Dag 10 - vervolg
Gezien de schatkamer
een doodlopend punt lijkt te zijn, keert de groep weer terug naar de kamer met
de put. Nu alles verder verkend is, zit er niets anders op dan in de put af te
dalen. Ardea’s vurige ogen reiken verder dan die van haar kameraden en ze kan
hen waarschuwen dat de bodem van de put inmiddels lager ligt dan te voren – de
put is inmiddels zo’n 60 voet diep, maar beneden ziet ze nu een grotere ruimte,
waar voorheen slechts een bodem te zien was.
Vita maakt gebruik van de magische slippers die ze zich
eerder heeft weten toe te eigenen, en snelt lichtvoetig naar beneden. Daar
treft ze een kamertje, dat leeg lijkt te zijn. Er vertrekt een gang uit, die
leidt naar een traliehek, waarachter een gang met nissen aan weerszijden ligt.
Haar gezellen volgen haar vrij vlot naar beneden. Zowel de
Roze Ridder als Ardea kan beroep doen op een magische ring, en beiden zweven
waardig en rustig naar de grond, terwijl Ominan en Oxvard zich als echte mannen
van de daad langs een touw naar beneden werken.
Het is al gauw duidelijk dat ze voorbij het traliehek zullen
moeten, al heeft Vita enig protest aan te tekenen: dat hek zal daar toch wel
met een goeie reden zitten? Maar ze wordt genegeerd: ze zijn hier om met een
demon af te rekenen, en een onnozel hek zal hen niet tegenhouden.
De Roze Ridder stroopt zijn elegante roze mouwen op en gaat
aan het werk: hij probeert het hek omhoog te trekken, tegen het verroeste
ophaalmechanisme in. Zijn gespannen spieren en bezwete gezicht hebben helaas
niet het gewenste effect: het hek gaat niet omhoog… en Ominan lijkt al evenmin
erg onder de indruk. Met vereende krachten lukt het uiteindelijk wel: het roestige
hek schuift ratelend omhoog, en ze kunnen de gang in.
De vijf gaan behoedzaam verder, en onderwerpen elke nis aan
een onderzoek. Ze treffen er echter niets meer aan dan dode lichamen die in
vergane stof zijn gekleed. Wanneer ze bij een bocht in de gang komen, horen ze
echter ineens geluiden. Niet alleen voor zich… maar ook achter zich, uit de
nissen die leeg leken te zijn.
Al gauw verschijnen er drie schuifelende zombies in de gang,
die met verrassende snelheid naderen. Ardea en bestookt de levende lijken met
zuurkogels, Vita voegt er haar pijlen aan toe, maar die worden door de zombies
onvermoed lenig ontweken. Vita legt zonder verpinken opnieuw aan, maar wanneer
één van de zombies haar toefluistert ‘blijf bij ons… blijf bij Xulthos…’ brengt
zijn grafadem haar dusdanig van de wijs dat haar pijl de wand raakt in plaats
van het beoogde doel. Ze laat haar boog vallen, en grijpt haar zwaard, maar
heeft daarmee niet veel meer geluk.
De Roze Ridder komt echter toesnellen, en slaat het lijk met
één forse klap neer. Het lijkt even dood, en nu voorgoed… maar komt dan weer
overeind, klaar om de strijd verder te zetten. Ominan, misschien nog wat moreel
ontdaan door het feit dat hij de heiligheid van de schatkamer heeft geschonden,
raakt bij deze aanblik in de greep van paniek, en zet het op een rennen. Een
van de zombies probeert hem in het voorbijgaan te grijpen, maar hij weet de
klauw af te schudden, en stormt richting de uitgang.
Zijn achtergebleven vrienden voeren inmiddels een schijnbaar
eindeloze strijd. De Roze Ridder slaat een zombie neer met zijn schild, Ardea
vuurt vuurpijlen af en weet een tweede neer te halen… maar inmiddels staat de
eerste zombie alweer overeind. Vita, wiens pijlen hun doel blijven missen,
voelt zich helemaal niet meer opgewassen tegen de situatie, en neemt op haar
beurt de vlucht. Ook Ardea, wanneer ze haar tegenstander andermaal ziet
opstaan, wordt door paniek bevangen: deze onnatuurlijke aanvallers lijken door
niets te stuiten. Oxvard slaat een derde zombie neer, die meteen weer oprijst,
en de Roze Ridder verliest op zijn beurt alle hoop: ook hij zet het op een
lopen.
Vita rent richting de uitgang, en treft op de bodem van de
kuil Ominan, die in een hoekje zit te beven. Ze houdt geen halt, maar rent
dankzij haar slippers tegen de rechte muur op, en verdwijnt in de verte. De
Roze Ridder, wie het ook allemaal te veel is geworden, stormt Ardea voorbij,
grijpt het touw en begint te klimmen. Ardea, die geen uitweg meer ziet, kijkt
paniekerig in het rond, en merkt dat een van de zombies hen is gevolgd.
Ominan lijkt bij zinnen te komen bij dit zicht: nu er geen
andere optie is, komt hij overeind, raapt zichzelf bij elkaar, en maakt zich
klaar om de strijd weer aan te gaan. Ardea put moed uit het feit dat haar
strijdmakker weer tot zichzelf is gekomen, en wanneer ze ook Oxvard ziet
aankomen, die door de zombie wordt aangevallen, richt ze weer een vuurpijl op het
wezen. Ze mist, maar intussen is Ominan naderbij gewerveld, en hakt met zijn
kromzwaard dodelijk in op het levende lijk. Dat stort weer ter aarde, maar
rijst andermaal op. Ardea heeft het gevoel dat dit een verloren zaak is, en
staat als aan de grond genageld terwijl de zombie Ominan beetgrijpt.
De priester weet zich los te rukken, en vlucht paniekerig
voor de zombie weg. Hij rent opnieuw de gang in en rent recht tegen een deur
aan, waarop een afbeelding van Sarenrae staat, waarvan het gezicht is
weggebrand. Angstig kijkt hij over zijn schouder, en ziet onverwachte hulp
naderen. De Roze Ridder blijkt net op tijd weer bij zinnen te zijn gekomen, en
verschijnt op dit moment om de zombie tegen de grond te slaan. Wanneer die
echter andermaal overeind komt, wordt ook hij weer door paniek bevangen en
deinst achteruit.
Ominan put moed uit de nabijheid van de afbeelding van
Sarenrae, omklemt het gevest van zijn kromzwaard, en werpt zich met een
combinatie van paniek en verbetenheid op de zombie, die hij schreeuwend aan
mootjes hakt.
Wanneer tenslotte iedereen weer bij elkaar is, worden enige
opgelaten blikken gewisseld. De drie zombies zijn uiteindelijk allemaal geveld,
en achteraf is het wel duidelijk dat ze de vorige keren niet werkelijk
verslagen waren, maar alleen deden alsof, zodat hun prooi zich veilig zou
voelen. In een stilzwijgende overeenkomst wordt besloten dat na deze dag nooit
meer gerept zal worden over Ominans bibberende minuten, Ardea’s hysterische
neiging om het touw in brand te steken waarlangs de Roze Ridder weinig
manhaftig omhoog vluchtte, of het feit dat Vita halverwege Kelmarane was voor
ze schoorvoetend terugkeerde… de verhalen die over deze dag verteld zullen
worden, kunnen ongetwijfeld zonder deze episodes.
De deur waartegen Ominan opbotste is het volgende element
dat nader onderzocht wordt. De geur die er vanaf slaat is muf. Wanneer de Roze
Ridder de deur voorzichtig openduwt, blijkt die niet op slot te zitten.
Erachter ligt een donkere ruimte, die een soort grot lijkt te zijn. Op de bodem
liggen plassen, in het plafond zijn boomwortels te zien.
Aan de overkant van de ruimte is een platform gemaakt,
waarop een grote man staat, die iedereen in eerste instantie herkent als
Kardswann, voor het tot hen doordringt dat het ongetwijfeld om de demon Xulthos
gaat die zijn gedaante heft aangenomen. De man lacht dreigend en begint een
bezwering. Is het de aanwezigheid van twee heilige mannen? Ominans tulband
lijkt even op te gloeien in het schemerlicht, en de bezwering van Xulthos heeft
geen enkel effect op de groep.
De Roze Ridder aarzelt niet lang, en valt driest deze
zoveelste Kardswann aan. Ardea grijpt een van de glanzende edelsteentjes van
haar nieuwe halssnoer, mikt zorgvuldig en lanceert dan een gigantische vuurbal.
Tot haar teleurstelling lijkt de demon het vuur echter grotendeels van zich af
te schudden. Vita vuurt inmiddels twee pijlen op hem af – één ervan weet hij te
ontwijken, maar de andere raakt tot haar tevredenheid.
Xulthos reageert door zichzelf te onthullen in zijn ware
gedaante: de demon blijkt een soort gigantisch insectachtig wezen te zijn, met
doorzichtige vleugels, die hij steeds sneller begint te bewegen. Een vreemd
licht weerkaatst op zijn exoskelet, en Vita en Oxvard raken in verwarring door
deze twee effecten die met de zintuigen lijken te spelen. Oxvard lijkt uit zijn
doen, staat met zijn wapen te zwaaien, maar raakt er uiteindelijk alleen
zichzelf mee.
De demon neemt geen genoegen met dit povere resultaat, en
valt de dichtstbijzijnde vijand aan: de Roze Ridder moet het ontgelden. Ardea
wilde net een vuurpijl op Xulthos afschieten, maar mist door deze plotse
beweging. Ze concentreert zich voor een volgende poging, en merkt niet dat Vita
inmiddels aan steeds grotere verwarring ten prooi lijkt. Tot haar verbijstering
wordt ze ineens door de halfelf aangevallen, die zonder aarzelen toesteekt!
Xulthos maakt zijn reputatie waar: hij is kennelijk
inderdaad heel goed in staat om geesten zo te beïnvloeden dat bondgenoten zich
tegen elkaar keren… het gevecht is nog zwaarder geworden dan het al leek.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.