Dag 3 (vervolg II)
Nadat Avellana weer als haar stralende zelf is weergekeerd,
besluiten de vier dat het moment is aangebroken om de rest van de expeditie
naar het veiliggestelde klooster te laten komen.
Tegen het middaguur arriveert de karavaan, en iedereen loopt
gepast onder de indruk langs de stapel dode monsters.
De soldaten nemen hun
intrek in de achthoekige kamer, vader Zastoran duikt handenwrijvend het lab in,
en Garavel en Almah installeren zich samen in de bibliotheek, wat hen op
opgetrokken wenkbrauwen komt te staan van de vier avonturiers, aan wie deze
verhouding helemaal was voorbijgegaan. Verder lijkt niemand ervan op te
kijken. Ietwat ontstemd omdat alle goeie kamers al ingepikt lijken voor ze van deze verbazing bekomen zijn, stellen de
avonturiers zich dan maar tevreden met de voormalige slaapzaal.
Ragna staat alweer te trappelen om richting de gnolls te
trekken, maar Ominan preekt voorzichtigheid: haar aanvaringen van de voorbije
dag hebben haar verzwakt achtergelaten. Ardea stelt voor om eerst maar eens
krijgsraad te houden met Almah en Garavel.
In de bibliotheek wordt de stand van zaken nog eens
samengevat: op anderhalve mijl van het klooster ligt Kelmarane, het doel van de
expeditie. Het dorp is ooit ontstaan omheen een gevechtsmarkt, niet ongewoon in
deze regio. Zo’n twintig jaar geleden is het om onbekende redenen ineens
verlaten. Er wordt gefluisterd dat er een vloek over het dorp zou zijn
uitgesproken. Recenter heeft volgens betrouwbare berichten een bende gnolls zijn intrek genomen in de
voormalige gevechtsmarkt van het verlaten dorp.
De vier, die zich inmiddels afdoende bewezen hebben, wordt gevraagd
om op verkenning te gaan en een inventarisatie te gaan maken van de tegenstand
die te verwachten valt, voor dan een groter offensief ingezet kan worden.
Ragna
snuift wat minachtend bij de suggestie dat de rest van de expeditie zich met
het uitroeien van de gnolls zou komen bemoeien: ze verwacht niet veel van hun
hulp en meent het bovendien prima alleen af te kunnen. Het is Ominan die
tactvol moet suggereren dat enkele dagen rust misschien wenselijk zijn na de
aanvaringen van de voorbije dagen.
Almah is niet te vinden voor een dergelijk uitstel – tijd is
geld – en raadt hen aan zich tot vader Zastoran te wenden, die ongetwijfeld wel
een drankje heeft om Ragna’s verzwakte conditie weer op peil te brengen.
De alchemist blijkt hier inderdaad in te kunnen voorzien,
maar de prijs die tegenover zijn diensten staat, blijkt ondanks een gunsttarief
voor leden van de expeditie, toch nog aan de erg hoge kant. Ragna wuift de
suggestie dat ze het toch echt nodig heeft terzijde: twee muggenbeten zullen
haar heus niet genoeg hinderen om van enig belang te zijn. Avellana en Ardea
kijken bedenkelijk naar haar rood gezwollen schouders en vinden die formulering
wel aan de erg eufemistische kant, maar gaan niet tegen haar in. Ominan is
inmiddels behoorlijk ongeduldig om de tempel van Sarenrae in Kelmarane te gaan
herstellen, en de strijdlustige priester meent dat zo’n grote sterke ork niet
te veel betutteld moet worden.
De alchemist haalt zijn schouders op bij zoveel koppigheid
en wijdt zich dan maar weer opgewekt aan het schoonmaken van het laboratorium,
dat hem goed dienst zal kunnen doen. Hij belooft de vier wel dat ze de volgende
morgen voor vertrek een paar helende drankjes mogen komen ophalen.
Met die belofte keren de vier terug naar de slaapzaal, waar
ze willen gaan genieten van een goede nachtrust, voor ze zich de volgende dag
weer in het gevaar gaan storten. Dat is hen echter niet gegund: midden in de
nacht worden ze gewekt door een luid gehuil, dat lijkt op dat van een wolf.
Ragna en Ominan trekken eenvoudigweg de deken over hun hoofd en weigeren hun
slaap te laten verstoren. Avellana en Ardea overleggen even zachtjes over de
bron van het geluid, maar concluderen dan dat het van te veraf klinkt om zich
echt zorgen over te maken, al houden ze wel in hun achterhoofd dat het geluid
uit de richting van Kelmarane kwam. Ook zij zoeken dan maar weer hun bed op.
Dag 4
De ochtend is dan eindelijk aangebroken dat de vier zich
richting Kelmarane zullen begeven. Terwijl Ragna en Avellana zorgeloos genieten
van het maal dat hen door de geitenhoeders annex koks wordt voorgezet, hebben
Ominan en Ardea andere dingen aan hun hoofd.
Ominan heeft zijn
godin om raad gebeden met betrekking tot de geheimzinnige eieren in de tuin, en
gunt zich amper de tijd om iets achter de kiezen te steken, voor hij zich naar
het nest begeeft, om zich nogmaals over het raadsel te buigen.
Ardea heeft inmiddels Dashki in een stil hoekje zien zitten
en gaat met haar bord bedaard tegenover hem zitten, hem goedemorgen wensend.
Wanneer hij niet op haar aanwezigheid reageert, vestigt de tovenares een
dwingende blik op hem, en wacht af. De morsige figuur werpt wat schichtige
blikken op haar, en gaat inmiddels door met het naar binnen schuiven van voedsel,
uiteindelijk tussen twee happen door mompelend haar begroeting beantwoordend.
Tevreden met deze initiële respons begint Ardea Dashki
vervolgens met een combinatie van vasthoudendheid, lichte dwang en een beroep
op zijn trots als jager uit te horen over de gnolls. In de loop van het
moeizame gesprek komt ze toch enkele dingen aan de weet: volgens Dashki zijn de
pugwampi’s onnatuurlijke wezens, die komen uit ‘de donkere landen hier
beneden’. Of ze daaronder een meer zuidelijke geografische streek moet
verstaan, dan wel een onderwereldse locatie, daarover weigert Dashki
uitsluitsel te geven.
Over de gnolls weet hij te vertellen dat de stammen die zich
in Kelmarane verzameld hebben, hun eigen godin Lamashtu hebben verlaten. Ze
hangen nu Rovagug, de god van de vernietiging aan, en staan onder leiding van
een figuur die de Kadaverkoning wordt genoemd en op de Bleke Berg resideert.
Wanneer Ardea uiteindelijk meent dat ze alle informatie die
ze kan krijgen wel uit de jager heeft geperst, geeft Dashki zowaar uit eigen beweging nog iets prijs: het nachtelijke
gehuil dat het klooster opschrikte, is afkomstig van de gnolls in Kelmarane, en
wordt door hen gebruikt om contact te leggen met de Kadaverkoning…
Wanneer Ardea buiten komt om de geur van Dashki uit haar
neus te laten waaien, treft ze daar Ominan, die geduldig heeft zitten mediteren
bij de reusachtige eieren. Tot zijn frustratie heeft het niet heel veel
opgeleverd. Wel is hij ervan overtuigd geraakt dat de eieren afkomstig zijn van
een vogelachtige, en dit inzicht werd versterkt door een goddelijke
waarschuwing die als een fluistering in zijn gemoed weerklonk: verlies de lucht
niet uit het oog…
Nadat ook Avellana en Ragna zijn uitgegeten, zetten de vier
koers naar Kelmarane, uitgeleide gedaan door rookwalmen van de stapel monsters die door
de soldaten verbrand worden.
Het eerste deel van de tocht verloopt vlot, maar dan duikt
een probleem op: naarmate ze Kelmarane naderen, verandert het landschap, en worden de
heuvels steeds schaarser. Uiteindelijk staan ze op de laatste heuveltop,
en beseffen dat ze de komende halve mijl in het volle zicht zullen zijn van de
stad, die zelf op de volgende top ligt.
Na enig beraadslagen wordt besloten om de stad pas tegen de
avond te benaderen, zodat ze van de schemering gebruik kunnen maken om
ongemerkt te naderen. In de tussentijd keert de groep dan maar terug naar het
klooster.
Ominan stelt voor om de vrijgekomen tijd nuttig te gebruiken
en de catacomben eens aan een nauwkeuriger onderzoek te onderwerpen. Avellana
griezelt van het idee en heeft helemaal geen zin zich weer in de stoffige
ruimte vol skeletten en spinnenwebben te begeven. Liever duikt ze de keuken in
om de geitenhoeders eens te laten zien wat koken voor fijnproevers is. Ardea ziet meer in het ontrafelen van de geheimen van de catacomben dan
in keukencorvee en sluit zich schielijk bij de priester aan. Tot ieders
verbazing besluit Ragna zich bij Avellana te scharen, en de twee vertrekken
terwijl een enigszins van kleur verschietende Avellana de speculaties van de
halfork aanhoort over de culinaire mogelijkheden van gnollvlees.
In de catacomben aangekomen begint Ominan met het sorteren
van de stoffelijke overschotten: de dienaars van Sarenrae worden gescheiden van
de andere overblijfselen. Al doende stuit hij op een opvallend skelet met een
rijkbewerkt hoofddeksel. Hij krijgt even last van zijn zenuwen en zegent het
skelet met een krachtig ritueel om de doden tot rust te brengen, en voegt het
daarna bij de juiste stapel. Terwijl hij het versleept valt hem het wapen in
handen dat de dode droeg: een kromzwaard net als hetgeen hij aan zijn zijde
draagt, maar dan met scherpe snede.
Na enig aarzelen aanvaardt hij deze vingerwijzing van
Sarenrae en gespt het kromzwaard om. Ook een zilveren broche die op de vloer
klingelt, lijkt een bijzondere betekenis in zich te dragen, al is het sieraad
zo gesmolten dat nog amper te herkennen is hoe het er ooit heeft uitgezien. Een
herstellend gebed heeft geen enkel effect, en peinzend over wat hier kan zijn
voorgevallen, speldt Ominan de broche op zijn tulband.
Ardea verkent inmiddels wat andere donkere gangetjes, nadat
Ominan haar op het hart heeft gedrukt dat hij bij elk skelet moet worden
geroepen dat het gewaad van de dienaars van Sarenrae draagt. Haar oog wordt
getrokken door het glanzen van een zilveren dolk aan de gordel van een skelet
dat duidelijk dat van een vreemdeling was. Ze onderzoekt het wapen nauwkeurig,
maar noch de dolk, noch de wapenrusting van de man levert een merkteken of
wapenschild op dat enig licht op de mysterieuze groep werpt die kennelijk met
of tegen de priesters heeft gestreden.
Avellana en Ragna hebben inmiddels wat pasteien uit de oven,
en worden dan gestoord door een wachter. Hij komt vragen of één van hen zijn wacht in de kapel eventjes kan overnemen terwijl hij in enige
noodzakelijke lichamelijke behoeftes voorziet. Avellana wil wel zo goed zijn,
en Ragna besluit haar maar gezelschap te gaan houden.
De twee beseffen nu pas dat ze vanop de kooromgang in de
kapel een uitstekend zicht hebben op Kelmarane door het grote ronde raam. Ze
bestuderen aandachtig de inrichting van de stad, en het komen en gaan in de
straten, en merken zo helemaal niet op dat de wachter er op het gemak zijn tijd
voor neemt. Wanneer Ardea en Ominan eindelijk weer uit de catacomben opduiken,
kunnen ze hen melden dat ze gnolls heen en weer hebben zien lopen met stukken
vlees en een levende geit, die twee gebouwtjes werden binnengegooid. Avellana
en Ragna gaan van de theorie uit dat daar iets zit dat gevoed moet worden… een factor om straks rekening mee te houden.
Wanneer de schemering valt, is het tijd om weer richting
Kelmarane te trekken. In de hoop dat ze ongezien blijven, naderen de vier
behoedzaam het dorp en proberen in de schaduwen op te gaan. De rivier die hen van Kelmarane scheidt, wordt wijselijk
niet via de goed zichtbare brug overgestoken, maar doorwaden de vier op een wat
meer onopvallende plek.
Nat en druipend stappen de vier verder – behalve Ardea
dan, die haar vuurmagie subtiel aanwendt om binnen de kortste keren weer droog
en warm te zijn. Ze krijgt wat afgunstige blikken te verwerken, en laat zich
niet àl te lang bidden om ook Ragna op deze manier te drogen. Avellana kijkt
aandachtig toe, en weet na enig proberen het magische kunstje te dupliceren en
zichzelf droog te krijgen. Ominan loopt nog honderd meter koppig stoïcijns
door, tot koude tenen en gezond verstand hem nopen om eveneens de tovenares een
schoorvoetende blik toe te werpen, waarna ze vlot aan zijn gemompelde
verzoek voldoet.
De eerste twee gebouwen die in zicht komen zijn een oude molen, waarvan het
rad nog draait, maar het dak verdwenen is, en een klein gebouwtje wat verderop.
Avellana gaat nieuwsgierig door het raam van de molen gluren, en springt snel
weer achteruit: in het gebouw ligt een enorme slang te slapen.
Wanneer ze het andere gebouwtje naderen, komt hen al van ver
een geur van gedroogde kruiden tegemoet, en komt uit het gebouw iemand naar
buiten: kennelijk is het bewoond. De vrouwelijke gedaante blijkt, wanneer ze
naderbij komen, voorzien van klauwen en een paar indrukwekkende vleugels – het
is wel duidelijk dat ze hier niet met een gewone mens te doen hebben.
Wanneer de vrouw wantrouwig informeert wat de vier hier
komen doen, verzint Ominan soepeltjes een verhaal bij elkaar. Volgens hem zijn
ze gekomen omwille van de faam van de schone en wijze kruidenvrouw die bij
Kelmarane woont, om haar om raad te vragen met betrekking tot iemand in het
gezelschap. Op goed geluk Ragna aanwijzend, beweert hij zonder blikken of
blozen dat die dolgraag de schoonheid van de kruidenvrouw zou willen evenaren,
en vraagt of daarvoor geen drankje of smeerseltje valt te bereiden. Terwijl Ragna hem
een waarschuwende blik toewerpt het ook niet te ver te drijven, smelt de afschrikwekkende kruidenvrouw onder deze vleierijen als was in de Ominanse zon.
Undrella, zoals de kruidenvrouw blijkt te heten, rommelt wat
in haar huisje rond, en haalt een potje met een zalfje tevoorschijn dat volgens
haar de teint van de halfork gevoelig zal verbeteren, maar waarschuwt dat het natuurlijk een verre droom zal blijven om Undrella's eigen natuurlijke schoonheid te benaderen.
Ominan beaamt
dit van harte en houdt de kruidenvrouw met een stortvloed aan complimentjes aan
de praat. Ze vertelt hem dat zij een overeenkomst heeft met de leider van de
gnolls in Kelmarane, die een tweetal maanden geleden de vorige leider heeft
gedood. Daardoor wordt ze met rust gelaten door de gnolls, al voelt ze bepaald
geen vriendschap voor hen.
Wanneer Ominan verder doorvraagt, krijgt Undrella toch
langzamerhand argwaan, zeker wanneer ze de scherpe blikken ziet die door Avellana en Ardea op haar
inboedel worden geworpen. Het is haar wel duidelijk dat ze hier te maken heeft
met een groepje avonturiers.
Ominan is echter niet verslagen door deze
vaststelling en buigt die om naar een nieuwe wending in zijn verhaal: hij
vertelt haar dat de vier hier zijn op zoek naar een geheime schat die in de
oude tempel van Sarenrae begraven ligt.
Daar moet de kruidenvrouw even over nadenken, maar ze hecht
uiteindelijk toch geloof aan dit relaas: er is immers al eerder een groep avonturiers
in Kelmarane geweest, maar die groep is gevangengenomen door de gnolls.
Wellicht waren ook zij op zoek naar diezelfde schat. Ominan probeert haar,
doorspekt met de nodige lieve woordjes, te overhalen om hen hulp te bieden, in
ruil voor een deel van de schat.
Undrella heeft niet zozeer belangstelling voor de schat, als
wel voor de mogelijkheid om van de gnolls af te komen, met wie haar verhouding
er één van pure noodzaak is. De leider van de gnolls, die haar minnaar is,
behandelt haar met lang niet zoveel egards als Ominan, en het is tot haar
doorgedrongen dat ze zijn wreedheid niet langer hoeft te slikken. Ze belooft de
groep dat ze haar minnaar aan hen zal verraden en hen twee belangrijke sleutels
zal overhandigen… wanneer de vier haar de kop van de slang uit de molen
brengen, die ze voor één van haar brouwsels wil gebruiken.
Ominan stemt met dit plan in, en terwijl de drie vrouwen met
onderdrukte lachjes om deze onverwachte kant van de priester alvast naar buiten
drentelen, belooft hij met de nodige bloemrijke afscheidswoorden dat hij
binnenkort weer op Undrella’s stoep zal staan.
Buiten sputtert Avellana enige tijd verontwaardigd over het
feit dat de schat gedeeld zal moeten worden met Undrella, voor Ardea haar er
tactvol aan herinnert dat het hier slechts om een afleidingsmanoeuvre ging. De
danseres neemt hier slechts weifelend genoegen mee, en is ook al niet te vinden
voor het plan om de slang te gaan afmaken.
Wanneer Ragna wat meesmuilend lacht om Avellana’s angst voor
beestjes, wijst die de groep erop dat de afspraak met Almah was om poolshoogte
te nemen en verslag uit te brengen – niet om zich ondoordacht in de strijd te
werpen. Bovendien zal de verdwijning van de slang niet bepaald onopgemerkt
voorbijgaan: een duidelijk signaal voor de gnolls dat er iets gaande is, wat
verdere verkenningen zal bemoeilijken.
Ardea is wel gevoelig voor dat argument,
maar de andere twee willen niet horen van terugtrekken. Uiteindelijk komen ze
op het idee om de slang, eenmaal afgemaakt en van zijn kop ontdaan, in de
rivier te gooien, zodat zal lijken dat die ontsnapt is.
Ardea kan zich wel vinden in dit plan, maar Avellana vindt
het allemaal nog steeds wat ondoordacht. Ze weigert dan ook pertinent een stap
in het gebouw te zetten, en stelt dat zij wel assistentie van bovenaf zal
verlenen. Terwijl de rest deze kribbige mededelingen nog staat te verwerken,
heeft ze zich al soepeltjes de muur opgezwaaid en haar positie ingenomen,
pijl en boog in de aanslag.
Ragna haalt haar schouders op, en maakt er zich niet druk
over. Ze stampt de deur open en stormt de molen binnen, terwijl Ominan haar
rugdekking geeft. De slang bespeurt de indringers onmiddellijk en stort zich
sissend op Ragna. De halfork krijgt een flinke beet te verwerken, en voelt een
verzwakkend gif haar bloedbaan ingespoten worden.
Ominan staat gelukkig paraat
om haar te helen, en Ragna weet door een snelle reflex een tweede beet te
vermijden, maar blijft toch wat verzwakt door het gif achter, zodat een derde
aanval wel weer doel treft wanneer ze te traag wegspringt.
Avellana’s pijl mist helaas zijn doel, maar Ardea, die een
omtrekkende beweging heeft gemaakt, en de slang van buitenaf door een
raamopening met magische projectielen bestookt, weet ten volle te profiteren
van de afleiding die Ragna biedt. De slang schokt en beeft wanneer haar magie
erop inslaat, en valt weldra stervend ter aarde. Ominan maakt onmiddellijk gebruik
van zijn gunstige positie, schiet naderbij, en slaat met één welgemikte klap
van zijn sikkel de slang de kop af, definitief een eind aan het leven van het
reptiel makend.
Ominan vertrekt met de kop naar Undrella, in de hoop
misschien nog wat extra informatie of hulp te kunnen loskrijgen wanneer hij met
haar onder vier ogen is, en suggereert dat de drie vrouwen inmiddels wel de
slang in de rivier kunnen kieperen en de vloer wat schoonmaken. Op Ardea’s
aangebrande reactie dat ze geen poetsvrouw is, wijst hij haar er in alle
redelijkheid op dat een plas slangenbloed op de vloer nu niet bepaald zou
overeenstemmen met het beeld dat de slang zelf is ontsnapt.
Ragna wordt bij
nader inzien vrijgesteld van deze taken, omdat het slangengif meer impact
blijkt te hebben dan aanvankelijk leek: ze zit er maar wat zwakjes bij.
Terwijl Ardea haar magie aanwendt om de verraderlijke sporen
weg te werken, en samen met Avellana de slang in de rivier dumpt, begeeft
Ominan zich met zijn trofee naar Undrella. Die ontvangt hem met open armen en
blijkt zeer tevreden dat ze zo op hem kan rekenen. Ze praat hem maar al te
graag verder bij over de toestand in Kelmarane.
De huidige leider van de gnolls blijkt een mens te zijn, Kardswann geheten. Ominan herkent de naam meteen als één van de namen van de Vijf
Tempeliers die hij in het klooster op de reliëfs heeft gezien: Kardswann is de man
die een tweehandige bijl zwaaide. Naast de naar Undrella’s schatting ongeveer twintig gnolls is er ook een bende smokkelaars in de gevechtsmarkt
gevestigd, met wie de gnolls een wat onzekere alliantie hebben. Ook de avonturiers
zouden daar gevangengezet zijn – de gevechtsmarkt is kennelijk inderdaad het
punt waar alles zo’n beetje geconcentreerd is.
Ominan krijgt van Undrella ook nog twee sleutels mee: één
ervan geeft toegang tot de Noordelijke ingang van de gevechtsmarkt, de andere
opent een afgesloten deur die ligt aan het einde van de rechtergang die van
daaruit het gebouw inloopt, en via een trap naar boven leidt. Met de belofte
dat hij zeker spoedig weer bij haar langs komt, weet Ominan zich uiteindelijk
aan Undrella’s liefderijke klauwen te onttrekken.
Na het bespreken van de stand van zaken, besluiten de vier om weer richting het klooster
te trekken: de informatie die ze hebben verzameld, kunnen ze maar beter gaan
rapporteren voor ze tot verdere actie overgaan. De terugtocht wordt alleen
onderbroken door hetzelfde gehuil dat ook de vorige nacht te horen was…
Terug in het kamp aangekomen, ligt iedereen behalve de
wachtposten al te slapen, dus de verslaglegging wordt tot
de volgende ochtend uitgesteld zodat ze eerst ook zelf van een verdiende
nachtrust kunnen gaan genieten.
XP
2,400 XP (600 XP per speler)
Treasure
Cold iron
scimitar
Masterwork
silver dagger
Masterwork leather armor
Doosje (versierd met het symbool van Sarenrae)
Houten heilig symbool (Sarenrae) aan zilveren ketting
Longsword
Zilveren broche