woensdag 11 september 2013

21 augustus 2013

Dag 2

De volgende morgen krijgen de vier meteen hun eerste echte opdracht. Wat verderop ligt een oud klooster dat ooit gewijd was aan Sarenrae, dat Almah als uitvalsbasis wil gaan gebruiken voor de herovering van Kelmarane. Maar gezien de geruchten over gnolls is het wel van belang eerst na te gaan of het klooster vrij is van indringers: een taak voor de vier avonturiers.

Per kameel gaan ze op weg en al snel zien ze het klooster op een heuvel liggen. Van buitenaf gezien lijkt het inderdaad een oud en verlaten gebouw, maar iedereen is toch op zijn hoede. Het klooster is duidelijk aangetast door de tand des tijds: de muur waar ooit de toegangspoort deel van uitmaakte, is gedeeltelijk ingestort. Voorzichtig wagen de vier zich naarbinnen, Ominan voorop, verlangend een heiligdom van zijn godin te betreden, Ragna met getrokken zwaard in de achterhoede.
Ze komen terecht in het schip van een grote tempel, vervuld van vergane glorie. Tegenover zich zien ze drie deuropeningen, aan de linkerkant ligt een kapel met aan weerszijden een kleinere zijruimte. Er is geen teken van leven, en als eerste besluiten ze de zijruimtes te verkennen. Die leveren niet veel op: de altaars zijn vernietigd, de bas-reliëfs zijn gedeeltelijk weggehakt: met moeite is nog te zien dat er een man met puntige baard, kennelijk een heilige, op een berg op staat, die pelgrims toespreekt. Op een eenzame gedenksteen is er een inscriptie te lezen: “Deze plek werd gezuiverd van een onheilige geest door Theodephus Estrovan, dienaar van Aroden”. Uit het jaartal dat eronder staat, 4691 AR, blijkt dat deze inscriptie achttien jaar oud is.

De kapel, die wat lager ligt dan het schip, heeft een verhoging met een altaar, waarachter nog een grote ster te zien is, zowat het enige dat niet vernield is. Aan het plafond hangt een sinister stuk decoratie: een verzameling gnollschedels die zijn samengevoegd, en aan een touw bungelen. Een ander stuk van het plafond is door een doek afgedekt.
Ineens zien de vier een klein en inmiddels bekend wezen opduiken, hangend aan de gnollschedels: een pugwampi, die hen met zijn boogje onder vuur neemt. Ardea reageert snel en haar magie rekent meteen met de kleine pestkop af. Helaas is dit slechts het begin… al gauw komt een hele bende jakhalskopjes zijn plaats innemen, en het ongeluk dat ze verspreiden als was het een stank die hen omringt, speelt de vier meteen parten. Ardea’s magische projectielen treffen nauwelijks doel, Avellana’s pijlen raken amper.
Ragna kan een tijdlang niet veel anders dan gefrustreerd ronddraven, omdat de pugwampi’s buiten haar bereik zijn. De kleine pijltjes die maar blijven aanzoeven, tergen haar echter zozeer dat ze door het dolle heen raakt. Roekeloos bestormt ze de vermolmde houten trap die naar de kooromgang leidt. Het ding kraakt onder haar gewicht, maar houdt het net, misschien dankzij de spreuken die Ominan blijft prevelen, de anderen met lichte aanrakingen zegenend in de hoop dat het licht van zijn godin deze duistere sfeer van ongeluk zal weten te doorbreken. Ragna weet een paar van de ongeluksbrengers uit te schakelen met formidabele klappen van haar zwaard, maar wanneer ze vluchten en zij, ze nazettend, over een gat in de constructie wil springen, begeeft het hout het, en stort ze naar beneden.
Ominan moet toesnellen om Ragna’s zware verwondingen te helen, en meldt haar vermanend dat hij een dergelijke krachttoer niet nog eens zal kunnen herhalen vandaag. Maar de furieuze halfork is niet voor rede vatbaar en bestormt nogmaals de trap, met soortgelijke gevolgen: ze stort andermaal neer, deze keer komt ze echter gelukkig iets beter terecht.
Inmiddels blijven Ardea’s magische krachten onderhevig aan de negatieve invloed en het effect van haar projectielen is minimaal, wat ook haar uiteindelijk in woede doet ontsteken: vuur ontspringt aan haar vingertoppen, en het nest van de pugwampi’s begint te roken. Avellana doet wat ze kan met haar eigen pijl en boog, en weet zowaar het treiterige gelach van de overige pugwampis voorgoed af te breken. 

Ominan grijpt in wanneer hij ziet dat er vuur begint te likken aan de doek – hij wil het heiligdom van Sarenrae, al is het dan ook ontheiligd door deze infame inwijkelingen, niet in vlammen zien opgaan, en blust met hemels water de dreiging. Vervolgens lijkt het hem de aangewezen volgende stap om de hele constructie naar beneden te halen, en hij weet Ragna zo ver te krijgen dat ze daar een poging toe waagt met haar touw en ankerhaak. Haar pogingen zijn tevergeefs, en Ominan probeert het dan maar met een paar geschreeuwde beledigingen in de taal van de gnolls, die de rest van de pugwampi’s naar buiten moeten lokken.
De koning van deze pugwampiclan komt tevoorschijn, gevolgd door twee van zijn onderdanen, die meteen de kooromgang opdraven, en over de dakbalken huppelend de beste posities zoekend om de vier avonturiers onder vuur te nemen. De koning springt inmiddels zonder enige vrees naar beneden, en loopt dreigend op hen af.
Ominan spoort iedereen aan om het vooral niet op te geven, en brult de pugwampi’s toe dat ze zich maar beter kunnen overgeven. Het baat niet, en Ragna krijgt het zwaar te verduren van de pugwampikoning. Algauw staat ze te wankelen op haar benen terwijl ze woest uithaalt. Ardea en Avellana zoeken dekking, want de pijlen blijven maar regenen van bovenaf, terwijl hun eigen projectielen amper effect lijken te hebben op de pugwampi's. Ten derde male stort Ragna ter aarde… bewusteloos deze keer.
Ominan stemt slechts schoorvoetend in met de tactische terugtrekking die hem min of meer wordt opgedrongen, maar neemt vervolgens wel het initiatief om de pugwampikoning af te leiden, terwijl de twee vrouwen Ragna met gezwinde spoed de kapel uit sleuren. Even ziet het er precair uit voor de strijdlustige priester, maar uiteindelijk weet iedereen het vege lijf te redden.

Ragna is er slecht aan toe, en er wordt besloten dat Avellana en Ardea met haar terug naar het kamp zullen rijden in de hoop dat vader Zastoran zich over haar kan ontfermen. Ominan, die koppig weigert de aftocht de blazen, zal intussen vanop veilige afstand de wacht houden bij het klooster.
Zo gezegd zo gedaan. In het kamp aangekomen, is vader Zastoran gelukkig onmiddellijk bereid hen te helpen, en schuift de drie zelfs nog een extra drankje toe voor later gebruik. Wanneer Garavel poolshoogte komt nemen, en enigszins sceptisch vraagt of alles wel goed verloopt, en zo ja wanneer de expeditie dan kan verwachten richting het klooster te kunnen vertrekken, poeiert Ardea hem lichtelijk geërgerd af: dat de expeditie niet verloopt zoals gewenst, is al vervelend genoeg zonder dat daar nog eens extra de nadruk op wordt gelegd. Wel wil ze graag Dashki nog eens op de rooster leggen, want wellicht heeft de jager nog een paar foefjes achter de hand om op een effectieve manier met pugwampi’s af te rekenen. Maar de louche gnollexpert is weer eens onvindbaar. 
Ragna weet inmiddels van de kapitein van de huurlingen een boog te leen los te peuteren, zodat ze wat beter opgewassen is tegen een volgende confrontatie met de pugwampi-plaag.

Terug bij het klooster horen ze van Ominan dat er niet veel gebeurd is, behalve dan dat er nog een extra pugwampi is gearriveerd en binnengegaan. Vrolijker wordt niemand daar van. De dag is nog maar amper halverwege, maar iedereen is in feite al door zijn beste krachten heen. Wijselijk wordt besloten om voorlopig het pugwampinest maar even links te laten liggen, in de hoop dat dankzij enige overdenkingstijd iemand met een zinnig aanvalsplan op de proppen komt. Het voorstel om de boel gewoon wat drastischer in brand te steken, wordt voorlopig maar even als noodplan geklasseerd.

De vier besluiten om het klooster dan maar wat verder te verkennen, om zo een beeld te krijgen van wat hen nog te wachten staat. Wanneer ze weer in het schip komen, is er gelukkig geen pugwampi te zien, kennelijk hebben die zich in de kamer met hun nest verschanst. Ze nemen dan maar een kijkje door de middelste van de drie deuren.
Daarachter blijkt een kloostergang te liggen, een zuilengalerij die omheen een binnentuin loopt. Gezien die verlaten lijkt, laten ze die voorlopig voor wat ze is, en gaan de rechterdeur nader inspecteren. Daarachter blijkt een gang te liggen waarop nog meer deuren uitkomen.
Meteen is duidelijk dat hier wél levende wezens zijn: ze horen het gekletter van potten en pannen. Avellana sluipt zachtjes de gang in, en krijgt wel door dat er verderop een keuken gevestigd moet zijn. Vlak voor Avellana bij de deur aankomt, wordt ze overvallen door een inmiddels vertrouwd gevoel van ongemak en klunzigheid, en besluit wijselijk om maar op haar schreden terug te keren: kennelijk spoken ook hier pugwampi’s rond. Eenmaal teruggekeerd stelt ze haar metgezellen op de hoogte van haar bevindingen en de vier besluiten schielijk om toch maar eerst de binnentuin nader te gaan bestuderen.
Op de muren die de tuin omkaderen, zijn bas-reliëfs aangebracht waarop dezelfde heilige figureert als eerder in de zijruimte van de kapel te zien was. Ominan pijnigt zijn hersenen maar kan zich niets herinneren over een heilige van Sarenrae die beschreven wordt als de afgebeelde man. Ook de reliëfs brengen hem niet verder, maar de vier inspecteren ze toch maar aandachtig.
De heilige is op de muur met de doorgang achtereenvolgens te zien met priesters en de abt van het klooster; met pelgrims; tijdens de opbouw van het klooster; met diverse opeenvolgende abten. De bijhorende inscripties dateren tot ongeveer dertig jaar geleden.
Op de rechtermuur is een soort drieluik aangebracht: de heilige die afscheid neemt van vier ten hemel stijgende figuren tegen de achtergrond van de Bleke Berg; de heilige die vecht met een vurige slangman met speer; de heilige tweemaal afgebeeld: eenmaal als man, liggend op de grond, en eenmaal als geest.
Op de achtermuur, in feite de buitenmuur, is een reliëf aangebracht van vijf mensen in gevecht met vuurwezens en andere creaturen wier wapens uit hun huid lijken te ontspruiten, weer tegen de achtergrond van de Bleke Berg. Daarvoor worstelen twee wezens: een ifriet en een mooie vrouw die een djinni lijkt te zijn.
Op de laatste muur tenslotte is een reliëf te zien van figuren, rijdend op de wind, die triomferen. Het reliëf is zwaar beschadigd: armen en handen zijn verdwenen, maar toch is nog te zien dat de figuren elk een verschillend wapen hanteren.
Avellana herinnert zich bij het zien van deze reliëfs de legende van de Tempeliers van de Vijf Winden: een groep van vijf machtige geesten uit de oudheid. De verhalen over hen zijn al eeuwen oud, maar er worden nog steeds wonderen aan hun bijstand toegeschreven. Volgens de legende die Avellana uit haar geheugen opdiept, versloegen de Tempeliers honderden jaren geleden een groot kwaad nabij de Bleke Berg, niet ver van Kelmarane. Elk van de vijf werd volgens de verhalen geassocieerd met een ander kenmerk van de wind, en hanteerde een specifiek magisch wapen. Onder het reliëf treffen ze inderdaad de vijf namen van deze Tempeliers aan, waaronder Vardishal, de centrale figuur van de heilige met puntbaard die tot nog toe op elk reliëf voorkwam.

Met een hoofd vol vraagtekens wat dit eigenlijk allemaal te beteken heeft, vragen de vier zich af wat hun volgende stap zal zijn… 



XP
1,200 XP (300 XP per speler)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.