maandag 4 november 2013

16 oktober 2013

Dag 3 (vervolg II)

Nadat Avellana weer als haar stralende zelf is weergekeerd, besluiten de vier dat het moment is aangebroken om de rest van de expeditie naar het veiliggestelde klooster te laten komen.
Tegen het middaguur arriveert de karavaan, en iedereen loopt gepast onder de indruk langs de stapel dode monsters. 
De soldaten nemen hun intrek in de achthoekige kamer, vader Zastoran duikt handenwrijvend het lab in, en Garavel en Almah installeren zich samen in de bibliotheek, wat hen op opgetrokken wenkbrauwen komt te staan van de vier avonturiers, aan wie deze verhouding helemaal was voorbijgegaan. Verder lijkt niemand ervan op te kijken. Ietwat ontstemd omdat alle goeie kamers al ingepikt lijken voor ze van deze verbazing bekomen zijn, stellen de avonturiers zich dan maar tevreden met de voormalige slaapzaal.
Ragna staat alweer te trappelen om richting de gnolls te trekken, maar Ominan preekt voorzichtigheid: haar aanvaringen van de voorbije dag hebben haar verzwakt achtergelaten. Ardea stelt voor om eerst maar eens krijgsraad te houden met Almah en Garavel.

In de bibliotheek wordt de stand van zaken nog eens samengevat: op anderhalve mijl van het klooster ligt Kelmarane, het doel van de expeditie. Het dorp is ooit ontstaan omheen een gevechtsmarkt, niet ongewoon in deze regio. Zo’n twintig jaar geleden is het om onbekende redenen ineens verlaten. Er wordt gefluisterd dat er een vloek over het dorp zou zijn uitgesproken. Recenter heeft volgens betrouwbare berichten een bende gnolls zijn intrek genomen in de voormalige gevechtsmarkt van het verlaten dorp.
De vier, die zich inmiddels afdoende bewezen hebben, wordt gevraagd om op verkenning te gaan en een inventarisatie te gaan maken van de tegenstand die te verwachten valt, voor dan een groter offensief ingezet kan worden. 
Ragna snuift wat minachtend bij de suggestie dat de rest van de expeditie zich met het uitroeien van de gnolls zou komen bemoeien: ze verwacht niet veel van hun hulp en meent het bovendien prima alleen af te kunnen. Het is Ominan die tactvol moet suggereren dat enkele dagen rust misschien wenselijk zijn na de aanvaringen van de voorbije dagen.
Almah is niet te vinden voor een dergelijk uitstel – tijd is geld – en raadt hen aan zich tot vader Zastoran te wenden, die ongetwijfeld wel een drankje heeft om Ragna’s verzwakte conditie weer op peil te brengen.

De alchemist blijkt hier inderdaad in te kunnen voorzien, maar de prijs die tegenover zijn diensten staat, blijkt ondanks een gunsttarief voor leden van de expeditie, toch nog aan de erg hoge kant. Ragna wuift de suggestie dat ze het toch echt nodig heeft terzijde: twee muggenbeten zullen haar heus niet genoeg hinderen om van enig belang te zijn. Avellana en Ardea kijken bedenkelijk naar haar rood gezwollen schouders en vinden die formulering wel aan de erg eufemistische kant, maar gaan niet tegen haar in. Ominan is inmiddels behoorlijk ongeduldig om de tempel van Sarenrae in Kelmarane te gaan herstellen, en de strijdlustige priester meent dat zo’n grote sterke ork niet te veel betutteld moet worden.
De alchemist haalt zijn schouders op bij zoveel koppigheid en wijdt zich dan maar weer opgewekt aan het schoonmaken van het laboratorium, dat hem goed dienst zal kunnen doen. Hij belooft de vier wel dat ze de volgende morgen voor vertrek een paar helende drankjes mogen komen ophalen.
Met die belofte keren de vier terug naar de slaapzaal, waar ze willen gaan genieten van een goede nachtrust, voor ze zich de volgende dag weer in het gevaar gaan storten. Dat is hen echter niet gegund: midden in de nacht worden ze gewekt door een luid gehuil, dat lijkt op dat van een wolf. Ragna en Ominan trekken eenvoudigweg de deken over hun hoofd en weigeren hun slaap te laten verstoren. Avellana en Ardea overleggen even zachtjes over de bron van het geluid, maar concluderen dan dat het van te veraf klinkt om zich echt zorgen over te maken, al houden ze wel in hun achterhoofd dat het geluid uit de richting van Kelmarane kwam. Ook zij zoeken dan maar weer hun bed op.

Dag 4

De ochtend is dan eindelijk aangebroken dat de vier zich richting Kelmarane zullen begeven. Terwijl Ragna en Avellana zorgeloos genieten van het maal dat hen door de geitenhoeders annex koks wordt voorgezet, hebben Ominan en Ardea andere dingen aan hun hoofd.
Ominan heeft zijn godin om raad gebeden met betrekking tot de geheimzinnige eieren in de tuin, en gunt zich amper de tijd om iets achter de kiezen te steken, voor hij zich naar het nest begeeft, om zich nogmaals over het raadsel te buigen.
Ardea heeft inmiddels Dashki in een stil hoekje zien zitten en gaat met haar bord bedaard tegenover hem zitten, hem goedemorgen wensend. Wanneer hij niet op haar aanwezigheid reageert, vestigt de tovenares een dwingende blik op hem, en wacht af. De morsige figuur werpt wat schichtige blikken op haar, en gaat inmiddels door met het naar binnen schuiven van voedsel, uiteindelijk tussen twee happen door mompelend haar begroeting beantwoordend.
Tevreden met deze initiële respons begint Ardea Dashki vervolgens met een combinatie van vasthoudendheid, lichte dwang en een beroep op zijn trots als jager uit te horen over de gnolls. In de loop van het moeizame gesprek komt ze toch enkele dingen aan de weet: volgens Dashki zijn de pugwampi’s onnatuurlijke wezens, die komen uit ‘de donkere landen hier beneden’. Of ze daaronder een meer zuidelijke geografische streek moet verstaan, dan wel een onderwereldse locatie, daarover weigert Dashki uitsluitsel te geven.
Over de gnolls weet hij te vertellen dat de stammen die zich in Kelmarane verzameld hebben, hun eigen godin Lamashtu hebben verlaten. Ze hangen nu Rovagug, de god van de vernietiging aan, en staan onder leiding van een figuur die de Kadaverkoning wordt genoemd en op de Bleke Berg resideert.
Wanneer Ardea uiteindelijk meent dat ze alle informatie die ze kan krijgen wel uit de jager heeft geperst, geeft Dashki zowaar uit eigen beweging nog iets prijs: het nachtelijke gehuil dat het klooster opschrikte, is afkomstig van de gnolls in Kelmarane, en wordt door hen gebruikt om contact te leggen met de Kadaverkoning… 
Wanneer Ardea buiten komt om de geur van Dashki uit haar neus te laten waaien, treft ze daar Ominan, die geduldig heeft zitten mediteren bij de reusachtige eieren. Tot zijn frustratie heeft het niet heel veel opgeleverd. Wel is hij ervan overtuigd geraakt dat de eieren afkomstig zijn van een vogelachtige, en dit inzicht werd versterkt door een goddelijke waarschuwing die als een fluistering in zijn gemoed weerklonk: verlies de lucht niet uit het oog…

Nadat ook Avellana en Ragna zijn uitgegeten, zetten de vier koers naar Kelmarane, uitgeleide gedaan door rookwalmen van de stapel monsters die door de soldaten verbrand worden.
Het eerste deel van de tocht verloopt vlot, maar dan duikt een probleem op: naarmate ze Kelmarane naderen, verandert het landschap, en worden de heuvels steeds schaarser. Uiteindelijk staan ze op de laatste heuveltop, en beseffen dat ze de komende halve mijl in het volle zicht zullen zijn van de stad, die zelf op de volgende top ligt.
Na enig beraadslagen wordt besloten om de stad pas tegen de avond te benaderen, zodat ze van de schemering gebruik kunnen maken om ongemerkt te naderen. In de tussentijd keert de groep dan maar terug naar het klooster.
Ominan stelt voor om de vrijgekomen tijd nuttig te gebruiken en de catacomben eens aan een nauwkeuriger onderzoek te onderwerpen. Avellana griezelt van het idee en heeft helemaal geen zin zich weer in de stoffige ruimte vol skeletten en spinnenwebben te begeven. Liever duikt ze de keuken in om de geitenhoeders eens te laten zien wat koken voor fijnproevers is. Ardea ziet meer in het ontrafelen van de geheimen van de catacomben dan in keukencorvee en sluit zich schielijk bij de priester aan. Tot ieders verbazing besluit Ragna zich bij Avellana te scharen, en de twee vertrekken terwijl een enigszins van kleur verschietende Avellana de speculaties van de halfork aanhoort over de culinaire mogelijkheden van gnollvlees.

In de catacomben aangekomen begint Ominan met het sorteren van de stoffelijke overschotten: de dienaars van Sarenrae worden gescheiden van de andere overblijfselen. Al doende stuit hij op een opvallend skelet met een rijkbewerkt hoofddeksel. Hij krijgt even last van zijn zenuwen en zegent het skelet met een krachtig ritueel om de doden tot rust te brengen, en voegt het daarna bij de juiste stapel. Terwijl hij het versleept valt hem het wapen in handen dat de dode droeg: een kromzwaard net als hetgeen hij aan zijn zijde draagt, maar dan met scherpe snede.
Na enig aarzelen aanvaardt hij deze vingerwijzing van Sarenrae en gespt het kromzwaard om. Ook een zilveren broche die op de vloer klingelt, lijkt een bijzondere betekenis in zich te dragen, al is het sieraad zo gesmolten dat nog amper te herkennen is hoe het er ooit heeft uitgezien. Een herstellend gebed heeft geen enkel effect, en peinzend over wat hier kan zijn voorgevallen, speldt Ominan de broche op zijn tulband.
Ardea verkent inmiddels wat andere donkere gangetjes, nadat Ominan haar op het hart heeft gedrukt dat hij bij elk skelet moet worden geroepen dat het gewaad van de dienaars van Sarenrae draagt. Haar oog wordt getrokken door het glanzen van een zilveren dolk aan de gordel van een skelet dat duidelijk dat van een vreemdeling was. Ze onderzoekt het wapen nauwkeurig, maar noch de dolk, noch de wapenrusting van de man levert een merkteken of wapenschild op dat enig licht op de mysterieuze groep werpt die kennelijk met of tegen de priesters heeft gestreden.

Avellana en Ragna hebben inmiddels wat pasteien uit de oven, en worden dan gestoord door een wachter. Hij komt vragen of één van hen zijn wacht in de kapel eventjes kan overnemen terwijl hij in enige noodzakelijke lichamelijke behoeftes voorziet. Avellana wil wel zo goed zijn, en Ragna besluit haar maar gezelschap te gaan houden.
De twee beseffen nu pas dat ze vanop de kooromgang in de kapel een uitstekend zicht hebben op Kelmarane door het grote ronde raam. Ze bestuderen aandachtig de inrichting van de stad, en het komen en gaan in de straten, en merken zo helemaal niet op dat de wachter er op het gemak zijn tijd voor neemt. Wanneer Ardea en Ominan eindelijk weer uit de catacomben opduiken, kunnen ze hen melden dat ze gnolls heen en weer hebben zien lopen met stukken vlees en een levende geit, die twee gebouwtjes werden binnengegooid. Avellana en Ragna gaan van de theorie uit dat daar iets zit dat gevoed moet worden… een factor om straks rekening mee te houden.
Wanneer de schemering valt, is het tijd om weer richting Kelmarane te trekken. In de hoop dat ze ongezien blijven, naderen de vier behoedzaam het dorp en proberen in de schaduwen op te gaan. De rivier die hen van Kelmarane scheidt, wordt wijselijk niet via de goed zichtbare brug overgestoken, maar doorwaden de vier op een wat meer onopvallende plek. 
Nat en druipend stappen de vier verder – behalve Ardea dan, die haar vuurmagie subtiel aanwendt om binnen de kortste keren weer droog en warm te zijn. Ze krijgt wat afgunstige blikken te verwerken, en laat zich niet àl te lang bidden om ook Ragna op deze manier te drogen. Avellana kijkt aandachtig toe, en weet na enig proberen het magische kunstje te dupliceren en zichzelf droog te krijgen. Ominan loopt nog honderd meter koppig stoïcijns door, tot koude tenen en gezond verstand hem nopen om eveneens de tovenares een schoorvoetende blik toe te werpen, waarna ze vlot aan zijn gemompelde verzoek voldoet.

De eerste twee gebouwen die in zicht komen zijn een oude molen, waarvan het rad nog draait, maar het dak verdwenen is, en een klein gebouwtje wat verderop. Avellana gaat nieuwsgierig door het raam van de molen gluren, en springt snel weer achteruit: in het gebouw ligt een enorme slang te slapen.
Wanneer ze het andere gebouwtje naderen, komt hen al van ver een geur van gedroogde kruiden tegemoet, en komt uit het gebouw iemand naar buiten: kennelijk is het bewoond. De vrouwelijke gedaante blijkt, wanneer ze naderbij komen, voorzien van klauwen en een paar indrukwekkende vleugels – het is wel duidelijk dat ze hier niet met een gewone mens te doen hebben.
Wanneer de vrouw wantrouwig informeert wat de vier hier komen doen, verzint Ominan soepeltjes een verhaal bij elkaar. Volgens hem zijn ze gekomen omwille van de faam van de schone en wijze kruidenvrouw die bij Kelmarane woont, om haar om raad te vragen met betrekking tot iemand in het gezelschap. Op goed geluk Ragna aanwijzend, beweert hij zonder blikken of blozen dat die dolgraag de schoonheid van de kruidenvrouw zou willen evenaren, en vraagt of daarvoor geen drankje of smeerseltje valt te bereiden. Terwijl Ragna hem een waarschuwende blik toewerpt het ook niet te ver te drijven, smelt de afschrikwekkende kruidenvrouw onder deze vleierijen als was in de Ominanse zon.
Undrella, zoals de kruidenvrouw blijkt te heten, rommelt wat in haar huisje rond, en haalt een potje met een zalfje tevoorschijn dat volgens haar de teint van de halfork gevoelig zal verbeteren, maar waarschuwt dat het natuurlijk een verre droom zal blijven om Undrella's eigen natuurlijke schoonheid te benaderen. 
Ominan beaamt dit van harte en houdt de kruidenvrouw met een stortvloed aan complimentjes aan de praat. Ze vertelt hem dat zij een overeenkomst heeft met de leider van de gnolls in Kelmarane, die een tweetal maanden geleden de vorige leider heeft gedood. Daardoor wordt ze met rust gelaten door de gnolls, al voelt ze bepaald geen vriendschap voor hen.
Wanneer Ominan verder doorvraagt, krijgt Undrella toch langzamerhand argwaan, zeker wanneer ze de scherpe blikken ziet die door Avellana en Ardea op haar inboedel worden geworpen. Het is haar wel duidelijk dat ze hier te maken heeft met een groepje avonturiers. 
Ominan is echter niet verslagen door deze vaststelling en buigt die om naar een nieuwe wending in zijn verhaal: hij vertelt haar dat de vier hier zijn op zoek naar een geheime schat die in de oude tempel van Sarenrae begraven ligt.
Daar moet de kruidenvrouw even over nadenken, maar ze hecht uiteindelijk toch geloof aan dit relaas: er is immers al eerder een groep avonturiers in Kelmarane geweest, maar die groep is gevangengenomen door de gnolls. Wellicht waren ook zij op zoek naar diezelfde schat. Ominan probeert haar, doorspekt met de nodige lieve woordjes, te overhalen om hen hulp te bieden, in ruil voor een deel van de schat.
Undrella heeft niet zozeer belangstelling voor de schat, als wel voor de mogelijkheid om van de gnolls af te komen, met wie haar verhouding er één van pure noodzaak is. De leider van de gnolls, die haar minnaar is, behandelt haar met lang niet zoveel egards als Ominan, en het is tot haar doorgedrongen dat ze zijn wreedheid niet langer hoeft te slikken. Ze belooft de groep dat ze haar minnaar aan hen zal verraden en hen twee belangrijke sleutels zal overhandigen… wanneer de vier haar de kop van de slang uit de molen brengen, die ze voor één van haar brouwsels wil gebruiken.
Ominan stemt met dit plan in, en terwijl de drie vrouwen met onderdrukte lachjes om deze onverwachte kant van de priester alvast naar buiten drentelen, belooft hij met de nodige bloemrijke afscheidswoorden dat hij binnenkort weer op Undrella’s stoep zal staan.

Buiten sputtert Avellana enige tijd verontwaardigd over het feit dat de schat gedeeld zal moeten worden met Undrella, voor Ardea haar er tactvol aan herinnert dat het hier slechts om een afleidingsmanoeuvre ging. De danseres neemt hier slechts weifelend genoegen mee, en is ook al niet te vinden voor het plan om de slang te gaan afmaken.
Wanneer Ragna wat meesmuilend lacht om Avellana’s angst voor beestjes, wijst die de groep erop dat de afspraak met Almah was om poolshoogte te nemen en verslag uit te brengen – niet om zich ondoordacht in de strijd te werpen. Bovendien zal de verdwijning van de slang niet bepaald onopgemerkt voorbijgaan: een duidelijk signaal voor de gnolls dat er iets gaande is, wat verdere verkenningen zal bemoeilijken. 
Ardea is wel gevoelig voor dat argument, maar de andere twee willen niet horen van terugtrekken. Uiteindelijk komen ze op het idee om de slang, eenmaal afgemaakt en van zijn kop ontdaan, in de rivier te gooien, zodat zal lijken dat die ontsnapt is.
Ardea kan zich wel vinden in dit plan, maar Avellana vindt het allemaal nog steeds wat ondoordacht. Ze weigert dan ook pertinent een stap in het gebouw te zetten, en stelt dat zij wel assistentie van bovenaf zal verlenen. Terwijl de rest deze kribbige mededelingen nog staat te verwerken, heeft ze zich al soepeltjes de muur opgezwaaid en haar positie ingenomen, pijl en boog in de aanslag.
Ragna haalt haar schouders op, en maakt er zich niet druk over. Ze stampt de deur open en stormt de molen binnen, terwijl Ominan haar rugdekking geeft. De slang bespeurt de indringers onmiddellijk en stort zich sissend op Ragna. De halfork krijgt een flinke beet te verwerken, en voelt een verzwakkend gif haar bloedbaan ingespoten worden. 
Ominan staat gelukkig paraat om haar te helen, en Ragna weet door een snelle reflex een tweede beet te vermijden, maar blijft toch wat verzwakt door het gif achter, zodat een derde aanval wel weer doel treft wanneer ze te traag wegspringt.
Avellana’s pijl mist helaas zijn doel, maar Ardea, die een omtrekkende beweging heeft gemaakt, en de slang van buitenaf door een raamopening met magische projectielen bestookt, weet ten volle te profiteren van de afleiding die Ragna biedt. De slang schokt en beeft wanneer haar magie erop inslaat, en valt weldra stervend ter aarde. Ominan maakt onmiddellijk gebruik van zijn gunstige positie, schiet naderbij, en slaat met één welgemikte klap van zijn sikkel de slang de kop af, definitief een eind aan het leven van het reptiel makend.

Ominan vertrekt met de kop naar Undrella, in de hoop misschien nog wat extra informatie of hulp te kunnen loskrijgen wanneer hij met haar onder vier ogen is, en suggereert dat de drie vrouwen inmiddels wel de slang in de rivier kunnen kieperen en de vloer wat schoonmaken. Op Ardea’s aangebrande reactie dat ze geen poetsvrouw is, wijst hij haar er in alle redelijkheid op dat een plas slangenbloed op de vloer nu niet bepaald zou overeenstemmen met het beeld dat de slang zelf is ontsnapt. 
Ragna wordt bij nader inzien vrijgesteld van deze taken, omdat het slangengif meer impact blijkt te hebben dan aanvankelijk leek: ze zit er maar wat zwakjes bij.
Terwijl Ardea haar magie aanwendt om de verraderlijke sporen weg te werken, en samen met Avellana de slang in de rivier dumpt, begeeft Ominan zich met zijn trofee naar Undrella. Die ontvangt hem met open armen en blijkt zeer tevreden dat ze zo op hem kan rekenen. Ze praat hem maar al te graag verder bij over de toestand in Kelmarane.
De huidige leider van de gnolls blijkt een mens te zijn, Kardswann geheten. Ominan herkent de naam meteen als één van de namen van de Vijf Tempeliers die hij in het klooster op de reliëfs heeft gezien: Kardswann is de man die een tweehandige bijl zwaaide. Naast de naar Undrella’s schatting ongeveer twintig gnolls is er ook een bende smokkelaars in de gevechtsmarkt gevestigd, met wie de gnolls een wat onzekere alliantie hebben. Ook de avonturiers zouden daar gevangengezet zijn – de gevechtsmarkt is kennelijk inderdaad het punt waar alles zo’n beetje geconcentreerd is.
Ominan krijgt van Undrella ook nog twee sleutels mee: één ervan geeft toegang tot de Noordelijke ingang van de gevechtsmarkt, de andere opent een afgesloten deur die ligt aan het einde van de rechtergang die van daaruit het gebouw inloopt, en via een trap naar boven leidt. Met de belofte dat hij zeker spoedig weer bij haar langs komt, weet Ominan zich uiteindelijk aan Undrella’s liefderijke klauwen te onttrekken.

Na het bespreken van de stand van zaken, besluiten de vier om weer richting het klooster te trekken: de informatie die ze hebben verzameld, kunnen ze maar beter gaan rapporteren voor ze tot verdere actie overgaan. De terugtocht wordt alleen onderbroken door hetzelfde gehuil dat ook de vorige nacht te horen was…
Terug in het kamp aangekomen, ligt iedereen behalve de wachtposten al te slapen, dus de verslaglegging wordt tot de volgende ochtend uitgesteld zodat ze eerst ook zelf van een verdiende nachtrust kunnen gaan genieten.

XP
2,400 XP (600 XP per speler)

Treasure
Cold iron scimitar
Masterwork silver dagger
Masterwork leather armor
Doosje (versierd met het symbool van Sarenrae)
Houten heilig symbool (Sarenrae) aan zilveren ketting
Longsword
Zilveren broche


Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.