aan waar hij de avonturiers voor het laatst in
actie heeft gezien. Hij verzekert haar ervan dat ze het met de priester onder
hen, Ominan, ongetwijfeld goed zal kunnen vinden: volgens de wachter is dat bij
uitstek een geweldige kerel. Vita neemt het ter kennisgeving aan, verliest
verder geen tijd meer, zadelt haar kameel, en gaat op pad.
In de verlaten herberg in Kelmarane is het Ominan die ineens
een geluid bespeurt buiten het raam achter zich. Zonder zijn kalmte te
verliezen sommeert hij de sluipende figuur in de bosjes om zich onmiddellijk
kenbaar te maken. Een halfelf met een boog en pijlenkoker op haar rug hijst
zich soepeltjes door het raam, en stelt zich voor als Vita. Ze verklaart dat ze
gezonden is door Almah om hen bij te staan op de expeditie.
Ragna vindt het wel best, maar Ominan en Ardea zijn iets
achterdochtiger. Maar wanneer Vita een correcte beschrijving van Almah en
Garavel weet te geven, is Ardea gerustgesteld, en wanneer ze Ominan
identificeert als degene waar de wachter zo van onder de indruk was, is ook de
priester snel gesust.
De opstelling van de hinderlaag wordt herzien. Ardea en Vita
trekken naar de eerste verdieping van de herberg, en stellen zich daar bij de
ramen op, terwijl Ominan en Ragna op de onderste verdieping op de loer liggen.
Wanneer patrouille van vier gnolls nietsvermoedend door de
straat komt, weten ze niet wat hen overkomt. Vanuit de ramen van de
bovenverdieping suizen een vuurstraal en een pijl op hen af, waardoor twee
gnolls wankelend achterblijven. Ragna velt trefzeker één van de gewonde gnolls,
en brengt ze zo meteen in de minderheid.
Ominan stormt naar buiten en brult de gnolls in hun eigen
taal een verwensing toe, die ze niet al te zwaar lijken op te nemen. Ardea is
echter even van haar à propos door deze actie, en haar volgende vuurschicht
mist de derde gnoll waar hij voor bedoeld was. Vita’s handen lijken sneller te
bewegen dan mogelijk wanneer ze razendsnel twee pijlen afvuurt: de ene legt de
tweede gewonde gnoll om, de andere mist helaas eveneens gnoll nummer drie, die
kennelijk over goede reflexen beschikt.
Maar dat is buiten Ragna en Ominan gerekend. Ragna schiet
hem fluks een pijl in zijn bast, en Ominan wervelt naderbij om hem met één houw
van zijn kromzwaard de kop af te hakken. De vierde gnoll krijgt in de gaten dat
dit niet goed gaat aflopen, en slaakt een luide alarmkreet, voor hij Ominan een
gigantische klap verkoopt. Vita schiet de gnoll echter trefzeker een pijl in
zijn schouder, zodat Ominan andermaal de genadeklap kan toebrengen.
Vier gnoll-lijken liggen in het stof, en het is heel even
stil. Maar dan horen ze vanuit de verte een dreigend geluid: het helse geblaat
van een demonische geit galmt over Kelmarane. Oxvard snelt naderbij en zet zijn
helende kracht in om Ominan, die er niet bepaald florissant meer uitziet, te
versterken.
Ardea onderneemt ook preventieve actie. Ze leunt uit het
raam, en vraagt Ragna om in haar gezichtsveld te komen staan. De halfork neemt
aan dat het wel geen kwaad zal kunnen en ondergaat laconiek de bezwerende gebaren
en melodieuze woorden die bij een incantatie van de tovenares horen. Een
vreemde kracht golft naar beneden, glijdt in de leden van de krijgster, en even
later kijkt Ragna wat verbaasd maar verheugd van op haar nieuwe hoogte naar
haar grote ledematen en wapen: Ardea heeft van haar een gigant gemaakt.
Wanneer de demon arriveert treft hij tegenover zich ineens een
tegenstander die boven hem uitsteekt. De vier gaan onmiddellijk in de aanval,
en scheppen moed uit het feit dat zijn geitenkop er nog steeds wat gehavend
uitziet na hun vorige aanvaring. Ardea slingert magische projectielen naar hem
toe; Vita, die van Ardea heeft begrepen dat dit het wezen is dat Avellana
fataal is geworden, is kennelijk even van de kook: haar pijl zoeft langs de
demon heen zonder hem te raken. Ragna heeft intussen wat moeite om zich aan
haar nieuwe lichaamsvorm aan te passen. Ze dendert weliswaar zonder problemen
op de demon af, maar de zwaai van haar grote zwaard gaat faliekant over zijn
kop heen.
Ominan anticipeert op het logische gevolg, en schiet
naderbij om Ragna bij te staan. En maar goed ook, want de demon hakt meteen met
volle kracht in op deze reusachtige tegenstander: Ragna krijgt twee forse
houwen van zijn hellebaard te verduren, en hij spietst haar ook nog een keer aan
één van zijn hoorns. Ze wankelt verzwakt achteruit, recht tegen Ominan aan die
zijn helende kracht haar lichaam in laat stromen.
Vita lijkt nog steeds haar gebruikelijke kalmte niet te
hebben teruggevonden bij het zicht van Avellana’s nemesis: haar pijlen blijven
de demon systematisch missen, terwijl Ardea haar magische projectielen naar de
demon blijft slingeren. Hij begint ongecoördineerder te bewegen, en ook Ragna
slaat andermaal mis wanneer ze uithaalt met haar gigantische zwaard.
Ominan ziet echter zijn kans schoon terwijl de demon is
afgeleid door Ragna’s manoeuvres, duikt in een acrobatisch hoogstandje tussen
haar benen door, en voor de demon tijd heeft om van de verrassing te bekomen,
maakt Ominans flitsende kromzwaard een eind aan zijn leven. De demon valt
dreunend op de grond, en opluchting heerst alom. Ragna reageert zich af door
met haar gigantische voeten nog een paar keer op de gevallen tegenstander op en
neer te gaan springen, zodat hij zeker nooit meer overeind zal komen.
Gesterkt door deze overwinning besluiten de vier om
Kelmarane maar meteen wat dieper in te trekken. Ze volgen het pad naarboven,
tot ze bij een wachthuisje komen. Ominan herkent er op een pilaar een
standbeeld van Sarenrae die een klaroen steekt. Nog maar net heeft hij zijn
gezellen daarop gewezen, of er klinkt daadwerkelijk een klaroenstoot! Ominan
krijgt niet de gelegenheid te hopen dat het zijn godin is die hem met een
bezoek komt vereren: twee gnollwachters blijken een viertal getrainde hyena’s
te hebben losgelaten.
De gnolls bestoken de avonturiers met pijlen, maar de vier
zijn paraat, en weten tijdig dekking te zoeken. Inmiddels hebben de hyena’s
echter wel de tijd om zich op hen te storten. Twee van hen werpen zich op
Ominan en trekken de priester naar de grond. Twee andere trachten door Ragna’s wapenrusting en schimmel heen te bijten. Ominan brult de anderen toe dat hij zich prima weet te redden en verzoekt hen vooral met de gnolls af te rekenen.
Vita neemt die raad meteen ter harte en richt haar pijlen op
de gnolls, en weet één van hen direct te treffen. De gnolls zelf lijken te
zenuwachtig om fatsoenlijk te reageren en blijven hun tegenstanders in het
gewoel met de hyena’s missen. Ardea bestookt afwisselend gnolls en hyena’s met
haar vuurstralen, maar ook haar speelt de chaotische toestand schijnbaar parten:
meer dan eens missen haar vuurschichten hun doel. Vita blijft daarentegen
onverstoorbaar haar boog spannen tot ze beide gnolls met een welgemikte pijl
naar beneden heeft laten tuimelen.
Intussen heeft Ominan zich niet laten ontmoedigen door het
feit dat hij liggend de strijd moet aangaan – met een welgemikte klap slaat hij
één hyena de kop af, en begint dan naar de andere te hakken. Ragna heeft
hyenamoes van haar aanvallers gemaakt, en komt Ominan een handje helpen. Samen
weten ze al gauw de laatste belager onschadelijk te maken.
Wanneer Ominan het stof van zijn kleren heeft geklopt, wordt
de tocht verder gezet. Het poortgebouwtje wordt verkend, en tot Vita’s vreugde
treffen ze daarin een flinke voorraad pijlen aan. Die kan ze ongetwijfeld nog
goed gebruiken, en ze vult dan ook meteen haar pijlenkoker bij.
De groep is nog maar goed en wel weer buitengekomen of er
klinkt een hoog, krijsend geluid uit de lucht. Zware vleugelslagen komen steeds
dichterbij, en al gauw zien de avonturiers dat wat hen nadert een gevleugeld
hertachtig wezen is, met scherpe hoeven en vervaarlijke klauwen. Ze beseffen
meteen dat dit de peryton is waar Felliped hen voor waarschuwde, en merken tot
hun verrassing dat het wezen een mensvormige schaduw heeft.
Veel tijd om zich daarover te bekommeren, hebben ze echter
niet, want het beest komt snel naderbij. Terwijl de peryton rakelings over
Ominan scheert, waarbij zijn klauwen de priester maar net missen, vuurt Ardea
magische projectielen op zijn kop af, die echter te hoog raken en slechts een
stukje van zijn indrukwekkende gewei slaan. Vita, die er haar zinnen op heeft
gezet de peryton recht in zijn hart te raken, heeft intussen niet veel meer
geluk, en de peryton cirkelt terug om zich nogmaals op Ominan te storten. Ardea
heeft zich deze keer echter beter gefocust en weet de peryton goed te raken met
enkele flinke treffers, waarna Ragna met een forse zwaardstoot een eind aan het
gevecht maakt.
De avonturiers komen zo langzamerhand de bedrukte sfeer te
boven die hen sinds het verscheiden van Avellana had omringd: de succesvolle
acties van vandaag lijken zich naadloos aan elkaar te rijgen. Ragna neemt een
poot van de peryton mee als trofee, Vita enkele zwarte veren om op haar hoed te
steken, en Ardea steekt het stukje gewei op zak dat ze eerder had losgeschoten.
Al doende merken ze op dat de schaduw van de peryton nu beter past bij de vorm
van het wezen dat geveld op de grond ligt. Ardea en Ominan speculeren enige
tijd over dit geheimzinnige gebeuren: is de peryton een mens in de gedaante van
een monster, of een dier onder invloed van een mens? Uiteindelijk laten ze de
zaak rusten: ze hebben afgerekend met de tegenstander, en dat is het
voornaamste.
In een goed humeur trekken ze terug naar het klooster: dit
lijkt een goed moment om even terug te trekken en nieuwe krachten op te doen.
Bovendien zijn Ragna en Vita intussen wel erg hongerig geworden! Maar wanneer
ze daar aankomen, staat het hele klooster in rep en roer. De vier haasten zich
naar het centrum van de chaos en zien dat een gigantische gier rondcirkelt
boven de binnentuin, waar het nest met de eieren was.
Vita loopt zelfverzekerd naar voren, en wanneer mensen haar
proberen te weerhouden, verklaart ze dat het dier alleen maar haar nest probeert
te bewaken – wat kan natuurlijker zijn? Ze wil proberen om de gier te kalmeren,
en ziet geen reden om de vogel maar af te maken.
Ominan heeft niet veel vertrouwen in dit plan, en verzamelt
een aantal huurlingen met pijl en boog die hij naar een hogergelegen punt
dirigeert. Zijn twijfel blijkt terecht: ondanks verwoede pogingen slaagt Vita
er niet in contact te leggen met de gier: het beest is door het dolle heen en
doet woeste aanvallen naar wie ook in de buurt durft te komen.
Ragna heeft helemaal geen zin meer in een hoop toestanden:
ze wil eindelijk wel eens iets te eten en daarmee uit! Dus stormt ze de
binnentuin in en maakt zich klaar om de gier aan te vallen zodra die in haar
bereik komt. Ardea stelt zich wat verdekt achter haar op, en bestookt de gier,
terwijl Ominan de boogschutters coacht en hun pijlen door de lucht zoeven. De
gier wordt een aantal keren geraakt, en stort zich op het eerste het beste
doelwit dat ze ziet: de halfork die uitdagend in de binnentuin staat te
schreeuwen. Maar de aanval loopt niet zoals gewenst, want Ragna slaat met één
krachtige mep de gier uit de lucht, waarna het dier zielloos ter aarde stort.
Tevreden stapt Ragna weg: op naar haar welverdiende en langverwachte avondmaal.
’s Avonds krijgt de dag nog een onverwacht staartje: Ragna
wordt benaderd door Almah. Aanvankelijk is Ragna wat wantrouwig: wat heeft de
handelsprinses met haar alleen te bespreken – is ze soms ontevreden over haar
diensten? Maar het blijkt dat Almah iets heel anders in gedachten heeft. Ze
herinnert Ragna aan de eerste dag dat ze bij de karavaan kwam, toen ze één van
de kaarten van Eloais bij zich droeg, en vraagt haar of zij soms een bepaalde
affiniteit met deze kaarten voelt?
Ragna heeft niet direct een reactie klaar,
en voelt zich ook niet in staat te ontkennen dat ze toch wel een zekere band
met deze kaart voelde. Wanneer Almah haar vraagt of zij soms in de mogelijkheid
is om een voorspelling te doen over wat de expeditie te wachten staat, gaat ze
daar schoorvoetend op in, ze voelt dat dit iets is dat ze een kans moet geven.
Wanneer ze haar ogen sluit, voelt ze het vreemde element in
zich dat haar extra kracht verleende in haar strijd tegen de gnolls, zich op
een nieuwe manier roeren. Vage kluwens beelden komen tot haar, en ze ziet dat
er verschillende gevechten in de toekomst liggen. Vreemd genoeg krijgt ze
daarbij één heel sterke indruk: dat één van de zwaarste gevechten vermeden zou
kunnen worden…
Wanneer ze Almah haar bevindingen meedeelt, toont die zich
erg tevreden, en voelt ze zich ook hoopvol gestemd door de boodschap die Ragna
haar biedt. Ze voelt zich zo dankbaar gestemd dat ze Ragna belooft dat ze de
beloning voor de diensten van de avonturiers zal verhogen.
Ragna zelf vertrekt bedachtzaam uit deze ontmoeting. De gave
die zich in haar geopenbaard heeft, is mysterieus, maar voelt als een
verrijking. Maar of ze tevreden moet zijn met de gedachte dat een gevecht
vermeden zou worden? Dat weet de strijdvaardige halfork nog niet zo zeker…
XP
7,600 XP (1,900 XP per speler)
Treasure
Masterwork halberd
Totaal XP: 22,000 XP (5,500 XP per speler)