zondag 20 april 2014

25 maart 2014

Dag 10 – vervolg II

Xulthos neemt er geen genoegen mee om zijn duistere geestbeïnvloeding uit te oefenen, hij stort zich ook nog eens op de Roze Ridder, die zware bijtwonden oploopt van zijn machtige insectkaken. De ridder verdedigt zich zo goed hij kan, en hakt met zijn zwaard op het demonische insect in. Inmiddels blijft Ardea magische projectielen op de demon afvuren, die met onhoorbare klappen inslaan, terwijl Vita’s pijlen als een dodelijke regen door de lucht zoeven.
Ominan ziet dat de Roze Ridder zich in een moeilijke situatie bevindt, danst naderbij en lanceert een aanval op de demon die jammerlijk mist, maar niets dan een afleidingsmanoeuvre blijkt voor een dosis helende energie die hij op de Roze Ridder loslaat. Xulthos kan deze interventie maar matig waarderen, en stort zich ogenblikkelijk op het nieuwe gevaar: met klauwen, angel en kaken bedreigt hij de priester. Maar Ominan is niet voor één gat te vangen, en hult zich in een gezegende gloed waardoor hij met haast onmenselijke reflexen voor elke aanval kan wegbuigen.
De Roze Ridder werpt zich intussen met hernieuwde kracht in de strijd, maar valt ten prooi aan de iriserende patronen op het skelet van Xulthos, en zijn aanvallen missen hun doel. Ook Vita is weer aan verwarring ten prooi en staat zinloos voor zich uit te brabbelen, in koor met Oxvard, die haar enkele ogenblikken later als een dolle aanvalt. De reflexen van de halfelf zijn echter diep genoeg ingesleten om zelfs in haar huidige toestand soepel voor zijn aanval weg te duiken.
Ominan strijdt zij aan zij met de Roze Ridder verder, en weet verscheidene malen een beroep op de kracht van zijn godin te doen om opgelopen wonden zich weer te doen sluiten. De inspanningen van de twee krijgers houden de aandacht van de demon volledig gevangen, en ze fungeren zo als een verdedigingslinie voor Ardea: de tovenares maakt van haar gunstige positie gebruik om haar magische aanval met verdubbelde kracht verder te zetten: het ene na het andere projectiel slaat gaten in het glanzende exoskelet van de demon.
De strijd nadert een breekpunt: Vita lijkt ten prooi aan steeds grotere verwarring en brengt zichzelf een flinke houw toe met haar zwaard, terwijl Xulthos zich nogmaals met al zijn dodelijke ledematen op Ominan stort. De priester stort bloedend ter aarde, en na enkele ogenblikken is het duidelijk dat hij niet meer beweegt. Het blijkt een wanhoopspoging van Xulthos om de gelegenheid te krijgen weg te vluchten. De Roze Ridder houdt echter het hoofd koel: hij hakt de vluchtende demon de kop af, en snelt dan naar de zijde van Ominan. Hij legt het hoofd van de bewusteloze priester teder op zijn arm, dient hem een versterkend drankje toe, zodat de verraste priester net op tijd de ogen opslaat om het gezicht van de Roze Ridder gevaarlijk naderbij te zien komen om zijn zorgen te bezegelen met een warme zoen.
Nadat Ominan sputterend overeind is gesprongen, marcheert de Roze Ridder opgetogen en licht euforisch richting het kadaver van Xulthos en rukt er een poot af die hij triomfantelijk als trofee boven zijn hoofd houdt. De rest kijkt inmiddels verbaasd rond naar de veranderde kamer: het is niet langer een grot, maar een vertrek dat meer thuishoort in de cryptes van de tempel. Xulthos’ aanwezigheid had kennelijk een illusie op de ruimte gelegd die nu is opgeheven.

De avonturiers komen vermoeid maar zegevierend bij Almah terug, die gespannen hun relaas aanhoort, en een zucht van verlichting slaakt wanneer ze begrijpt dat de dreiging die zolang boven Kelmarane heeft gehangen, eindelijk onschadelijk is gemaakt, al heeft het dan ook kostbare levens gekost…: Avellana zal nooit de vrijheid die haar in het vooruitzicht was gesteld, kunnen smaken en Ragna heeft nooit de gelegenheid gekregen om te ontsnappen aan de woede die ze in haar korte leven had opgebouwd…
Maar er is ook reden tot vreugde: Kelmarane is bevrijd, en dat is te danken aan de vier die hier verenigd zijn. Ze krijgen hun beloofde beloning uitgereikt, maar daarbij houdt Almahs waardering niet op. Ze worden alle vier benoemd tot ridder-beschermer van Kelmarane. Als blijvend bewijs van haar waardering krijgen ze bovendien het mooie huis bij de haven als geschenk, dat hen tot verblijfplaats kan dienen wanneer ze in Kelmarane wensen te verblijven: ze zijn vanaf nu geëerde burgers van de handelsstad die dankzij hen weer kan floreren.


Naspel
De vier nemen hun intrek in het prachtige huis dat hen is toegekend, en vinden in de daaropvolgende maanden weer hun weg in een wat ‘normaler’ bestaan.

Ominan, die zich met zoveel kracht heeft ingezet om Kelmarane terug onder de bescherming van Sarenrae te brengen, wordt door de hooggeplaatste priester van Sarenrae die algauw in de bevrijde stad arriveert, als een zeer gewaardeerde medewerker aanvaard. Als abt-beschermer zet Ominan zijn inspanningen verder om het licht van Sarenrae steeds verder te laten reiken in dit schemerige gebied. Vaak wijdt hij nog een gedachte aan de bewogen periode die hem op deze positie heeft gebracht, wanneer hij verpoost bij het altaar waarop hij zijn trouwe kromzwaard aan Sarenrae heeft opgedragen.

Vita is niet zo meteen overtuigd van de werkelijke veiligheid in Kelmarane. Ze heeft het onrustige gevoel dat met de gnolls niet werkelijk is afgerekend, en voelt zich genoopt alles te doen wat ze kan om de stad weerbaar te maken. Ze neemt het op zich om de kinderen in de stad te leren spoorzoeken en boogschieten, zodat er steeds meer inwoners zullen zijn die in staat zijn een nakende aanval te herkennen en af te slaan. Tijdens haar verkenningsrondes buiten de stad treft ze wel eens een vijandelijk groepje gnolls, dat onveranderlijk valt onder haar pijlen. En na enige tijd hoort ze ook geruchten over karavanen die door gnolls werden overvallen. Een bezorgde Almah geeft Vita uiteindelijk een officiële functie: haar patrouillerondes doet ze vanaf dan in dienst van de stad.

Ardea zet het doel dat haar voor ogen stond toen ze naar Kelmarane kwam, verder: nu Haleen gezond en wel is, is het zaak dat zo te houden. Haleen moet haar schulden aflossen, als ze niet weer in dergelijke omstandigheden terecht wil komen, en Ardea is vastbesloten haar daarbij te helpen. In eerste instantie nemen ze samen weer lijfwachtklussen aan, zoals ze deden voor het hele gebeuren. Dankzij Haleen komt Ardea echter ook in contact met haar in de schaduw opererende makkers: de smokkelaars. De tovenares die niet echt overdreven veel last heeft van strikte morele bezwaren, begeeft zich steeds dieper en soepeler in het netwerk, waardoor ze de hand kan leggen op meer uitheemse producten dan langs de gebruikelijke kanalen de stad binnenkomen, een nuttige en soms ook wel lucratieve aangelegenheid. Op een bepaalde avond legt ze op al even weinig wettige wijze ook de hand op een ander object: ze sluipt de kamer van abt-beschermer Ominan binnen, en ontvreemdt daar een boek dat er stoffig en ongelezen bijligt: ‘Hoven van Steen en Vuur’, het boek over elementaire geesten dat Ominan in de kloosterbibliotheek vond en haar meteen al intrigeerde. Tijdens ettelijke studie-uren bladert ze door de verhalen over de vuurwezens met wie ze een verwantschap voelt, maar pikt ook extra informatie op over de Tempeliers van de Vijf Winden, met wie de avonturiers tijdens hun belevenissen geconfronteerd zijn…

De Roze Ridder inmiddels kreeg het al na enkele weken te kwaad. Het Regenboogtoernooi dat hij gemist had, wordt bij het begin van elk seizoen georganiseerd, en hij wil het niet nog eens missen: de fiere ridders, de modieuze gewaden, denderende paardenhoeven, vlag en wimpel en geheven lansen – wat wil iemand nog meer? Hij neemt dus afscheid van zijn makkers en gaat op pad. Helaas blijkt het richtingsgevoel van de Ridder niet erg sterk ontwikkeld, en pas na enige maanden van omzwervingen treft hij een vriendelijke ziel die hem weer op het goede pad kan zetten. Vol goede moed knoopt hij de aanwijzingen goed in zijn oren, en trekt vastberaden rechtstreeks richting Kelmerina… of dat denkt hij… want tot zijn ontzetting ziet hij enige maanden later een al te bekende horizon opdoemen: hij is weer terug bij Kelmarane.

De stad waar de Roze Ridder ontmoedigd doorheen sjokt is inmiddels zachtjesaan tot bloei aan het komen. Inmiddels zijn er een 500-tal inwoners, en Kelmarane is een relatief veilig en welvarend gebied geworden. Alleen ’s nachts draaien Vita, Ominan en Ardea zich soms onrustig om in hun bed, in de vage weet dat hun avontuur nog niet afgelopen is: dan klinkt vanuit de verte een ijzingwekkend gehuil dat over de vlakte weergalmt.