dinsdag 25 maart 2014

7 maart 2014

Dag 10 - vervolg

Gezien de schatkamer een doodlopend punt lijkt te zijn, keert de groep weer terug naar de kamer met de put. Nu alles verder verkend is, zit er niets anders op dan in de put af te dalen. Ardea’s vurige ogen reiken verder dan die van haar kameraden en ze kan hen waarschuwen dat de bodem van de put inmiddels lager ligt dan te voren – de put is inmiddels zo’n 60 voet diep, maar beneden ziet ze nu een grotere ruimte, waar voorheen slechts een bodem te zien was.
Vita maakt gebruik van de magische slippers die ze zich eerder heeft weten toe te eigenen, en snelt lichtvoetig naar beneden. Daar treft ze een kamertje, dat leeg lijkt te zijn. Er vertrekt een gang uit, die leidt naar een traliehek, waarachter een gang met nissen aan weerszijden ligt.
Haar gezellen volgen haar vrij vlot naar beneden. Zowel de Roze Ridder als Ardea kan beroep doen op een magische ring, en beiden zweven waardig en rustig naar de grond, terwijl Ominan en Oxvard zich als echte mannen van de daad langs een touw naar beneden werken.

Het is al gauw duidelijk dat ze voorbij het traliehek zullen moeten, al heeft Vita enig protest aan te tekenen: dat hek zal daar toch wel met een goeie reden zitten? Maar ze wordt genegeerd: ze zijn hier om met een demon af te rekenen, en een onnozel hek zal hen niet tegenhouden.
De Roze Ridder stroopt zijn elegante roze mouwen op en gaat aan het werk: hij probeert het hek omhoog te trekken, tegen het verroeste ophaalmechanisme in. Zijn gespannen spieren en bezwete gezicht hebben helaas niet het gewenste effect: het hek gaat niet omhoog… en Ominan lijkt al evenmin erg onder de indruk. Met vereende krachten lukt het uiteindelijk wel: het roestige hek schuift ratelend omhoog, en ze kunnen de gang in.
De vijf gaan behoedzaam verder, en onderwerpen elke nis aan een onderzoek. Ze treffen er echter niets meer aan dan dode lichamen die in vergane stof zijn gekleed. Wanneer ze bij een bocht in de gang komen, horen ze echter ineens geluiden. Niet alleen voor zich… maar ook achter zich, uit de nissen die leeg leken te zijn.
Al gauw verschijnen er drie schuifelende zombies in de gang, die met verrassende snelheid naderen. Ardea en bestookt de levende lijken met zuurkogels, Vita voegt er haar pijlen aan toe, maar die worden door de zombies onvermoed lenig ontweken. Vita legt zonder verpinken opnieuw aan, maar wanneer één van de zombies haar toefluistert ‘blijf bij ons… blijf bij Xulthos…’ brengt zijn grafadem haar dusdanig van de wijs dat haar pijl de wand raakt in plaats van het beoogde doel. Ze laat haar boog vallen, en grijpt haar zwaard, maar heeft daarmee niet veel meer geluk.
De Roze Ridder komt echter toesnellen, en slaat het lijk met één forse klap neer. Het lijkt even dood, en nu voorgoed… maar komt dan weer overeind, klaar om de strijd verder te zetten. Ominan, misschien nog wat moreel ontdaan door het feit dat hij de heiligheid van de schatkamer heeft geschonden, raakt bij deze aanblik in de greep van paniek, en zet het op een rennen. Een van de zombies probeert hem in het voorbijgaan te grijpen, maar hij weet de klauw af te schudden, en stormt richting de uitgang.

Zijn achtergebleven vrienden voeren inmiddels een schijnbaar eindeloze strijd. De Roze Ridder slaat een zombie neer met zijn schild, Ardea vuurt vuurpijlen af en weet een tweede neer te halen… maar inmiddels staat de eerste zombie alweer overeind. Vita, wiens pijlen hun doel blijven missen, voelt zich helemaal niet meer opgewassen tegen de situatie, en neemt op haar beurt de vlucht. Ook Ardea, wanneer ze haar tegenstander andermaal ziet opstaan, wordt door paniek bevangen: deze onnatuurlijke aanvallers lijken door niets te stuiten. Oxvard slaat een derde zombie neer, die meteen weer oprijst, en de Roze Ridder verliest op zijn beurt alle hoop: ook hij zet het op een lopen.
Vita rent richting de uitgang, en treft op de bodem van de kuil Ominan, die in een hoekje zit te beven. Ze houdt geen halt, maar rent dankzij haar slippers tegen de rechte muur op, en verdwijnt in de verte. De Roze Ridder, wie het ook allemaal te veel is geworden, stormt Ardea voorbij, grijpt het touw en begint te klimmen. Ardea, die geen uitweg meer ziet, kijkt paniekerig in het rond, en merkt dat een van de zombies hen is gevolgd.
Ominan lijkt bij zinnen te komen bij dit zicht: nu er geen andere optie is, komt hij overeind, raapt zichzelf bij elkaar, en maakt zich klaar om de strijd weer aan te gaan. Ardea put moed uit het feit dat haar strijdmakker weer tot zichzelf is gekomen, en wanneer ze ook Oxvard ziet aankomen, die door de zombie wordt aangevallen, richt ze weer een vuurpijl op het wezen. Ze mist, maar intussen is Ominan naderbij gewerveld, en hakt met zijn kromzwaard dodelijk in op het levende lijk. Dat stort weer ter aarde, maar rijst andermaal op. Ardea heeft het gevoel dat dit een verloren zaak is, en staat als aan de grond genageld terwijl de zombie Ominan beetgrijpt.
De priester weet zich los te rukken, en vlucht paniekerig voor de zombie weg. Hij rent opnieuw de gang in en rent recht tegen een deur aan, waarop een afbeelding van Sarenrae staat, waarvan het gezicht is weggebrand. Angstig kijkt hij over zijn schouder, en ziet onverwachte hulp naderen. De Roze Ridder blijkt net op tijd weer bij zinnen te zijn gekomen, en verschijnt op dit moment om de zombie tegen de grond te slaan. Wanneer die echter andermaal overeind komt, wordt ook hij weer door paniek bevangen en deinst achteruit.
Ominan put moed uit de nabijheid van de afbeelding van Sarenrae, omklemt het gevest van zijn kromzwaard, en werpt zich met een combinatie van paniek en verbetenheid op de zombie, die hij schreeuwend aan mootjes hakt.

Wanneer tenslotte iedereen weer bij elkaar is, worden enige opgelaten blikken gewisseld. De drie zombies zijn uiteindelijk allemaal geveld, en achteraf is het wel duidelijk dat ze de vorige keren niet werkelijk verslagen waren, maar alleen deden alsof, zodat hun prooi zich veilig zou voelen. In een stilzwijgende overeenkomst wordt besloten dat na deze dag nooit meer gerept zal worden over Ominans bibberende minuten, Ardea’s hysterische neiging om het touw in brand te steken waarlangs de Roze Ridder weinig manhaftig omhoog vluchtte, of het feit dat Vita halverwege Kelmarane was voor ze schoorvoetend terugkeerde… de verhalen die over deze dag verteld zullen worden, kunnen ongetwijfeld zonder deze episodes.

De deur waartegen Ominan opbotste is het volgende element dat nader onderzocht wordt. De geur die er vanaf slaat is muf. Wanneer de Roze Ridder de deur voorzichtig openduwt, blijkt die niet op slot te zitten. Erachter ligt een donkere ruimte, die een soort grot lijkt te zijn. Op de bodem liggen plassen, in het plafond zijn boomwortels te zien.
Aan de overkant van de ruimte is een platform gemaakt, waarop een grote man staat, die iedereen in eerste instantie herkent als Kardswann, voor het tot hen doordringt dat het ongetwijfeld om de demon Xulthos gaat die zijn gedaante heft aangenomen. De man lacht dreigend en begint een bezwering. Is het de aanwezigheid van twee heilige mannen? Ominans tulband lijkt even op te gloeien in het schemerlicht, en de bezwering van Xulthos heeft geen enkel effect op de groep.
De Roze Ridder aarzelt niet lang, en valt driest deze zoveelste Kardswann aan. Ardea grijpt een van de glanzende edelsteentjes van haar nieuwe halssnoer, mikt zorgvuldig en lanceert dan een gigantische vuurbal. Tot haar teleurstelling lijkt de demon het vuur echter grotendeels van zich af te schudden. Vita vuurt inmiddels twee pijlen op hem af – één ervan weet hij te ontwijken, maar de andere raakt tot haar tevredenheid.
Xulthos reageert door zichzelf te onthullen in zijn ware gedaante: de demon blijkt een soort gigantisch insectachtig wezen te zijn, met doorzichtige vleugels, die hij steeds sneller begint te bewegen. Een vreemd licht weerkaatst op zijn exoskelet, en Vita en Oxvard raken in verwarring door deze twee effecten die met de zintuigen lijken te spelen. Oxvard lijkt uit zijn doen, staat met zijn wapen te zwaaien, maar raakt er uiteindelijk alleen zichzelf mee.
De demon neemt geen genoegen met dit povere resultaat, en valt de dichtstbijzijnde vijand aan: de Roze Ridder moet het ontgelden. Ardea wilde net een vuurpijl op Xulthos afschieten, maar mist door deze plotse beweging. Ze concentreert zich voor een volgende poging, en merkt niet dat Vita inmiddels aan steeds grotere verwarring ten prooi lijkt. Tot haar verbijstering wordt ze ineens door de halfelf aangevallen, die zonder aarzelen toesteekt!


Xulthos maakt zijn reputatie waar: hij is kennelijk inderdaad heel goed in staat om geesten zo te beïnvloeden dat bondgenoten zich tegen elkaar keren… het gevecht is nog zwaarder geworden dan het al leek. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.