zondag 29 september 2013

18 september 2013

Dag 2 (vervolg)

Achter hen wacht de stilte van de binnentuin zelf: een warboel van struiken en planten die al decennia geen tuinman hebben gezien. Enige voorzichtige verkenning levert aanvankelijk niet veel op, maar in het midden blijkt een nest, waarin drie grote eieren liggen. Ragna werpt er een hongerig oog op, maar de rest weet haar ervan te overtuigen dat het misschien verstandiger is zich niet de woede op de hals te halen van wat voor beest dan ook dat hier deze eieren heeft gelegd.

Dan maar verder op verkenning, en de vier stappen weer de gang in waaraan de keuken grenst. Aan hun rechterkant opent een deur op een kamer met vermolmde bedden, kennelijk ooit een slaapzaal van het klooster. Daaraan verbonden is een kleiner kamertje waarvan de deur  vastzit. Ragna gooit er haar schouder tegenaan en valt de kamer binnen: een ander bed bleek de deur te blokkeren. Het half ingestorte dak laat zien dat hierboven ooit een toren was. Nog intact is een trap naar beneden, en na enig overleg besluiten de vier om te gaan uitzoeken wat daar beneden te vinden is.

Ze komen terecht in een uit de rots uitgehakte ruimte: een grot waarin een laboratorium is ingericht. In het midden is een basalten tafel te zien met chirurgisch gereedschap, de vloer is betegeld, en er is een drainagestelstel voorzien – dat al laat hen zich laat afvragen wat hier in vredesnaam allemaal werd onderzocht. Op verhogingen aan weerszijden van de kamer zijn nog twee werktafels geplaatst: hierop is een  meer alchemistisch uitziende verzameling uitgestald. In grote kolven is een groene substantie bewaard gebleven, schijnbaar onaangetast door de tijd, die Ragna op een idee brengt: misschien kan die gebruikt worden om de pugwampi’s als ratten te vergiftigen.
Ominan is wel te vinden voor een dergelijke kordate aanpak van de ongediertezuivering in het klooster van Sarenrae en steunt dit plan, Avellana en Ardea hebben er geen bezwaar tegen. Ragna benadert één van de werktafels en steekt een hand uit naar één van de kolven met de bedoeling om er wat uit te scheppen… Daarna gaat alles te snel voor iemand om in te grijpen: de kolven en bekers op beide tafels springen aan stukken, de inhoud vliegt omhoog, en aan beide zijden van de kamer begint een razendsnel proces: de verschillende plasjes versmelten met elkaar en landen dan op de grond… als bij toverslag tot leven gekomen glibberen twee grote, groene, slijmerige wezens dreigend naar voren… en stulpen zichzelf over Ragna en Avellana heen.
Avellana weet zich dankzij een snelle sprong en wat lenig gekronkel al gauw los te worstelen, maar Ragna heeft het moeilijker: ze slaagt er niet in zich los te wrikken uit de greep van het wezen, en achter haar klappen kan ze geen kracht zetten binnenin het slijm. Ominan weifelt even of hij wel kan toeslaan zonder haar ook te raken, maar besluit algauw dat er niks anders opzit. Zijn klappen dringen uiteindelijk tot het wezen door… Ragna verliest er het bewustzijn bij, maar het effect is wel dat het wezen het hazenpad lijkt te kiezen, verdwijnend in een afvoerput.
Het andere groene monster achtervolgt intussen vastberaden Avellana. Ze moet haar uiterste best doen om lijf en leden slijmvrij te houden, en slaagt daar slechts ten dele in. Ardea komt haar echter te hulp, en bestookt het wezen met vuur en pijlen tot het in stukken uiteenspat.
Op dat moment springt het tweede wezen echter tevoorschijn, recht in het pad van de zojuist bevrijde Avellana. Die reageert snel, en weet het gehavende wezen verder aan stukken te hakken.
Ragna ligt inmiddels bewusteloos op de grond, en voelt vaag een brandende pijn in haar borst. Ominan, die merkt dat ze er niet goed aan toe is, fouilleert haar zakelijk en vindt het drankje van vader Zastoran. Wanneer hij het haar door de keel giet, wordt ze algauw weer wakker en springt overeind.
Ragna  blijkt echter enigszins aangeslagen na deze ervaring. Ze staat even als verdoofd voor zich uit te staren, en kondigt dan aan dat ze naar buiten moet. Zich zo ver mogelijk van dit lugubere laboratorium verwijderen, lijkt een begrijpelijke impuls, maar niet één die de rest uitgerekend van de koelbloedige halfork had verwacht. Wanneer Ardea informeert of alles wel in orde is, verklaart Ragna met stemverheffing dat ze zich prima voelt, maar écht naar buiten moet, omdat ze daar iets moet gaan opgraven.

Lichtelijk verbijsterd volgen haar drie gezellen haar naar buiten, waar Ragna een schep tevoorschijn haalt en begint te spitten in de tuin. Ominan en Avellana besluiten haar een handje toe te steken, terwijl Ardea weigert haar handen vuil te maken aan iets dat haar de obsessie lijkt van iemand die behoorlijk in de war is. Groot is dan ook haar verbazing wanneer Ragna na enige tijd met een metalig geluid op iets stoot. Ragna werpt de schep terzijde en graaft voorzichtig verder met haar handen om het voorwerp los te maken uit de aarde.
Een merkwaardige sfeer verspreidt zich wanneer Ragna even later met één vastberaden beweging een glanzend wapen lostrekt uit de aarde, dat een fautsoen blijkt te zijn, een kort zwaard met breed uitlopende kling. Gebiologeerd staart iedereen enige tijd naar het wapen, dat kunstig versierd is, en waarop een geheimzinnig opschrift prijkt. Dan kijkt Ragna naar haar zwaardarm, en ziet tot haar schrik dat zich vanaf het gevest over haar pols een groenige schimmel over haar onderarm heeft verbreid. Ze laat het zwaard vallen… en meteen trekt de schimmel zich terug.
Avellana raapt het zwaard nieuwsgierig op om te zien wat er gebeurt, maar het effect blijft uit. Wanneer Ragna het weer oppakt, zien de vier hoe opnieuw de groene gloed langs haar arm naar boven kruipt, om halt te houden bij haar elleboog. Ragna is dit keer niet zo verontrust: eigenlijk heeft ze niet het gevoel dat er iets mis is met haar arm, meer nog, het zwaard voelt bijzonder goed in haar greep.
Pas na enig aandringen kan Ardea haar overhalen om het zwaard nog even af te geven. De tovenares concentreert zich enige tijd op het zwaard, en pikt een duidelijke magische aura op, maar ze kan er niet meer informatie uit opmaken. Wanneer ze echter het opschrift op het heft nader bestudeert, herkent ze een woord uit de elementaire taal van ‘Lucht’: Storm. Ze werpt een bedachtzame blik op Ragna, die eerder ook al de kaart met de Cycloon vond, en deelt haar bevindingen met de groep.
Ragna voelt zich niet bijzonder verrast door de constatering dat het zwaard magisch is: dat was haar al duidelijk toen ze het uit de aarde trok. Met een bezittersair dat geen ruimte laat voor bedenkingen gespt ze het om in de plaats van haar oude zwaard, terwijl de rest speculeert over de verbinding van dit wapen met de mythe van de Tempeliers van de Vijf Winden.

Ominan wil vervolgens graag het lab nader gaan bekijken: mogelijk is daar nog informatie te vinden die ze eerder dankzij de chaos van het gevecht over het hoofd hebben gezien. Het lab zelf levert niet veel op, maar er blijkt nog een deurtje te zijn dat ze eerder hadden gemist.
Erachter ligt een lange gang, met een aantal loodrechte dwarsgangen. Er hangt een nadrukkelijke stilte… her en der tegen de muren liggen skeletten, gehuld in oranje gewaden. Ominan herkent die meteen als de traditionele gewaden van de priesters van Sarenrae, en begint onmiddellijk gebeden op te zeggen voor de zielen van de doden. Ragna voegt zich stilzwijgend bij hem, duidelijk vol respect voor deze liturgische rituelen.
Avellana en Ardea storen de twee niet bij hun religieuze plichten, maar achten het toch verstandig om de omgeving nader in ogenschouw te gaan nemen. Verderop blijkt het vooral meer van hetzelfde. In de dwarsgangen zijn nissen uitgehakt, waarin graven zijn gemaakt die al lang geleden ontheiligd zijn. Maar daartussenin liggen her en der skeletten verspreid, sommigen van priesters, anderen duidelijk niet. Hoewel enige daarvan wellicht uit de graven afkomstig zijn, is het wel duidelijk dat andere ter plekke gestorven zijn tijdens een gevecht dat zich in de catacomben moet hebben afgespeeld.
Ominan beseft al voortschrijdend dat hij een bijzonder lange taak voor zich heeft wanneer hij elk stoffelijk overschot wil zegenen, en besluit op een gegeven moment dat hij deze heilige plicht misschien tot een later moment zal moeten uitstellen… hij besluit de gang tot zijn eind te volgen om te zien of hij enig idee kan krijgen van wat hier ooit is gebeurd, en komt uiteindelijk uit bij een trap die omhoog leidt naar een kapel, die via een boogvormige opening weer uitgeeft op de kloostergang.
De kapel is beschilderd in levendige, warme kleuren, houten panelen dragen met goud bezette afbeeldingen waarop weer de alomtegenwoordige Vardishal prijkt. Deze relatief goed bewaarde ruimte lijkt helemaal aan de heilige gewijd. Er staat ook een standbeeld van hem, levensgroot, dat voor de geheime gang naar de catacomben kan worden geschoven.

De rest voegt zich bij Ominan wanneer hij hen van zijn bevindingen op de hoogte stelt, en samen begeven ze zich naar de volgende deur. Erachter ligt een klein kamertje, dat kennelijk ooit als een soort wachtruimte fungeerde voor de grote, achthoekige ruimte die erachter ligt. Daaruit slaat hen een stank van rottend vlees en uitwerpselen tegemoet, afgekloven karkassen liggen verspreid door de ruimte, en de vier trekken zich schielijk terug: vandaag zijn ze niet meer opgewassen tegen nog een confrontatie!
Het wordt inmiddels later, de vermoeidheid doet zich gevoelen, en de vier besluiten om ergens in het klooster een kamp voor de nacht op te slaan. Maar daarvoor moeten ze eerst een geschikte ruimte vinden die ze goed kunnen verdedigen – geen van de kamers tot nog toe komen daarvoor in aanmerking.
Bij een volgende poging hebben ze echter meer geluk. In de gang die naar de keuken leidt, is een deur waarachter een oude bibliotheek ligt: lege boekenkasten met verzakte planken gapen hen tegemoet. Rondom loopt een ietwat verzakt balkon, en in het midden van de ruimte ligt een massa oude, beschadigde boeken. Ominan en Ardea doorzoeken de stapel, maar de meeste geschriften zijn onleesbaar geworden.
Dan diept Ominan een werk op, getiteld ‘Hoven van Steen en Vuur’.  Het blijkt een boek over elementaire geesten, en algauw is hij erin verdiept, af en toe een passage met zijn gezellen delend. Er staat een verhaal in over Jhavul, een edele ifriet uit de Stad van Brons in de Vuurwereld, die in achting was gedaald onder zijn gelijken. Daarom zocht hij een leger op het materiële vlak… het kwam tot een gevecht met de Tempeliers van de Vijf Winden… daarna werd hij nooit weergezien in de Stad van Brons.
Daarna bladert Ominan weer verder. Ardea is geïntrigeerd door het verhaal, en wil het boek zelf ook wel eens doorkijken, maar Ominan verdedigt met kracht zijn vindersrecht. Terwijl de twee kibbelen, zorgen Ragna en Avellana er respectievelijk voor dat de deur wordt klem gezet en er een magische waarschuwing wordt opgesteld die hen zal verwittigen wanneer toch iemand zou naderen.


Dag 3

De volgende morgen is iedereen al vroeg weer wakker. Ze overleggen over het plan van aanpak, en besluiten om eerst maar eens de pugwampi’s in de keuken aan te pakken. Ardea stelt voor om te trachten ze één voor één naar buiten te lokken, en Avellana verzekert de groep ervan dat ze precies het juiste trucje daarvoor heeft.

Onderweg komen ze echter nog een deuropening tegen, en na enig gefluisterd overleg, besluiten de vier die eerste te inspecteren, zodat ze geen aanval in de rug te duchten hebben. Avellana sluipt naderbij, en probeert onopvallend om de hoek te gluren. Ze vangt een glimp op van vijf bedden, met aan het voeteneind vijf kisten, en op de bedden… vier bavianen. Dat zicht laat haar even verschrikt naar adem happen, en onmiddellijk reageren de vier beesten.
Ominan reageert snel en creëert een rookwolk in de kamer, maar Ragna is al even snel: ze trekt Storm en staat paraat pal bij de deuropening. De eerste baviaan die naar buiten komt, hakt ze meteen de kop af, en wanneer de tweede Ominan aanvliegt en in zijn oksel bijt, slaat ze het beest met één klap doormidden. De derde baviaan komt kuchend door de rook naar buiten, en Ragna maakt er meteen korte metten mee, maar de vierde vliegt haar inmiddels al aan, en bijt haar in de arm.
Avellana staat erbij en kijkt ernaar, als verstijfd en kennelijk niet bereid of in staat deze krijsende furies aan te vallen. Ardea legt aan en schiet, maar weet het snel bewegende beest niet te raken. Ominan valt schiet dan maar te hulp, waarop het beest zich onmiddellijk met blikkerende tanden op deze nieuwe dreiging stort. Dit geeft Ragna de kans om met deze bijtgrage tegenstander af te rekenen.
Maar het lijkt al te laat: de priester is keihard neergeslagen door de baviaan en ligt zieltogend op de grond. Met zijn laatste krachten heft hij het heilige symbool dat hij om zijn hals draagt, en smeekt zijn godin om hulp. Een lichtstraal valt naar binnen en lijkt van het symbool te weerkaatsen op het gevleugelde standbeeld vlakbij. Even gloeit Ominan op, dan straalt een helende energie van hem af, die zijn groepsgenoten doorstroomt, voor ze weer verdwijnt. Ominan staat op alsof er niets is gebeurd, klopt zijn gewaad af, en marcheert verder richting de keuken, terwijl de overige drie elkaar even beduusd aankijken.

Uit de keuken klinken al vanuit de verte kookgeluiden en gezang: de pugwampi’s zijn duidelijk al bezig met het ontbijt. Avellana sluipt naderbij, en demonstreert één van de trucjes die ze achter de hand heeft: vlakbij de deuropening laat ze het luide geskwiek van een rat horen, begeleid door trippelende pootjes.
Eén van de pugwampi’s komt gewapend met een pan uit de keuken naar buiten gestoven. Avellana heeft zich achter een hoek verborgen, maar helaas was de rest er niet op voorbereid om zo snel dekking te moeten zoeken. De pugwampi schiet meteen weer de keuken in, en een luid gekwetter is het gevolg, waarna het stil wordt.
De vier staan even onderling te sakkeren over wie nu eigenlijk wat verkeerd had ingeschat dan wel gepland, waardoor hun mooie plan volledig in het water is gevallen, maar besluiten dan maar om er op af te gaan.
Ominan, zich gesterkt voelend door de zegening die Sarenrae nog maar net over hem uitsprak, stormt roekeloos naar binnen, terwijl de pijlen hem om de oren vliegen. Hij is echter niet voorbereid op de staat waarin de keuken verkeert: overal liggen scherven, messen, en andere voorwerpen die hem in zijn vaart stuiten. Hij probeert ze te ontwijken, en maakt een sprong richting de grote tafel in het midden, maar valt ten prooi aan het ongeluk dat de jakhalskopjes verspreiden: de tafel valt om, en hij valt regelrecht in een aantal potscherven en scherpe vorken. De pugwampi’s, die zich verschanst hebben achter de tafel, lachen hysterisch om zijn ellende, terwijl de priester bloedend op de grond ligt.
Ragna voelt zich niet bepaald geneigd dit voorbeeld te volgen, en staat even besluiteloos in de deuropening te dralen: haar instinct vertelt haar er met het zwaard op af te vliegen, maar haar verstand houdt haar voor dat ze dan weer in de greep van de ongelukssfeer zal komen. Ardea houdt inmiddels het hoofd koel, laadt haar boog, en begint de pugwampi’s vanuit de verte te bestoken met pijlen. Veilig buiten hun invloedssfeer blijken haar boogschutterkunsten afdoende om met twee van de drie af te rekenen.
Het begint er inmiddels slecht uit te zien voor de dienaar van Sarenrae die het bewustzijn heeft verloren. Uiteindelijk weet Ardea de laatste pugwampi te vellen, en merkt dan dat Ominan geen kik meer geeft. Ze kijkt even hulpzoekend naar Avellana en Ragna, maar beseft dat er geen tijd te verliezen is: de plas bloed omheen Ominan wordt steeds groter.

Trachtend het evenwicht te houden tussen haast en beleid, zoekt Ardea zich een weg tussen de obstakels door, en knielt naast de priester neer. Uiteraard heeft ze wel eens een wond verbonden, maar waar hier te beginnen? Terwijl ze deze en gene wond stelpt, blijft het bloed in alarmerend tempo vloeien, en begint Ominan steeds grauwer te zien. Even ziet het er penibel voor hem uit, maar dan weet ze de belangrijkste snijwond te lokaliseren en bindt die stevig af. Het bloeden stopt, en ze haalt opgelucht adem: tenminste de dreiging dat Ominan zou doodbloeden, lijkt afgewend.
Ze wenkt Ragna, en de halfork begrijpt meteen wat van haar verwacht wordt: ze tilt Ominan van de grond, en na een snel overleg besluiten de vrouwen dat ze hem in de bibliotheek zullen neerleggen, nog steeds de beste plaats om zich te verschansen. Avellana, die zich enigszins lijkt te schamen over haar passiviteit tijdens de bavianenaanval, biedt zich vrijwillig aan om terug naar het kamp te rijden en vader Zastoran om hulp te gaan vragen. Ardea zal inmiddels een oog op de toestand van Ominan houden, in het deprimerende besef dat ze niet veel méér voor hem kan doen dan ze al gedaan heeft, en Ragna zal op wacht staan. Het is onnodig Avellana aan te sporen dat haast geboden is: haar gestalte verdwijnt met gezwinde spoed in de gang…


XP
2,200 XP (550 XP per speler)

Treasure
Tempest (‘Storm’)
restorative ointment (1st-level alchemical formula)
marvelous pigments (1st-level alchemical formula)


woensdag 11 september 2013

21 augustus 2013

Dag 2

De volgende morgen krijgen de vier meteen hun eerste echte opdracht. Wat verderop ligt een oud klooster dat ooit gewijd was aan Sarenrae, dat Almah als uitvalsbasis wil gaan gebruiken voor de herovering van Kelmarane. Maar gezien de geruchten over gnolls is het wel van belang eerst na te gaan of het klooster vrij is van indringers: een taak voor de vier avonturiers.

Per kameel gaan ze op weg en al snel zien ze het klooster op een heuvel liggen. Van buitenaf gezien lijkt het inderdaad een oud en verlaten gebouw, maar iedereen is toch op zijn hoede. Het klooster is duidelijk aangetast door de tand des tijds: de muur waar ooit de toegangspoort deel van uitmaakte, is gedeeltelijk ingestort. Voorzichtig wagen de vier zich naarbinnen, Ominan voorop, verlangend een heiligdom van zijn godin te betreden, Ragna met getrokken zwaard in de achterhoede.
Ze komen terecht in het schip van een grote tempel, vervuld van vergane glorie. Tegenover zich zien ze drie deuropeningen, aan de linkerkant ligt een kapel met aan weerszijden een kleinere zijruimte. Er is geen teken van leven, en als eerste besluiten ze de zijruimtes te verkennen. Die leveren niet veel op: de altaars zijn vernietigd, de bas-reliëfs zijn gedeeltelijk weggehakt: met moeite is nog te zien dat er een man met puntige baard, kennelijk een heilige, op een berg op staat, die pelgrims toespreekt. Op een eenzame gedenksteen is er een inscriptie te lezen: “Deze plek werd gezuiverd van een onheilige geest door Theodephus Estrovan, dienaar van Aroden”. Uit het jaartal dat eronder staat, 4691 AR, blijkt dat deze inscriptie achttien jaar oud is.

De kapel, die wat lager ligt dan het schip, heeft een verhoging met een altaar, waarachter nog een grote ster te zien is, zowat het enige dat niet vernield is. Aan het plafond hangt een sinister stuk decoratie: een verzameling gnollschedels die zijn samengevoegd, en aan een touw bungelen. Een ander stuk van het plafond is door een doek afgedekt.
Ineens zien de vier een klein en inmiddels bekend wezen opduiken, hangend aan de gnollschedels: een pugwampi, die hen met zijn boogje onder vuur neemt. Ardea reageert snel en haar magie rekent meteen met de kleine pestkop af. Helaas is dit slechts het begin… al gauw komt een hele bende jakhalskopjes zijn plaats innemen, en het ongeluk dat ze verspreiden als was het een stank die hen omringt, speelt de vier meteen parten. Ardea’s magische projectielen treffen nauwelijks doel, Avellana’s pijlen raken amper.
Ragna kan een tijdlang niet veel anders dan gefrustreerd ronddraven, omdat de pugwampi’s buiten haar bereik zijn. De kleine pijltjes die maar blijven aanzoeven, tergen haar echter zozeer dat ze door het dolle heen raakt. Roekeloos bestormt ze de vermolmde houten trap die naar de kooromgang leidt. Het ding kraakt onder haar gewicht, maar houdt het net, misschien dankzij de spreuken die Ominan blijft prevelen, de anderen met lichte aanrakingen zegenend in de hoop dat het licht van zijn godin deze duistere sfeer van ongeluk zal weten te doorbreken. Ragna weet een paar van de ongeluksbrengers uit te schakelen met formidabele klappen van haar zwaard, maar wanneer ze vluchten en zij, ze nazettend, over een gat in de constructie wil springen, begeeft het hout het, en stort ze naar beneden.
Ominan moet toesnellen om Ragna’s zware verwondingen te helen, en meldt haar vermanend dat hij een dergelijke krachttoer niet nog eens zal kunnen herhalen vandaag. Maar de furieuze halfork is niet voor rede vatbaar en bestormt nogmaals de trap, met soortgelijke gevolgen: ze stort andermaal neer, deze keer komt ze echter gelukkig iets beter terecht.
Inmiddels blijven Ardea’s magische krachten onderhevig aan de negatieve invloed en het effect van haar projectielen is minimaal, wat ook haar uiteindelijk in woede doet ontsteken: vuur ontspringt aan haar vingertoppen, en het nest van de pugwampi’s begint te roken. Avellana doet wat ze kan met haar eigen pijl en boog, en weet zowaar het treiterige gelach van de overige pugwampis voorgoed af te breken. 

Ominan grijpt in wanneer hij ziet dat er vuur begint te likken aan de doek – hij wil het heiligdom van Sarenrae, al is het dan ook ontheiligd door deze infame inwijkelingen, niet in vlammen zien opgaan, en blust met hemels water de dreiging. Vervolgens lijkt het hem de aangewezen volgende stap om de hele constructie naar beneden te halen, en hij weet Ragna zo ver te krijgen dat ze daar een poging toe waagt met haar touw en ankerhaak. Haar pogingen zijn tevergeefs, en Ominan probeert het dan maar met een paar geschreeuwde beledigingen in de taal van de gnolls, die de rest van de pugwampi’s naar buiten moeten lokken.
De koning van deze pugwampiclan komt tevoorschijn, gevolgd door twee van zijn onderdanen, die meteen de kooromgang opdraven, en over de dakbalken huppelend de beste posities zoekend om de vier avonturiers onder vuur te nemen. De koning springt inmiddels zonder enige vrees naar beneden, en loopt dreigend op hen af.
Ominan spoort iedereen aan om het vooral niet op te geven, en brult de pugwampi’s toe dat ze zich maar beter kunnen overgeven. Het baat niet, en Ragna krijgt het zwaar te verduren van de pugwampikoning. Algauw staat ze te wankelen op haar benen terwijl ze woest uithaalt. Ardea en Avellana zoeken dekking, want de pijlen blijven maar regenen van bovenaf, terwijl hun eigen projectielen amper effect lijken te hebben op de pugwampi's. Ten derde male stort Ragna ter aarde… bewusteloos deze keer.
Ominan stemt slechts schoorvoetend in met de tactische terugtrekking die hem min of meer wordt opgedrongen, maar neemt vervolgens wel het initiatief om de pugwampikoning af te leiden, terwijl de twee vrouwen Ragna met gezwinde spoed de kapel uit sleuren. Even ziet het er precair uit voor de strijdlustige priester, maar uiteindelijk weet iedereen het vege lijf te redden.

Ragna is er slecht aan toe, en er wordt besloten dat Avellana en Ardea met haar terug naar het kamp zullen rijden in de hoop dat vader Zastoran zich over haar kan ontfermen. Ominan, die koppig weigert de aftocht de blazen, zal intussen vanop veilige afstand de wacht houden bij het klooster.
Zo gezegd zo gedaan. In het kamp aangekomen, is vader Zastoran gelukkig onmiddellijk bereid hen te helpen, en schuift de drie zelfs nog een extra drankje toe voor later gebruik. Wanneer Garavel poolshoogte komt nemen, en enigszins sceptisch vraagt of alles wel goed verloopt, en zo ja wanneer de expeditie dan kan verwachten richting het klooster te kunnen vertrekken, poeiert Ardea hem lichtelijk geërgerd af: dat de expeditie niet verloopt zoals gewenst, is al vervelend genoeg zonder dat daar nog eens extra de nadruk op wordt gelegd. Wel wil ze graag Dashki nog eens op de rooster leggen, want wellicht heeft de jager nog een paar foefjes achter de hand om op een effectieve manier met pugwampi’s af te rekenen. Maar de louche gnollexpert is weer eens onvindbaar. 
Ragna weet inmiddels van de kapitein van de huurlingen een boog te leen los te peuteren, zodat ze wat beter opgewassen is tegen een volgende confrontatie met de pugwampi-plaag.

Terug bij het klooster horen ze van Ominan dat er niet veel gebeurd is, behalve dan dat er nog een extra pugwampi is gearriveerd en binnengegaan. Vrolijker wordt niemand daar van. De dag is nog maar amper halverwege, maar iedereen is in feite al door zijn beste krachten heen. Wijselijk wordt besloten om voorlopig het pugwampinest maar even links te laten liggen, in de hoop dat dankzij enige overdenkingstijd iemand met een zinnig aanvalsplan op de proppen komt. Het voorstel om de boel gewoon wat drastischer in brand te steken, wordt voorlopig maar even als noodplan geklasseerd.

De vier besluiten om het klooster dan maar wat verder te verkennen, om zo een beeld te krijgen van wat hen nog te wachten staat. Wanneer ze weer in het schip komen, is er gelukkig geen pugwampi te zien, kennelijk hebben die zich in de kamer met hun nest verschanst. Ze nemen dan maar een kijkje door de middelste van de drie deuren.
Daarachter blijkt een kloostergang te liggen, een zuilengalerij die omheen een binnentuin loopt. Gezien die verlaten lijkt, laten ze die voorlopig voor wat ze is, en gaan de rechterdeur nader inspecteren. Daarachter blijkt een gang te liggen waarop nog meer deuren uitkomen.
Meteen is duidelijk dat hier wél levende wezens zijn: ze horen het gekletter van potten en pannen. Avellana sluipt zachtjes de gang in, en krijgt wel door dat er verderop een keuken gevestigd moet zijn. Vlak voor Avellana bij de deur aankomt, wordt ze overvallen door een inmiddels vertrouwd gevoel van ongemak en klunzigheid, en besluit wijselijk om maar op haar schreden terug te keren: kennelijk spoken ook hier pugwampi’s rond. Eenmaal teruggekeerd stelt ze haar metgezellen op de hoogte van haar bevindingen en de vier besluiten schielijk om toch maar eerst de binnentuin nader te gaan bestuderen.
Op de muren die de tuin omkaderen, zijn bas-reliëfs aangebracht waarop dezelfde heilige figureert als eerder in de zijruimte van de kapel te zien was. Ominan pijnigt zijn hersenen maar kan zich niets herinneren over een heilige van Sarenrae die beschreven wordt als de afgebeelde man. Ook de reliëfs brengen hem niet verder, maar de vier inspecteren ze toch maar aandachtig.
De heilige is op de muur met de doorgang achtereenvolgens te zien met priesters en de abt van het klooster; met pelgrims; tijdens de opbouw van het klooster; met diverse opeenvolgende abten. De bijhorende inscripties dateren tot ongeveer dertig jaar geleden.
Op de rechtermuur is een soort drieluik aangebracht: de heilige die afscheid neemt van vier ten hemel stijgende figuren tegen de achtergrond van de Bleke Berg; de heilige die vecht met een vurige slangman met speer; de heilige tweemaal afgebeeld: eenmaal als man, liggend op de grond, en eenmaal als geest.
Op de achtermuur, in feite de buitenmuur, is een reliëf aangebracht van vijf mensen in gevecht met vuurwezens en andere creaturen wier wapens uit hun huid lijken te ontspruiten, weer tegen de achtergrond van de Bleke Berg. Daarvoor worstelen twee wezens: een ifriet en een mooie vrouw die een djinni lijkt te zijn.
Op de laatste muur tenslotte is een reliëf te zien van figuren, rijdend op de wind, die triomferen. Het reliëf is zwaar beschadigd: armen en handen zijn verdwenen, maar toch is nog te zien dat de figuren elk een verschillend wapen hanteren.
Avellana herinnert zich bij het zien van deze reliëfs de legende van de Tempeliers van de Vijf Winden: een groep van vijf machtige geesten uit de oudheid. De verhalen over hen zijn al eeuwen oud, maar er worden nog steeds wonderen aan hun bijstand toegeschreven. Volgens de legende die Avellana uit haar geheugen opdiept, versloegen de Tempeliers honderden jaren geleden een groot kwaad nabij de Bleke Berg, niet ver van Kelmarane. Elk van de vijf werd volgens de verhalen geassocieerd met een ander kenmerk van de wind, en hanteerde een specifiek magisch wapen. Onder het reliëf treffen ze inderdaad de vijf namen van deze Tempeliers aan, waaronder Vardishal, de centrale figuur van de heilige met puntbaard die tot nog toe op elk reliëf voorkwam.

Met een hoofd vol vraagtekens wat dit eigenlijk allemaal te beteken heeft, vragen de vier zich af wat hun volgende stap zal zijn… 



XP
1,200 XP (300 XP per speler)