zondag 4 mei 2014

22 april 2014

Dag 1

Op een dag zit Vita met de net weergekeerde Roze Ridder en Ardea te praten over haar zorgen: de aanvallen van gnolls lijken almaar toe te nemen. Ze heeft het idee dat ondanks haar inspanningen hun brutaliteit steeds groter wordt.
Ze worden onderbroken door hun bediende, die komt melden dat er iemand aan de deur is: een wachter van prinses Almah, die hen haar verzoek komt overbrengen om zich bij haar te melden in de gevechtsmarkt. Ardea informeert naar de reden van dit plotse verzoek en krijgt te horen dat er een urgente zaak is die hun aandacht vraagt: er is met de laatste karavaan een man meegekomen die hen dringend wil spreken. Ze wil de wachter naar de tempel sturen om de abt-beschermer op te halen, maar de Roze Ridder is al overeind gesprongen om die taak enthousiast op zich te nemen.
Even later komen Vita en Ardea in de taveerne van de gevechtsmarkt aan, en voegen de Roze Ridder en een licht geïrriteerde Ominan die bij het bidden werd gestoord, zich bij hen. Aan een tafeltje treffen ze Almah, die in gezelschap is van een lange, kaalhoofdige man, die de tatoeage van een zon op zijn voorhoofd draagt. De tekening lijkt te pulseren, en Ominan werpt er een aandachtige blik op, voor zijn aandacht wordt afgeleid door de indrukwekkende kinbaard van de man. Ominan strijkt humeurig over zijn eigen bescheiden sik, en kijkt de man ietwat vijandig aan.
De reiziger trekt zich er niet al te veel van aan en stelt zich voor als Shams al-Din, een reizend prediker in dienst van Sarenrae. Ominan betoont zich meteen wat toeschietelijker bij deze verklaring. De vier nemen op uitnodiging van Shams al-Din plaats en hij biedt hen iets te drinken aan. Almah spoort de man aan om zijn verhaal te doen, en hij steekt van wal met zijn relaas.
Shams al-Din is een reiziger die het licht zo goed mogelijk verspreidt waar hij kan. Bij tijd en wijle richt Sarenrae een boodschap tot hem, die hij moet overbrengen aan mensen die kennelijk van belang zijn in haar plannen. Vandaag is hij hier om de vier avonturiers een dergelijke boodschap te brengen. Bij de Bleke Berg zijn de gnolls zich aan het samentrekken: de ene na de andere stam sluit zich bij een soort collectief aan, dat onder leiding staat van de Kadaverkoning, die kennelijk de macht heeft alle onderlinge geschillen te onderdrukken. Het lijdt weinig twijfel dat hij een offensief voorbereidt op Kelmarane, als vergelding voor de vernietiging van de Kuldisstam, een jaar geleden.
Almah is ten volle doordrongen van de ernst van de situatie. Kelmarane is nog maar net uit het stof aan het herrijzen, en nu wordt het alweer bedreigd… hier moet zo snel mogelijk actie worden ondernomen. Ook Shams al-Din dringt daarop aan: door tijdig handelen, kan een massa aan bloedvergieten voorkomen worden, en blijven onschuldige levens gespaard. De Kadaverkoning moet vernietigd worden, zodat het onnatuurlijke verbond weer uit elkaar valt.
Wanneer Ardea informeert naar het gebied van de Bleke Berg blijkt daar maar weinig over bekend. Reizigers blijven er uit de buurt, het is er veel te gevaarlijk. Shams al-Din weet alleen nog te vertellen dat de Kadaverkoning zich moet ophouden in een oude tempel, die ‘het Huis van het Beest’ wordt genoemd.
Ominan begrijpt meteen de implicaties: ‘het Beest’ is de bijnaam van Rovagug, god van de vernietiging en vijand bij uitstek van zijn goedgunstige godin. Hij toont zich onmiddellijk bereid zijn kromzwaard weer op te nemen om het in haar dienst te stellen. Vita is gewonnen voor een aanpak die efficiënt met de gnolls zal afrekenen – ze heeft de laatste maanden duidelijk genoeg gemerkt dat die zeker niet alleen een gerucht is. De Roze Ridder en Ardea zijn eveneens klaar om hun krachten met die van hun makkers te bundelen: ze voelen zich inmiddels betrokken bij het lot van Kelmarane en willen hun titel van ridder-beschermer eer aandoen.

Shams al-Dins aandringen op spoed heeft effect: er wordt niet lang getreuzeld met het vertrek. Ieder verzamelt zijn wapens en reisbenodigdheden en zadelt zijn rijdier. Nog dezelfde dag rijden de vier avonturiers Kelmarane uit. Ominan verzoekt om een extra halte – hij duikt nog even het huisje van Undrella in, waar hij uit terugkomt met een handvol genezende drankjes. Dat redt hem echter niet van de nodige opgetrokken wenkbrauwen wanneer blijkt dat hij zich binnen inmiddels ook even heeft omgekleed.
Maar dan vertrekt de groep toch echt. Almah heeft hen gesuggereerd een oude handelsroute te nemen voor het eerste deel, daarna kunnen ze de rivier volgen. De weg begint al snel gestaag te stijgen: ze bevinden zich al gauw in de uitlopers van de Bleke Berg. Het pad klimt omhoog tegen een rotshelling aan, met aan de andere zijde een steile kloof. 
Na goed een mijl zien ze een poortgebouw dat over de weg is gebouwd. Een groepje mannen is er aan het werk: het blijken werklieden van Kelmarane die herstellingen aan het gebouw komen doen.
De ridder-beschermers worden herkend, en er wordt meteen om hun hulp verzocht: de wachter die voor hun veiligheid moest instaan, is een uur geleden op onderzoek gegaan naar beneden in de kloof, waar een waterval zich naar beneden stort. Hij had beweging bespeurd bij de poel en wilde uitzoeken wat er gaande was, maar is niet meer teruggekomen, en de werklieden maken zich zorgen.
Er wordt kort gedebatteerd over het relatieve belang van deze kwestie versus de queeste die ze aan het ondernemen zijn, maar daarna besluit de groep om op onderzoek uit te gaan. Vita trekt haar betoverde slippertjes weer eens aan, zodat ze langs de wand naar beneden kan rennen en de Roze Ridder en Ardea kunnen dankzij hun magische ringen eenvoudigweg naar beneden springen. Het wachten is alleen nog op Ominan die naar beneden moet klimmen.

Rond de poel treffen ze een aantal totempalen aan, waarop gnollschedels zijn bevestigd, en die met kleurige symbolen zijn versierd. Wanneer ze de poel naderen waarin de waterval naar beneden valt, alvorens de rivier zich verderzet, begint er ineens een mist uit het water op te stijgen. Lichtjes dansen boven het wateroppervlak  en een spookachtig gelach klinkt op uit de nevels.
Vita en Ardea reageren met een pijl en een vuurschicht, maar die suizen door de lichtjes en mist heen, zonder dat er iets verandert. Ominan besluit de zaak van naderbij te gaan bestuderen, en springt het water in. Tot verbazing van zijn makkers begint hij, zodra hij de lichtjes nadert, onbedaarlijk te lachen. Het spookachtige gelach en dat van Ominan vermengen zich en de drie anderen hebben het gevoel dat hier iets helemaal mis aan het gaan is.
De Roze Ridder haalt een touw boven, maakt het aan een van de totempalen vast als ankerpunt, en werpt Ominan het andere eind toe: de priester lijkt immers zodanig in de greep van zijn lachbui dat hij zich nog maar amper boven water kan houden. Hij weet het touw te grijpen, maar slaagt er niet in zichzelf naar de kant te trekken.
De scherpe ogen van Vita hebben intussen toch een stoffelijke tegenstander ontwaard: net boven het wateroppervlak ziet ze twee ogen en de bovenkant van een hoofd, waarop wier gedrapeerd lijkt. Twee handen komen boven het oppervlak uit en volvoeren de gebaren van wat een magische bezwering lijkt. Ze hoort tussen het gedruis van de waterval door ook enkele mystieke woorden die haar indruk bevestigen. Vita vuurt een pijl af, maar mist het wezen helaas.
Het volgende moment is de Roze Ridder in de greep van een dwingende gedachte:  het wezen onder water lijkt hem vriendelijk uit te nodigen het water in te komen, en hij voelt zich niet in staat die uitnodiging te negeren. Zonder aarzelen springt ook hij het water in. Eenmaal diep in de poel wordt hem duidelijk dat dit bepaald geen idee was dat uit hemzelf kwam, maar het is al te laat: onder water bewegen geheimzinnige tentakels, en die grijpen zijn benen vast.
Ardea heeft Vita zien aanleggen en schieten, en kan nu ook het waterwezen ontwaren. Ze vuurt er eerst een duizelingwekkende uitbarsting van kleurige lichten op af, maar die lijken in de mist verloren te gaan. De tovenares gaat dan maar over op minder subtiele middelen en balt haar krachten samen in magische projectielen die ze op het waterwezen afslingert.
Ominan heeft inmiddels het dwangmatige gelach kunnen afschudden en weet zich uit het water te hijsen. De Roze Ridder is er slechter aan toe: hij wordt onder water getrokken door de grijparmen die hem bij zijn benen hebben. Tot overmaat van ramp is ook Vita in de greep van de betovering die de Roze Ridder het water inlokte, en duikt op haar beurt de poel in. Ze weet gelukkig door haar snelle reflexen te vermijden dat haar benen worden vastgegrepen, en krijgt het touw te pakken. In plaats van zichzelf in veiligheid te brengen, zwemt ze echter dapper op de Roze Ridder af om hem te helpen.
Inmiddels vuurt Ardea haar volgende salvo magische projectielen op het waterwezen af, dat er inmiddels slecht aan toe is. Wanneer ook Ominan een ijzige magische straal op het wezen afvuurt, zakt het stilletjes weg onder water. De lichtjes verdwijnen en de mist begint op te trekken.
Vita heeft de Roze Ridder intussen onder de arm gegrepen, en trekt hem met zich mee richting de kant. Ardea biedt ze hulp door aan het touw te trekken, en algauw staat iedereen weer op het droge.

De dreiging vanuit het water lijkt geweken, maar de wachter is nog steeds niet gevonden. Een wat nauwkeurigere zoektocht in de buurt van de totems levert niets op: hier is de man alvast niet. Vita herkent echter wel de tekens die erop geschilderd zijn, nu ze ze van nabij ziet. Het zijn waarschuwingstekens die gnolls voor elkaar achterlaten bij gevaarlijke plekken.
De enige logische plek waar de wachter nog kan zijn is op de bodem van de poel, of eventueel achter de waterval. Ominan grijpt een steen, omhult die met een magisch licht, en slingert hem dwars door de waterval. Hij lijkt niet meteen op een rots te botsen, en gaat daarentegen dwars door het watergordijn heen. 
De voortvarende priester besluit meteen om op onderzoek te gaan, en laat zich nog net op tijd door Ardea een touw om zijn middel knopen als voorzorgsmaatregel. Het blijkt overbodige moeite: de stroming is te sterk, en de priester komt er niet doorheen.
De Roze Ridder waagt een poging, en weet zich door de waterval heen te werken. Aan de andere kant treft hij een bewusteloze man die op een grotrichel ligt. Hij haast zich naderbij om de eerste zorgen toe te dienen en begint vanzelfsprekend met mond-op-mond-beademing. Dit lijkt echter niet helemaal het gewenste effect te hebben, dus hij roept Ominan en de anderen ter hulp.
De drie werken zich met behulp van het touw door de waterval heen, en Ominan dient met wat meer kennis van zaken eerste hulp toe: eerst moet het water uit de longen van de man worden geperst, daarna kan er pas sprake zijn van zuurstof toedienen. De Roze Ridder hoeft echter niet nogmaals in actie te komen, de wachter komt alweer proestend bij, en vraagt verward wat er allemaal gebeurd is.  
Nadat hij weer wat tot zijn positieven is gekomen, wordt de wachter richting de werkmannen begeleid, maar daaraan voorafgaand neemt Ominan nog even de tijd om alle totempalen af te breken en de rivier in te gooien. Hij heeft geen boodschap aan de rituelen van de gnolls die in duisternis lopen en het licht van Sarenrae niet omhelzen.
Terug bij het poortgebouw aangekomen, worden de vier dankbaar onthaald door voorman Rachid, die hen nog een kop warme thee aanbiedt voor ze weer verder moeten gaan. Hij vraagt bezorgd of het gevaar nu effectief geweken is. Ardea raadt hen aan om toch maar uit de buurt van de poel te blijven: het wezen zou immers alleen tijdelijk verslagen kunnen zijn, en suggereert dat iemand misschien in Kelmarane hulp kan gaan halen voor de gewonde wachter: momenteel zijn de werkmannen niet bijster goed beschermd.

De vier hebben geen tijd om zich nog verder met deze kwesties bezig te houden: hun belangrijke taak wacht. Ze zetten de reis verder, en na een tiental mijl verlaten ze het pad om de loop van de rivier richting het westen te volgen, nadat ze een zijarm zijn overgestoken.
Tegen het eind van de dag komen ze bij een kloof, die door de rivier wordt doorsneden. Ze besluiten dat dit een mooie plek is om hun kamp voor de nacht op te slaan – het is al een lange dag geweest. 
Met het oog op de onrustige omgeving loopt ieder om beurten wacht.
Rond middernacht hoort Vita, die met haar ronde bezig is, ineens vanachter zich iemand naderbij sluipen. Ze draait zich niet meteen om, zodat ze eerst goed zijn richting kan lokaliseren, en springt dan geruisloos overeind. Ze ziet tot haar verbazing een klein, lichtblauw mannetje, met wild haar en grote, bolle ogen naderen…


Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.