Dag 2
De volgende morgen krijgen de vier meteen hun eerste echte
opdracht. Wat verderop ligt een oud klooster dat ooit gewijd was aan Sarenrae,
dat Almah als uitvalsbasis wil gaan gebruiken voor de herovering van Kelmarane.
Maar gezien de geruchten over gnolls is het wel van belang eerst na te gaan of
het klooster vrij is van indringers: een taak voor de vier avonturiers.
Per kameel gaan ze op weg en al snel zien ze het klooster op
een heuvel liggen. Van buitenaf gezien lijkt het inderdaad een oud en verlaten
gebouw, maar iedereen is toch op zijn hoede. Het klooster is duidelijk
aangetast door de tand des tijds: de muur waar ooit de toegangspoort deel van
uitmaakte, is gedeeltelijk ingestort. Voorzichtig wagen de vier zich
naarbinnen, Ominan voorop, verlangend een heiligdom van zijn godin te betreden,
Ragna met getrokken zwaard in de achterhoede.
Ze komen terecht in het schip van een grote tempel, vervuld
van vergane glorie. Tegenover zich zien ze drie deuropeningen, aan de
linkerkant ligt een kapel met aan weerszijden een kleinere zijruimte. Er is
geen teken van leven, en als eerste besluiten ze de zijruimtes te verkennen.
Die leveren niet veel op: de altaars zijn vernietigd, de bas-reliëfs zijn
gedeeltelijk weggehakt: met moeite is nog te zien dat er een man met puntige
baard, kennelijk een heilige, op een berg op staat, die pelgrims toespreekt. Op
een eenzame gedenksteen is er een inscriptie te lezen: “Deze plek werd
gezuiverd van een onheilige geest door Theodephus Estrovan, dienaar van Aroden”. Uit het jaartal dat eronder staat, 4691 AR, blijkt dat deze
inscriptie achttien jaar oud is.
De kapel, die wat lager ligt dan het schip, heeft een
verhoging met een altaar, waarachter nog een grote ster te zien is, zowat het
enige dat niet vernield is. Aan het plafond hangt een sinister stuk decoratie:
een verzameling gnollschedels die zijn samengevoegd, en aan een touw bungelen.
Een ander stuk van het plafond is door een doek afgedekt.
Ineens zien de vier een klein en inmiddels bekend wezen
opduiken, hangend aan de gnollschedels: een pugwampi, die hen met zijn boogje
onder vuur neemt. Ardea reageert snel en haar magie rekent meteen met de kleine
pestkop af. Helaas is dit slechts het begin… al gauw komt een hele bende
jakhalskopjes zijn plaats innemen, en het ongeluk dat ze verspreiden als was
het een stank die hen omringt, speelt de vier meteen parten. Ardea’s magische
projectielen treffen nauwelijks doel, Avellana’s pijlen raken amper.
Ragna kan een tijdlang niet veel anders dan gefrustreerd
ronddraven, omdat de pugwampi’s buiten haar bereik zijn. De kleine pijltjes die
maar blijven aanzoeven, tergen haar echter zozeer dat ze door het dolle heen
raakt. Roekeloos bestormt ze de vermolmde houten trap die naar de kooromgang
leidt. Het ding kraakt onder haar gewicht, maar houdt het net, misschien
dankzij de spreuken die Ominan blijft prevelen, de anderen met lichte
aanrakingen zegenend in de hoop dat het licht van zijn godin deze duistere
sfeer van ongeluk zal weten te doorbreken. Ragna weet een paar van de
ongeluksbrengers uit te schakelen met formidabele klappen van haar zwaard, maar
wanneer ze vluchten en zij, ze nazettend, over een gat in de constructie wil
springen, begeeft het hout het, en stort ze naar beneden.
Ominan moet toesnellen om Ragna’s zware verwondingen te
helen, en meldt haar vermanend dat hij een dergelijke krachttoer niet nog eens
zal kunnen herhalen vandaag. Maar de furieuze halfork is niet voor rede vatbaar
en bestormt nogmaals de trap, met soortgelijke gevolgen: ze stort andermaal
neer, deze keer komt ze echter gelukkig iets beter terecht.
Inmiddels blijven Ardea’s magische krachten onderhevig aan de negatieve
invloed en het effect van haar projectielen is minimaal, wat ook haar
uiteindelijk in woede doet ontsteken: vuur ontspringt aan haar vingertoppen, en
het nest van de pugwampi’s begint te roken. Avellana doet wat ze kan met haar eigen pijl en boog, en weet zowaar het treiterige gelach van de overige pugwampis voorgoed af te breken.
Ominan grijpt in wanneer hij ziet dat er vuur begint te
likken aan de doek – hij wil het heiligdom van Sarenrae, al is het dan ook
ontheiligd door deze infame inwijkelingen, niet in vlammen zien opgaan, en
blust met hemels water de dreiging. Vervolgens lijkt het hem de aangewezen
volgende stap om de hele constructie naar beneden te halen, en hij weet Ragna
zo ver te krijgen dat ze daar een poging toe waagt met haar touw en ankerhaak.
Haar pogingen zijn tevergeefs, en Ominan probeert het dan maar met een paar geschreeuwde
beledigingen in de taal van de gnolls, die de rest van de pugwampi’s naar buiten
moeten lokken.
De koning van deze pugwampiclan komt tevoorschijn, gevolgd
door twee van zijn onderdanen, die meteen de kooromgang opdraven, en over de
dakbalken huppelend de beste posities zoekend om de vier avonturiers onder vuur
te nemen. De koning springt inmiddels zonder enige vrees naar beneden, en loopt
dreigend op hen af.
Ominan spoort iedereen aan om het vooral niet op te geven,
en brult de pugwampi’s toe dat ze zich maar beter kunnen overgeven. Het baat
niet, en Ragna krijgt het zwaar te verduren van de pugwampikoning. Algauw staat
ze te wankelen op haar benen terwijl ze woest uithaalt. Ardea en Avellana
zoeken dekking, want de pijlen blijven maar regenen van bovenaf, terwijl hun eigen projectielen amper effect lijken te hebben op de pugwampi's. Ten derde male
stort Ragna ter aarde… bewusteloos deze keer.
Ominan stemt slechts schoorvoetend in met de tactische
terugtrekking die hem min of meer wordt opgedrongen, maar neemt vervolgens wel
het initiatief om de pugwampikoning af te leiden, terwijl de twee vrouwen Ragna
met gezwinde spoed de kapel uit sleuren. Even ziet het er precair uit voor de
strijdlustige priester, maar uiteindelijk weet iedereen het vege lijf te
redden.
Ragna is er slecht aan toe, en er wordt besloten dat
Avellana en Ardea met haar terug naar het kamp zullen rijden in de hoop dat
vader Zastoran zich over haar kan ontfermen. Ominan, die koppig weigert de
aftocht de blazen, zal intussen vanop veilige afstand de wacht houden bij het
klooster.
Zo gezegd zo gedaan. In het kamp aangekomen, is vader
Zastoran gelukkig onmiddellijk bereid hen te helpen, en schuift de drie zelfs
nog een extra drankje toe voor later gebruik. Wanneer Garavel poolshoogte komt
nemen, en enigszins sceptisch vraagt of alles wel goed verloopt, en zo ja
wanneer de expeditie dan kan verwachten richting het klooster te kunnen
vertrekken, poeiert Ardea hem lichtelijk geërgerd af: dat de expeditie niet verloopt
zoals gewenst, is al vervelend genoeg zonder dat daar nog eens extra de nadruk
op wordt gelegd. Wel wil ze graag Dashki nog eens op de rooster leggen, want
wellicht heeft de jager nog een paar foefjes achter de hand om op een
effectieve manier met pugwampi’s af te rekenen. Maar de louche gnollexpert is
weer eens onvindbaar.
Ragna weet inmiddels van de kapitein van de huurlingen
een boog te leen los te peuteren, zodat ze wat beter opgewassen is tegen een
volgende confrontatie met de pugwampi-plaag.
Terug bij het klooster horen ze van Ominan dat er niet veel
gebeurd is, behalve dan dat er nog een extra pugwampi is gearriveerd en
binnengegaan. Vrolijker wordt niemand daar van. De dag is nog maar amper
halverwege, maar iedereen is in feite al door zijn beste krachten heen.
Wijselijk wordt besloten om voorlopig het pugwampinest maar even links te laten
liggen, in de hoop dat dankzij enige overdenkingstijd iemand met een zinnig aanvalsplan
op de proppen komt. Het voorstel om de boel gewoon wat drastischer in brand te
steken, wordt voorlopig maar even als noodplan geklasseerd.
De vier besluiten om het klooster dan maar wat verder te
verkennen, om zo een beeld te krijgen van wat hen nog te wachten staat. Wanneer
ze weer in het schip komen, is er gelukkig geen pugwampi te zien, kennelijk
hebben die zich in de kamer met hun nest verschanst. Ze nemen dan maar een
kijkje door de middelste van de drie deuren.
Daarachter blijkt een kloostergang te liggen, een
zuilengalerij die omheen een binnentuin loopt. Gezien die verlaten lijkt, laten
ze die voorlopig voor wat ze is, en gaan de rechterdeur nader inspecteren. Daarachter
blijkt een gang te liggen waarop nog meer deuren uitkomen.
Meteen is duidelijk
dat hier wél levende wezens zijn: ze horen het gekletter van potten en pannen.
Avellana sluipt zachtjes de gang in, en krijgt wel door dat er verderop een
keuken gevestigd moet zijn. Vlak voor Avellana bij de deur aankomt, wordt ze
overvallen door een inmiddels vertrouwd gevoel van ongemak en klunzigheid, en
besluit wijselijk om maar op haar schreden terug te keren: kennelijk spoken ook
hier pugwampi’s rond. Eenmaal teruggekeerd stelt ze haar metgezellen op de
hoogte van haar bevindingen en de vier besluiten schielijk om toch maar eerst
de binnentuin nader te gaan bestuderen.
Op de muren die de tuin omkaderen, zijn bas-reliëfs
aangebracht waarop dezelfde heilige figureert als eerder in de zijruimte van de
kapel te zien was. Ominan pijnigt zijn hersenen maar kan zich niets herinneren
over een heilige van Sarenrae die beschreven wordt als de afgebeelde man. Ook
de reliëfs brengen hem niet verder, maar de vier inspecteren ze toch maar
aandachtig.
De heilige is op de muur met de doorgang achtereenvolgens te
zien met priesters en de abt van het klooster; met pelgrims; tijdens de opbouw
van het klooster; met diverse opeenvolgende abten. De bijhorende inscripties
dateren tot ongeveer dertig jaar geleden.
Op de rechtermuur is een soort drieluik aangebracht: de
heilige die afscheid neemt van vier ten hemel stijgende figuren tegen de
achtergrond van de Bleke Berg; de heilige die vecht met een vurige slangman met
speer; de heilige tweemaal afgebeeld: eenmaal als man, liggend op de grond, en
eenmaal als geest.
Op de achtermuur, in feite de buitenmuur, is een reliëf
aangebracht van vijf mensen in gevecht met vuurwezens en andere creaturen wier
wapens uit hun huid lijken te ontspruiten, weer tegen de achtergrond van de
Bleke Berg. Daarvoor worstelen twee wezens: een ifriet en een mooie vrouw die
een djinni lijkt te zijn.
Op de laatste muur tenslotte is een reliëf te zien van
figuren, rijdend op de wind, die triomferen. Het reliëf is zwaar beschadigd:
armen en handen zijn verdwenen, maar toch is nog te zien dat de figuren elk een
verschillend wapen hanteren.
Avellana herinnert zich bij het zien van deze reliëfs de
legende van de Tempeliers van de Vijf Winden: een groep van vijf machtige
geesten uit de oudheid. De verhalen over hen zijn al eeuwen oud, maar er worden
nog steeds wonderen aan hun bijstand toegeschreven. Volgens de legende die
Avellana uit haar geheugen opdiept, versloegen de Tempeliers honderden jaren
geleden een groot kwaad nabij de Bleke Berg, niet ver van Kelmarane. Elk van de
vijf werd volgens de verhalen geassocieerd met een ander kenmerk van de wind,
en hanteerde een specifiek magisch wapen. Onder het reliëf treffen ze inderdaad
de vijf namen van deze Tempeliers aan, waaronder Vardishal, de centrale figuur
van de heilige met puntbaard die tot nog toe op elk reliëf voorkwam.
Met een hoofd vol vraagtekens wat dit eigenlijk allemaal te
beteken heeft, vragen de vier zich af wat hun volgende stap zal zijn…
XP
1,200 XP (300 XP per speler)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.