Dag 2 (vervolg)
Achter hen wacht de stilte van de binnentuin zelf: een
warboel van struiken en planten die al decennia geen tuinman hebben gezien.
Enige voorzichtige verkenning levert aanvankelijk niet veel op, maar in het
midden blijkt een nest, waarin drie grote eieren liggen. Ragna werpt er een
hongerig oog op, maar de rest weet haar ervan te overtuigen dat het misschien
verstandiger is zich niet de woede op de hals te halen van wat voor beest dan
ook dat hier deze eieren heeft gelegd.
Dan maar verder op verkenning, en de vier stappen weer de
gang in waaraan de keuken grenst. Aan hun rechterkant opent een deur op een
kamer met vermolmde bedden, kennelijk ooit een slaapzaal van het klooster.
Daaraan verbonden is een kleiner kamertje waarvan de deur vastzit. Ragna gooit er haar schouder tegenaan
en valt de kamer binnen: een ander bed bleek de deur te blokkeren. Het half
ingestorte dak laat zien dat hierboven ooit een toren was. Nog intact is een
trap naar beneden, en na enig overleg besluiten de vier om te gaan uitzoeken
wat daar beneden te vinden is.
Ze komen terecht in een uit de rots uitgehakte ruimte: een
grot waarin een laboratorium is ingericht. In het midden is een basalten tafel
te zien met chirurgisch gereedschap, de vloer is betegeld, en er is een
drainagestelstel voorzien – dat al laat hen zich laat afvragen wat hier in
vredesnaam allemaal werd onderzocht. Op verhogingen aan weerszijden van de
kamer zijn nog twee werktafels geplaatst: hierop is een meer alchemistisch uitziende verzameling
uitgestald. In grote kolven is een groene substantie bewaard gebleven,
schijnbaar onaangetast door de tijd, die Ragna op een idee brengt: misschien
kan die gebruikt worden om de pugwampi’s als ratten te vergiftigen.
Ominan is wel te vinden voor een dergelijke kordate aanpak
van de ongediertezuivering in het klooster van Sarenrae en steunt dit plan,
Avellana en Ardea hebben er geen bezwaar tegen. Ragna benadert één van de
werktafels en steekt een hand uit naar één van de kolven met de bedoeling om er
wat uit te scheppen… Daarna gaat alles te snel voor iemand om in te grijpen: de
kolven en bekers op beide tafels springen aan stukken, de inhoud vliegt omhoog,
en aan beide zijden van de kamer begint een razendsnel proces: de verschillende
plasjes versmelten met elkaar en landen dan op de grond… als bij toverslag tot
leven gekomen glibberen twee grote, groene, slijmerige wezens dreigend naar
voren… en stulpen zichzelf over Ragna en Avellana heen.
Avellana weet zich dankzij een snelle sprong en wat lenig
gekronkel al gauw los te worstelen, maar Ragna heeft het moeilijker: ze slaagt
er niet in zich los te wrikken uit de greep van het wezen, en achter haar
klappen kan ze geen kracht zetten binnenin het slijm. Ominan weifelt even of
hij wel kan toeslaan zonder haar ook te raken, maar besluit algauw dat er niks
anders opzit. Zijn klappen dringen uiteindelijk tot het wezen door… Ragna
verliest er het bewustzijn bij, maar het effect is wel dat het wezen het
hazenpad lijkt te kiezen, verdwijnend in een afvoerput.
Het andere groene monster achtervolgt intussen vastberaden
Avellana. Ze moet haar uiterste best doen om lijf en leden slijmvrij te houden,
en slaagt daar slechts ten dele in. Ardea komt haar echter te hulp, en bestookt
het wezen met vuur en pijlen tot het in stukken uiteenspat.
Op dat moment springt het tweede wezen echter tevoorschijn,
recht in het pad van de zojuist bevrijde Avellana. Die reageert snel, en weet
het gehavende wezen verder aan stukken te hakken.
Ragna ligt inmiddels bewusteloos op de grond, en voelt vaag een
brandende pijn in haar borst. Ominan, die merkt dat ze er niet goed aan toe is,
fouilleert haar zakelijk en vindt het drankje van vader Zastoran. Wanneer hij
het haar door de keel giet, wordt ze algauw weer wakker en springt overeind.
Ragna blijkt echter
enigszins aangeslagen na deze ervaring. Ze staat even als verdoofd voor zich
uit te staren, en kondigt dan aan dat ze naar buiten moet. Zich zo ver mogelijk
van dit lugubere laboratorium verwijderen, lijkt een begrijpelijke impuls, maar
niet één die de rest uitgerekend van de koelbloedige halfork had verwacht.
Wanneer Ardea informeert of alles wel in orde is, verklaart Ragna met
stemverheffing dat ze zich prima voelt, maar écht naar buiten moet, omdat ze
daar iets moet gaan opgraven.
Lichtelijk verbijsterd volgen haar drie gezellen haar
naar buiten, waar Ragna een schep tevoorschijn haalt en begint te spitten in de
tuin. Ominan en Avellana besluiten haar een handje toe te steken, terwijl Ardea
weigert haar handen vuil te maken aan iets dat haar de obsessie lijkt van
iemand die behoorlijk in de war is. Groot is dan ook haar verbazing wanneer
Ragna na enige tijd met een metalig geluid op iets stoot. Ragna werpt de schep
terzijde en graaft voorzichtig verder met haar handen om het voorwerp los te
maken uit de aarde.
Een merkwaardige sfeer verspreidt zich wanneer Ragna even
later met één vastberaden beweging een glanzend wapen lostrekt uit de aarde,
dat een fautsoen blijkt te zijn, een kort zwaard met breed uitlopende kling.
Gebiologeerd staart iedereen enige tijd naar het wapen, dat kunstig versierd
is, en waarop een geheimzinnig opschrift prijkt. Dan kijkt Ragna naar haar
zwaardarm, en ziet tot haar schrik dat zich vanaf het gevest over haar pols een
groenige schimmel over haar onderarm heeft verbreid. Ze laat het zwaard vallen…
en meteen trekt de schimmel zich terug.
Avellana raapt het zwaard nieuwsgierig op om te zien wat er
gebeurt, maar het effect blijft uit. Wanneer Ragna het weer oppakt, zien de
vier hoe opnieuw de groene gloed langs haar arm naar boven kruipt, om halt te
houden bij haar elleboog. Ragna is dit keer niet zo verontrust: eigenlijk heeft
ze niet het gevoel dat er iets mis is met haar arm, meer nog, het zwaard voelt
bijzonder goed in haar greep.
Pas na enig aandringen kan Ardea haar overhalen om het
zwaard nog even af te geven. De tovenares concentreert zich enige tijd op het
zwaard, en pikt een duidelijke magische aura op, maar ze kan er niet meer
informatie uit opmaken. Wanneer ze echter het opschrift op het heft nader
bestudeert, herkent ze een woord uit de elementaire taal van ‘Lucht’: Storm. Ze
werpt een bedachtzame blik op Ragna, die eerder ook al de kaart met de Cycloon vond,
en deelt haar bevindingen met de groep.
Ragna voelt zich niet bijzonder verrast door de constatering
dat het zwaard magisch is: dat was haar al duidelijk toen ze het uit de aarde
trok. Met een bezittersair dat geen ruimte laat voor bedenkingen gespt ze het
om in de plaats van haar oude zwaard, terwijl de rest speculeert over de
verbinding van dit wapen met de mythe van de Tempeliers van de Vijf Winden.
Ominan wil vervolgens graag het lab nader gaan bekijken: mogelijk
is daar nog informatie te vinden die ze eerder dankzij de chaos van het gevecht
over het hoofd hebben gezien. Het lab zelf levert niet veel op, maar er blijkt
nog een deurtje te zijn dat ze eerder hadden gemist.
Erachter ligt een lange gang, met een aantal loodrechte
dwarsgangen. Er hangt een nadrukkelijke stilte… her en der tegen de muren
liggen skeletten, gehuld in oranje gewaden. Ominan herkent die meteen als de
traditionele gewaden van de priesters van Sarenrae, en begint onmiddellijk
gebeden op te zeggen voor de zielen van de doden. Ragna voegt zich stilzwijgend
bij hem, duidelijk vol respect voor deze liturgische rituelen.
Avellana en Ardea storen de twee niet bij hun religieuze
plichten, maar achten het toch verstandig om de omgeving nader in ogenschouw te
gaan nemen. Verderop blijkt het vooral meer van hetzelfde. In de dwarsgangen
zijn nissen uitgehakt, waarin graven zijn gemaakt die al lang geleden
ontheiligd zijn. Maar daartussenin liggen her en der skeletten verspreid,
sommigen van priesters, anderen duidelijk niet. Hoewel enige daarvan wellicht
uit de graven afkomstig zijn, is het wel duidelijk dat andere ter plekke
gestorven zijn tijdens een gevecht dat zich in de catacomben moet hebben
afgespeeld.
Ominan beseft al voortschrijdend dat hij een bijzonder lange
taak voor zich heeft wanneer hij elk stoffelijk overschot wil zegenen, en
besluit op een gegeven moment dat hij deze heilige plicht misschien tot een
later moment zal moeten uitstellen… hij besluit de gang tot zijn eind te volgen
om te zien of hij enig idee kan krijgen van wat hier ooit is gebeurd, en komt
uiteindelijk uit bij een trap die omhoog leidt naar een kapel, die via een boogvormige
opening weer uitgeeft op de kloostergang.
De kapel is beschilderd in levendige, warme kleuren, houten
panelen dragen met goud bezette afbeeldingen waarop weer de alomtegenwoordige Vardishal
prijkt. Deze relatief goed bewaarde ruimte lijkt helemaal aan de heilige
gewijd. Er staat ook een standbeeld van hem, levensgroot, dat voor de geheime
gang naar de catacomben kan worden geschoven.
De rest voegt zich bij Ominan wanneer hij hen van zijn
bevindingen op de hoogte stelt, en samen begeven ze zich naar de volgende deur.
Erachter ligt een klein kamertje, dat kennelijk ooit als een soort wachtruimte
fungeerde voor de grote, achthoekige ruimte die erachter ligt. Daaruit slaat
hen een stank van rottend vlees en uitwerpselen tegemoet, afgekloven karkassen liggen
verspreid door de ruimte, en de vier trekken zich schielijk terug: vandaag zijn
ze niet meer opgewassen tegen nog een confrontatie!
Het wordt inmiddels later, de vermoeidheid doet zich
gevoelen, en de vier besluiten om ergens in het klooster een kamp voor de nacht
op te slaan. Maar daarvoor moeten ze eerst een geschikte ruimte vinden die ze
goed kunnen verdedigen – geen van de kamers tot nog toe komen daarvoor in
aanmerking.
Bij een volgende poging hebben ze echter meer geluk. In de
gang die naar de keuken leidt, is een deur waarachter een oude bibliotheek ligt:
lege boekenkasten met verzakte planken gapen hen tegemoet. Rondom loopt een
ietwat verzakt balkon, en in het midden van de ruimte ligt een massa oude,
beschadigde boeken. Ominan en Ardea doorzoeken de stapel, maar de meeste
geschriften zijn onleesbaar geworden.
Dan diept Ominan een werk op, getiteld ‘Hoven van Steen en
Vuur’. Het blijkt een boek over
elementaire geesten, en algauw is hij erin verdiept, af en toe een passage met
zijn gezellen delend. Er staat een verhaal in over Jhavul, een edele ifriet uit
de Stad van Brons in de Vuurwereld, die in achting was gedaald onder zijn
gelijken. Daarom zocht hij een leger op het materiële vlak… het kwam tot een
gevecht met de Tempeliers van de Vijf Winden… daarna werd hij nooit weergezien
in de Stad van Brons.
Daarna bladert Ominan weer verder. Ardea is geïntrigeerd
door het verhaal, en wil het boek zelf ook wel eens doorkijken, maar Ominan
verdedigt met kracht zijn vindersrecht. Terwijl de twee kibbelen, zorgen Ragna
en Avellana er respectievelijk voor dat de deur wordt klem gezet en er een
magische waarschuwing wordt opgesteld die hen zal verwittigen wanneer toch
iemand zou naderen.
Dag 3
De volgende morgen is iedereen al vroeg weer wakker. Ze
overleggen over het plan van aanpak, en besluiten om eerst maar eens de
pugwampi’s in de keuken aan te pakken. Ardea stelt voor om te trachten ze één
voor één naar buiten te lokken, en Avellana verzekert de groep ervan dat ze
precies het juiste trucje daarvoor heeft.
Onderweg komen ze echter nog een deuropening tegen, en na
enig gefluisterd overleg, besluiten de vier die eerste te inspecteren, zodat ze
geen aanval in de rug te duchten hebben. Avellana sluipt naderbij, en probeert
onopvallend om de hoek te gluren. Ze vangt een glimp op van vijf bedden, met
aan het voeteneind vijf kisten, en op de bedden… vier bavianen. Dat zicht laat
haar even verschrikt naar adem happen, en onmiddellijk reageren de vier beesten.
Ominan reageert snel en creëert een rookwolk in de kamer,
maar Ragna is al even snel: ze trekt Storm en staat paraat pal bij de
deuropening. De eerste baviaan die naar buiten komt, hakt ze meteen de kop af,
en wanneer de tweede Ominan aanvliegt en in zijn oksel bijt, slaat ze het beest
met één klap doormidden. De derde baviaan komt kuchend door de rook naar
buiten, en Ragna maakt er meteen korte metten mee, maar de vierde vliegt haar
inmiddels al aan, en bijt haar in de arm.
Avellana staat erbij en kijkt ernaar, als verstijfd en
kennelijk niet bereid of in staat deze krijsende furies aan te vallen. Ardea
legt aan en schiet, maar weet het snel bewegende beest niet te raken. Ominan valt
schiet dan maar te hulp, waarop het beest zich onmiddellijk met blikkerende
tanden op deze nieuwe dreiging stort. Dit geeft Ragna de kans om met deze
bijtgrage tegenstander af te rekenen.
Maar het lijkt al te laat: de priester is keihard
neergeslagen door de baviaan en ligt zieltogend op de grond. Met zijn laatste
krachten heft hij het heilige symbool dat hij om zijn hals draagt, en smeekt
zijn godin om hulp. Een lichtstraal valt naar binnen en lijkt van het symbool
te weerkaatsen op het gevleugelde standbeeld vlakbij. Even gloeit Ominan op,
dan straalt een helende energie van hem af, die zijn groepsgenoten doorstroomt,
voor ze weer verdwijnt. Ominan staat op alsof er niets is gebeurd, klopt zijn
gewaad af, en marcheert verder richting de keuken, terwijl de overige drie
elkaar even beduusd aankijken.
Uit de keuken klinken al vanuit de verte kookgeluiden en
gezang: de pugwampi’s zijn duidelijk al bezig met het ontbijt. Avellana sluipt
naderbij, en demonstreert één van de trucjes die ze achter de hand heeft:
vlakbij de deuropening laat ze het luide geskwiek van een rat horen, begeleid
door trippelende pootjes.
Eén van de pugwampi’s komt gewapend met een pan uit de
keuken naar buiten gestoven. Avellana heeft zich achter een hoek verborgen,
maar helaas was de rest er niet op voorbereid om zo snel dekking te moeten
zoeken. De pugwampi schiet meteen weer de keuken in, en een luid gekwetter is
het gevolg, waarna het stil wordt.
De vier staan even onderling te sakkeren over wie nu
eigenlijk wat verkeerd had ingeschat dan wel gepland, waardoor hun mooie plan
volledig in het water is gevallen, maar besluiten dan maar om er op af te gaan.
Ominan, zich gesterkt voelend door de zegening die Sarenrae
nog maar net over hem uitsprak, stormt roekeloos naar binnen, terwijl de pijlen
hem om de oren vliegen. Hij is echter niet voorbereid op de staat waarin de
keuken verkeert: overal liggen scherven, messen, en andere voorwerpen die hem
in zijn vaart stuiten. Hij probeert ze te ontwijken, en maakt een sprong
richting de grote tafel in het midden, maar valt ten prooi aan het ongeluk dat
de jakhalskopjes verspreiden: de tafel valt om, en hij valt regelrecht in een aantal
potscherven en scherpe vorken. De pugwampi’s, die zich verschanst hebben achter
de tafel, lachen hysterisch om zijn ellende, terwijl de priester bloedend op de
grond ligt.
Ragna voelt zich niet bepaald geneigd dit voorbeeld te
volgen, en staat even besluiteloos in de deuropening te dralen: haar instinct
vertelt haar er met het zwaard op af te vliegen, maar haar verstand houdt haar
voor dat ze dan weer in de greep van de ongelukssfeer zal komen. Ardea houdt
inmiddels het hoofd koel, laadt haar boog, en begint de pugwampi’s vanuit de
verte te bestoken met pijlen. Veilig buiten hun invloedssfeer blijken haar
boogschutterkunsten afdoende om met twee van de drie af te rekenen.
Het begint er inmiddels slecht uit te zien voor de dienaar
van Sarenrae die het bewustzijn heeft verloren. Uiteindelijk weet Ardea de
laatste pugwampi te vellen, en merkt dan dat Ominan geen kik meer geeft. Ze
kijkt even hulpzoekend naar Avellana en Ragna, maar beseft dat er geen tijd te
verliezen is: de plas bloed omheen Ominan wordt steeds groter.
Trachtend het evenwicht te houden tussen haast en beleid,
zoekt Ardea zich een weg tussen de obstakels door, en knielt naast de priester
neer. Uiteraard heeft ze wel eens een wond verbonden, maar waar hier te
beginnen? Terwijl ze deze en gene wond stelpt, blijft het bloed in alarmerend
tempo vloeien, en begint Ominan steeds grauwer te zien. Even ziet het er
penibel voor hem uit, maar dan weet ze de belangrijkste snijwond te lokaliseren
en bindt die stevig af. Het bloeden stopt, en ze haalt opgelucht adem:
tenminste de dreiging dat Ominan zou doodbloeden, lijkt afgewend.
Ze wenkt Ragna, en de halfork begrijpt meteen wat van haar
verwacht wordt: ze tilt Ominan van de grond, en na een snel overleg besluiten
de vrouwen dat ze hem in de bibliotheek zullen neerleggen, nog steeds de beste
plaats om zich te verschansen. Avellana, die zich enigszins lijkt te schamen
over haar passiviteit tijdens de bavianenaanval, biedt zich vrijwillig aan om
terug naar het kamp te rijden en vader Zastoran om hulp te gaan vragen. Ardea
zal inmiddels een oog op de toestand van Ominan houden, in het deprimerende
besef dat ze niet veel méér voor hem kan doen dan ze al gedaan heeft, en Ragna
zal op wacht staan. Het is onnodig Avellana aan te sporen dat haast geboden is:
haar gestalte verdwijnt met gezwinde spoed in de gang…
XP
2,200 XP
(550 XP per speler)
Treasure
Tempest (‘Storm’)
restorative ointment (1st-level alchemical formula)
marvelous pigments (1st-level alchemical formula)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.