maandag 17 februari 2014

5 februari 2014

Dag 8 - vervolg

Voor er weer tot actie kan worden overgegaan, moet er rust gehouden worden. Ominan heeft tijd nodig om te herstellen en Ardea’s magische krachten zijn vrijwel uitgeput. Vita die zich nog fris als een hoentje voelt, stelt zich in stilte vragen over de taaiheid van haar bondgenoten, maar kiest ervoor dat voor zich te houden. Er wordt dus besloten om tijdelijk naar het klooster terug te trekken.
Ominan betoont zich inmiddels bezorgd om het lot van Undrella: zou het niet verstandig zijn dat ze hen vergezelt naar het klooster? Wat als Kardswann zijn woede op haar komt koelen? De kruidenvrouw wijst dat meteen van de hand: in een klooster heeft ze niks te zoeken, en Kardswann zal haar heus niks aandoen. De opgetrokken wenkbrauwen van zijn groepsgenoten negerend, zet Ominan er dan maar de pas in richting het klooster.

Daar lopen ze algauw Garavel tegen het lijf, die informeert naar de vorderingen. Ominan begint met het goede nieuws: er is eigenlijk nog maar één tegenstander van enig belang overgebleven. Garavel betoont zich tevreden, en wil dat goede nieuws meteen maar met Almah gaan delen. Hij wordt echter in zijn aftocht gestuit door de stem van Ardea die hem meedeelt dat er ook slecht nieuws is…
Ook Almah is zwaar aangeslagen door het heengaan van Ragna, in wie ze net een dubbel gewaardeerd teamlid had gevonden. Het dodental dat deze expeditie al heeft gekost, begint wel op te lopen…
Maar ze recht uiteindelijk haar schouders, en uit haar voornemen om ervoor te zorgen dat deze levens niet vergeefs verspild zullen blijken. Er moet ernstig werk worden gemaakt van het afronden van de expeditie.
Ominan haakt daar meteen soepel op in, en stel t Almah voor dat het misschien nuttig is wanneer er een massaal offensief wordt ingezet om met Kardswann af te rekenen. Almah, nog onder de indruk van het nieuws, stemt verrassend vlot met dit voorstel in, en tevreden begeeft Ominan zich te rusten, zodat de slaap zijn wonden verder kan helen.

Tegen de avond wordt Ominan wakker, en moet tot de vaststelling komen dat zijn makkers inmiddels hun eigen bed hebben opgezocht. Hij gaat de wachters dan maar vervoegen, en maakt hun taken met enige zegeningen en magische ingrepen iets makkelijker. Hij is net in gesprek met een jonge wachter die een lichte heldenverering voor hem blijkt te koesteren, wanneer hij in de verte een lichtje ontwaart. Ook Dullen, de wachter, ziet het geflakker, en na enige tijd zien ze dat het licht zich opdeelt in vijf punten die kennelijk toortsen zijn, vastgehouden door een groepje gnolls.
Ominan haast zich om Vita en Ardea te wekken, die met enige tegenzin uit het bed komen dat ze nog maar net hadden opgezocht. Wanneer Vita echter hoort dat het over gnolls gaat, reikt ze met enthousiasme naar haar boog, en posteert zich op een toren, terwijl Ominan en Ardea de vijf tegemoet gaan.
Net wanneer de vijf binnen schotsafstand zijn genaderd, Vita haar boog spant, en Ardea haar handen heft om haar laatste magie op deze nieuwe dreiging af te vuren, springt een onverwachte aanwezigheid tussen de twee groepen in: het is Dashki, die luidkeels roept dat de gnolls niet aangevallen mogen worden, omdat ze komen onderhandelen.
De reacties zijn enigszins sceptisch, maar Dashki’s claim wordt bevestigd door de leider van de gnolls. In een schorre, geblafte versie van de omgangstaal, verklaart hij Hargk te zijn, gezonden door Narg, de leider van de Drie Kaken-stam. Ze zijn gekomen om hun hulp aan te bieden bij het uitroeien van de Kulldis-stam, met wie ze al lang overhoop liggen. Dat die onlangs Kardswann, een niet-gnoll, als leider hebben aanvaard, was de druppel die de emmer deed overlopen.
Terwijl Vita op de uitkijkpost geërgerd haar best doet om haar pijl niet alsnog te laten vliegen, onderhandelt Ominan zakelijk met de gnolls: ze moeten ermee akkoord gaan dat hun hulp niet betekent dat Kelmarane aan hun stam toevalt. Wel stelt de priester voortvarend voor dat ze een handelspost kunnen toegewezen krijgen in Kelmarane.
Ardea, die moe is en zich ernstige zorgen maakt over het lot van Haleen, reageert amper op het ongewone bondgenootschap, maar suggereert dat de gnolls misschien beter buiten het klooster hun kamp kunnen opslaan. Ominan wil ze mee richting de kloostermuren nemen, om ze beter in de gaten te kunnen houden, maar stuit daarbij op verzet van de wachters. Vita is al even enthousiast over dit gebabbel met de vijand, en beent geïrriteerd richting haar bed wanneer ze in de gaten krijgt dat er niet meer geschoten zal mogen worden.
Inmiddels heeft een wachter Almah op de hoogte gebracht, die in alle staten naar buiten komt. Ze verzet zich op hoge toon tegen het idee dat ook maar één gnoll een voet in het klooster zou zetten. Ominan kan haar geruststellen: de gnolls, die niet veel enthousiaster leken over het bondgenootschap dan zij, hebben zelf besloten de nacht vlakbij Kelmarane te gaan doorbrengen.  Niettemin is Almah zwaar geprikkeld, en ze deelt geërgerd mee dat dit bondgenootschap, zonder haar medeweten gesloten, haar goedkeuring niet kan wegdragen.
Ook Ominan en Ardea besluiten uiteindelijk maar om de nodige rust te gaan nemen – het wordt een zware dag morgen.


Dag 9

De volgende ochtend blijkt Vita helemaal niet opgezet met de plannen: ze was al geërgerd omdat de gnolls de vorige avond niet mochten worden afgemaakt, en nu ze hoort dat er ook nog eens een bondgenootschap is gesloten, voelt ze zich niet bepaald vrolijker.  Ook Almah komt nog een keer haar afkeuring uitspreken: nu de drie ervoor hebben gekozen om met gnolls samen te werken, houdt ze haar eigen wachters en soldaten bij zich in het klooster.
Ominan versaagt niet, en gaat bij de ontbijttafel Oxvard en Felliped opzoeken: zij kunnen dan toch wel op zijn minst bijstand komen bieden. De twee reageren aarzelend en het is duidelijk dat ze zich zonder fatsoenlijke wapenrusting helemaal niet opgewassen voelen tegen een confrontatie met de Nemesis van de Leeuwen van Senara.
Terwijl Ominan nog verwoede pogingen doet om hen alsnog te overhalen, staat Ardea ongeduldig op. Dit gehakketak heeft wel lang genoeg geduurd, en de toestand van Haleen kan er niet beter op zijn geworden intussen…
Almah komt hen nog een laatste opdracht meegeven: wanneer Kardswann verslagen is, moeten de vijf gnolls ook maar afgemaakt worden – die kunnen nooit goed nieuws zijn. Wanneer Dashki daarbij in de weg loopt, ruimen ze hem ook maar uit de weg.
Dat komt haar op een ijzige blik uit de vurige ogen van Ardea te staan. De tovenares die zich duidelijk geërgerd voelt over de luimen van de handelsprinses, deelt haar in niet mis te verstane termen mee dat er bij hun engagement alleen is gesproken over het ontruimen van Kelmarane, en niet over gnollstammen die er niks mee te maken hebben. Almah werpt tegen dat de gnolls toch niet te vertrouwen zijn, en zich vroeg of laat tegen hen zullen keren, waarop Ardea verklaart dat ze dan en alleen dan wel afdoende met hen zullen afrekenen.

Met Dashki in hun kielzog vertrekken de drie richting Kelmarane, in een ongemakkelijke stemming. Vita is nog steeds wat knorrig, en Ominan en Ardea zijn zich akelig bewust van het feit dat ze de enige nog levende leden zijn van het oorspronkelijke gezelschap, dat nu in feite gehalveerd is.
Ze maken een tussenstop bij Undrella – Ominan hoopt haar te overhalen om hun gelederen te komen versterken, maar dat wijst de kruidenvrouw verontwaardigd van de hand. Ominan moet zich haar liefde waardig betonen en zelf afrekenen met zijn rivaal.
Bij Kelmarane aangekomen, treffen beide partijen van het ongemakkelijke bondgenootschap elkaar. Alleen Dashki wordt hartelijk begroet, verder zijn de blikken over en weer behoedzaam.
In eerste instantie gaat Vita op verkenning. Ze sluipt omzichtig binnen, en snuffelt rond, maar treft geen levend wezen aan, en kan niks dan dat rapporteren wanneer ze terugkomt. Daarop beduidt Ominan de gnolls dat zij wel naar binnen kunnen gaan om op zoek te gaan naar overgebleven gnolls, een taak die ze graag op zich nemen.

Inmiddels gaan de drie de gang met deuren verkennen waar ze de vorige dag strandden. Nadat ze een lege wachtkamer hebben verkend, treffen ze een vergrendelde deur. Ominan, ook niet meer de kalmte in persoon na alle lotgevallen van de afgelopen dagen, wil meteen het slot maar met brute kracht aan stukken slaan. Op een suggestie van Ardea probeert Vita eerst de sleutels die ze in haar bezit heeft, en zowaar: de deur zwaait open.
In de kamer daarachter treffen ze een merkwaardige verschijning. Een wat verwarde jongeman springt op van het bed, en vraagt hen waar hij zich bevindt, en of hij al in Kelmerina is. Hij wordt door drie verbijsterde gezichten aangestaard, voor iemand hem duidelijk maakt dat hij in KelmArAnE is. Met een sip gezicht vertelt de jongeman hen dat hij op weg was naar het Regenboogtoernooi in Kelmerina en er dus iets helemaal misgegaan is. Toen hij Kelmarane binnentrok, werd hij hardhandig bewusteloos geslagen en ontwaakte in deze cel.
De avonturiers vragen zich af of ze deze figuur wel kunnen vertrouwen, maar komen eenparig tot de conclusie dat er geen kwaad in hem lijkt te steken wanneer hij zich zwierig voorstelt als de Roze Ridder, en zijn redders meedeelt dat hij klaar is om hen een wederdienst te verlenen en hen te helpen met wat voor queeste ze dan ook bezig zijn.
Onder het motto ‘als we met gnolls kunnen samenwerken, kan dit er ook wel bij’ wordt de Roze Ridder in de gelederen opgenomen, en kort op de hoogte gesteld van het doel: Kardswann moet tegengehouden worden.

De volgende kamers blijken voornamelijk leeg, al zijn er twee die gemeubileerd zijn en kennelijk enige tijd bewoond werden.
Ze trekken dan maar behoedzaam richting de centrale ruimte, die ze de vorige dag maar gedeeltelijk hebben kunnen zien. Het lijkt er helemaal verlaten, tot ze verscholen achter de bar een gnoll aantreffen. Hij wordt door Ominan enige tijd ondervraagd, maar wanneer de verschrikte gnoll niet snel genoeg met antwoorden op de proppen komt, roept Ominan er de Drie Kaken-gnolls bij en laat ze met de gnoll afrekenen.
Vita heeft niet veel medelijden met het wezen, maar vraagt toch sceptisch of hij niet wat verder ondervraagd had moeten worden. Ominan haalt zijn schouders op: hij heeft weten los te krijgen dat Kardswann zich in de tempel verschuilt, meer lijkt hem niet van belang. Ardea loopt de informatie die zij heeft gekregen met gemengde gevoelens te beschouwen: Haleen is kennelijk zwaargewond maar in leven door de smokkelaars meegedragen.
Niet van plan om het woord van een gnoll klakkeloos aan te nemen, spoedt Vita zich naar de eerste verdieping om die grondig te gaan onderzoeken. Daar treft ze lege ruimtes die ooit winkels waren, en ook een stuk met banken dat ooit als plaats voor een orkest bedoeld was. Onder één van de pauken vindt ze nog een mooie zilveren fluit.

Ominan en Ardea houden even halt bij het lichaam van Ragna. Ze besluiten hun strijdmakker later de laatste eer te bewijzen door haar een uitvaart te schenken die haar waardig is: nadat ze met Kardswann hebben afgerekend, zullen ze om haar eer te bewijzen een brandstapel bouwen en haar ziel door het vuur laten bevrijden uit het lichaam dat ze moet achterlaten.

Vita is inmiddels verder aan het snuffelen en treft een merkwaardig alchemistisch apparaat met zeven naalden, één van de weinige dingen die niet met stof bedekt zijn. Ze vindt dat het een wat gevaarlijke uitstraling heeft en overweegt even om het aan stukken te slaan, maar besluit dan om het voorlopig maar links te laten liggen.
In een laatste kamer treft Vita een trap naar boven, die ze dan maar volgt, terwijl inmiddels haar makkers beneden eveneens op onderzoek zijn. Nog meer winkeltjes en kraampjes worden aangetroffen. In één daarvan is een heel arsenaal alchemistische spullen opgeslagen, waaronder de nodige verdovende middelen.
Daarna bereikt ze het hoofdkwartier van de wacht, met de aangrenzende slaapkamers. Er staat ook een kist waarin ze een ware verzameling buit treft, waaronder spullen die duidelijk ooit aan de Leeuwen van Senara hebben toebehoord. 
Verderop vindt ze ook een rijker gemeubileerde slaapkamer, die haar na enige inspectie het vertrek van Kardswann lijkt te zijn. Wanneer ze zijn vertrek nader onderzoekt, treft ze onder het bed een kist waarin ze Kardswanns goud en edelstenen vindt. Na even een gewetenskwestie te hebben doorworsteld – pikt ze uit de kisten eerst wat ze zelf wil hebben, of deelt ze haar vondsten? – roept ze de rest van de groep erbij.

Ominan en Ardea voelen bij de kist meteen een kluwen van magische aura’s en zetten zich aan de taak om uit te zoeken welke voorwerpen ze voor zich hebben. Vita draait onrustig kringetjes om hen heen, en wil er zeker van zijn dat geen dingen in andermans zakken verdwijnen waar ze zelf haar zinnen op had gezet, maar wordt door de priester en de tovenares weggewuifd. Ze gaat zich dan maar samen met de Roze Ridder vermaken door op de drie tronen te gaan plaatsnemen.
Intussen worden de magische voorwerpen geanalyseerd en wordt duidelijk dat enige daarvan bezittingen van de omgebrachte Leeuwen van Senara moeten zijn geweest. Eenparig wordt besloten dat de voorwerpen geen waardiger doel kunnen dienen dan het wreken van hun voormalige dragers.
Zo kan Vita een glanzende dolk op zak steken, al waagt ze nog een spijtig oog aan de mantel die de Roze Ridder krijgt toebedeeld. Tegen de tijd dat de mantel Ardea’s handen verlaat, heeft die echter een mooie roze tint aangenomen, waarvoor de Roze Ridder haar hoffelijk bedankt, en neemt Vita genoegen met haar minder opvallende deel van de buit. Ominan en Ardea legen inmiddels beslag op een aantal magisch geladen sieraden, en zo voelt iedereen zich gesterkt om de strijd met Kardswann weer aan te gaan.

De vier trekken richting de tempel, maar worden afgeleid door beweging op de nabij gelegen begraafplaats. Ominan ziet daar vlakbij een standbeeld van Sarenrae een geknielde figuur, en spoedt zich bezorgd richting deze geloofsbroeder. Hij wordt echter onaangenaam verrast door een gezicht dat wegsmelt om een grijzende doodskop te onthullen, die zijn lege oogkassen hongerig op de vier richt.
Vita reageert koelbloedig en vuurt meteen een pijl af, die klettert tegen de ribbenkast van het aanstormende skelet, terwijl Ardea weer haar magische projectielen in de strijd gooit. Het skelet is echter niet zomaar te stuiten en is op Ominan afgedenderd, de priester flink verwondend met twee klauwachtige handen. De Roze Ridder meent te hebben begrepen dat hier sprake is van De Confrontatie en stormt onder de kreet ‘Kardswaaannnnn’ op het strijdtoneel af.
Ominan doet een beroep op de kracht van zijn geloof, en wordt vervuld van het licht van Sarenrae, dat het skelet een gevoelige schok bezorgt, waarna de Roze Ridder, zwaaiend met zwaard en schild, de genadeklap toedient en het skelet als een knekelig kaartenhuisje in elkaar valt.
Wanneer het geluid van wegkletterende botten is weggestorven, hoort Ominan een stem in zijn hoofd, die van het standbeeld lijkt te komen. Hij knielt er neer, en voelt zich vervuld van de nabijheid van zijn godin die hem met goedkeuring vertelt dat hij waardig is bevonden. Een sterk gevoel van bescherming en kracht stroomt door hem heen, en het lijkt alsof alles helderder wordt.

Ominan staat weer op, en weet wat hem te doen staat. Hij zegent zijn groepsgenoten, stapt op de tempel toe, en verheft zijn stem: “Kardswann! Kom naar buiten, jij schurftige hond!” Even is het ijzingwekkend stil – op het gefluister van de verbaasde Roze Ridder na. 

23 januari 2014

Dag 8

De volgende ochtend is Ominan slechts een vluchtige verschijning aan het ontbijt: hij vertrekt bij het krieken van de dag richting de Sultansklauw. Daar wil hij op zoek naar spreukenboeken van Eloais, die misschien in de restanten van de uitgebrande wagen zijn achtergebleven. De priester hoopt zo zijn magische arsenaal te kunnen uitbreiden.
Ardea pakt het anders aan en gaat op de creatieve toer: ze brengt een bezoekje aan vader Zastoran, en vindt tussen zijn alchemistische ingrediënten precies wat ze zocht – een flesje zuur, dat een spreuk waar ze al een poosje aan werkt, wel eens sterker zou kunnen maken. De alchemist stopt haar ook weer enkele genezende drankjes toe, die ze met graagte aanvaardt, die komen ongetwijfeld nog van pas.
Vita en Ragna hebben inmiddels maar één ding aan hun hoofd: gnolls gaan afmaken! Ze doen hun uiterste best om de pas geredde Oxvard te ronselen als nieuwe versterking voor de groep. De wat verblufte priester is niet zo happig: hij heeft geen wapens, en voelt zich niet echt opgewassen tegen deze taak. Pogingen om voor hem een wapen te versieren bij de huurlingen, lopen helaas op niks uit.
Ominan komt besmeerd met roet maar tevreden terug: hij heeft met engelengeduld de wagen uitgekamd, en trof er tussen de halfverbrande boeken één exemplaar dat nog leesbare stukken bevatte. Hij heeft er vertrouwen in dat een diepgaande bestudering ervan hem nieuwe inzichten zal geven over het gebruik van zijn magie.

Voor de vier richting Kelmarane vertrekken, geeft Ardea haar drie strijdmakkers een gedegen beschrijving van de vrouw die ze hier kwam zoeken, Haleen. Ze is ervan overtuigd dat Haleen ergens in de gevechtsmarkt moet zitten opgesloten, en wil vermijden dat iemand haar per ongeluk aanziet voor een tegenstander.
De groep slaagt erin om Kelmarane binnen te komen zonder veel ongelukken. Alleen Ragna heeft onderweg af en toe een knagend gevoel: is ze wel goed bezig? Had ze niet voorvoeld dat een gevecht moest vermeden worden? Is dat dit gevecht? Maar anderzijds is haar bloeddorstige drang om de gehate gnolls een kopje kleiner te maken sterk, en Vita’s vastberadenheid om het gnollnest uit te roeien, werkt aanstekelijk.
Bij de gevechtsmarkt aangekomen, neemt Vita de leiding. Met één van de sleutels van Undrella die Ominan haar heeft toegeschoven, ontgrendelt ze de noordpoort en sluipt binnen. Voor zich ziet ze alleen een lege gang en een trap, al is er wel enig geroezemoes te horen uit het midden van het gebouw. Ze wenkt de rest van de groep naar binnen. Ragna wordt door haar kordaat bij de ingang gepost om de wacht te houden, Ominan en Ardea volgen haar verder naar binnen.
Met de soepele tred van een jager beklimt Vita de trap, wenkt dan Ardea naderbij, en maakt haar met welsprekende gebaren duidelijk dat zij de overloop in de gaten moet blijven houden: die komt uit op een balustrade die wellicht uitziet op de centrale ruimte van de gevechtsmarkt.
Nadat Vita een paar kleinere ruimtes heeft aangetroffen, daalt ze de trap weer af aan de andere kant, en vindt beneden weer een gesloten deur. Met de tweede sleutel weet ze ook die te openen, en treft daarachter een gang met alweer een rij deuren.
Voorlopig tevreden, begeeft Vita zich terug naar de balustrade. Ze sluipt behoedzaam een stukje verder, en ziet beneden een groot podium, waarop een flinke bloedvlek prijkt. Bovenaan is een koepel die licht naar binnen laat vallen, aan de linkerkant is een balkon, waarop drie tronen staan. Vita trekt zich schielijk terug, maar niet dan nadat ze heeft gezien dat op de middelste troon een grote, kale man zit. Naast hem ziet ze een gnoll van een soort die haar niet bekend is.

Met gebaren wordt druk overleg gepleegd, en uiteindelijk wordt besloten dat Ragna en Ominan zich ook maar bij Ardea en Vita moeten komen voegen. Ominan sluipt succesvol naar boven, maar de barbaar achter hem slaagt niet zo best in dat subtiele klusje: Ragna’s lawaaierige acties lokken reactie uit vanuit de centrale ruimte. Een gnollenstem vraagt achterdochtig wie daar gaat.
Ominan besluit te trachten om de achterdocht te sussen, en geeft antwoord in zijn beste gnolls. Helaas komt hij niet overtuigend genoeg over, en er wordt binnen de kortste keren alarm geslagen. Een bulderende stem die afkomstig is van het balkon met de tronen biedt 500 goudstukken voor degene die het hoofd van één van de indringers levert. De vier beseffen dat de tijd voor sluipen voorbij is.
Een groot monsterachtig wezen komt de trap opgedenderd, en Ragna stort zich maar al te graag in haar favoriete bezigheid: ze stormt naar beneden en werpt zich op de aanvaller. Ze krijgt een forse klap te verwerken, maar wanneer de ogre haar probeert vast te grijpen, ontworstelt ze zich meteen aan zijn greep. Ardea en Vita vuren van bovenaan de trap respectievelijk vuur- en gewone pijlen af, Ominan staat Ragna terzijde met zijn magische krachten, en uiteindelijk weet de strijdvaardige halfork de ogre met één machtige klap doormidden te splijten.

De vier is geen rust gegund: meteen wordt de plaats van de ogre ingenomen door drie forse bugbears die hun zinnen op de beloning hebben gezet. Ragna loopt hen tegemoet en ook Vita en Ardea laten zich niet onbetuigd. Terwijl Ragna rake klappen krijgt, schakelen pijlen en vuurschichten één van de drie bugbears fluks uit. Ragna slaat een andere in één klap neer, maar krijgt dan zelf weer een aanval te verwerken. Ominan wervelt naar het gewoel toe, heelt Ragna met één hand, en buigt soepeltjes langs haar heen om met de laatste tegenstander af te rekenen, die de goedgeplaatste houw van zijn kromzwaard niet overleeft.
Ook aan de andere kant van de trap klinkt nu gerommel. Ardea en Vita draaien zich meteen in die richting, en weten met een aanstormende gnoll af te rekenen – die wordt echter meteen door gretige soortgenoten gevolgd. Ominan hakt een aanstormende bugbear zonder veel poespas het hoofd af, en komt dan met Ragna in zijn kielzog aangespurt om hen te helpen.
De situatie wordt nog verhitter, wanneer op de balustrade vier gnolls verschijnen, die zich met bogen in de aanslag op de vier richten. Ardea schat de situatie even in, en onderneemt dan oordeelkundig actie: ze heft haar handen en vuurt een regen van verblindende kleuren op de drie gnolls op de trap af, die verblind neervallen. Ragna hoeft ze alleen nog maar het hoofd van de romp te scheiden en gaat zich met grimmige voldoening van die taak kwijten.
Ominan heeft gelijktijdig voor een rookgordijn gezorgd dat hen aan het oog van de gnoll-boogschutters onttrekt, die vergeefs proberen te richten op de wazige figuren die ze aan de andere kant daarvan amper kunnen onderscheiden.
Ardea en Vita treden andermaal gecoördineerd op, en met de rook als dekking vuren ze dodelijke projectielen op de boogschutters af. Eén van de gnolls legt meteen het loodje, de andere drie laten hun bogen vallen, en komen met bijlen in de hand aangestormd.
Ominan houdt het rookgordijn in stand, en geeft zo Ardea de kans om nogmaals een verrassingsaanval te wagen. De gnolls worden verrast door de tovenares die met vurige handen uit de rook opduikt en als een wraakzuchtige furie met gloeiende ogen een vlammende golf op hen afstuurt. Voor ze hun brandwonden hebben kunnen tellen, komt een wervelende zwaarddanser één van hen een kopje kleiner maken, vindt een suizende pijl de tweede, en hakt een woeste halfork de laatste doormidden.

De vier verspillen geen tijd, en lopen de trap af, terwijl nog steeds geschreeuwd wordt om hun hoofden. Inmiddels zijn ze tot de conclusie gekomen dat het de stem ongetwijfeld van Kardswann zelf moet zijn!
Beneden aan de trap worden ze verrast doordat de deur ineens opengaat en een jonge vrouw met rapier in de hand naar buiten komt. Voor iemand kan reageren is Ardea al met uitgestoken handen op haar afgelopen: kennelijk is dit de vrouw die ze hier kwam zoeken. Ze begroet Haleen opgetogen, maar schrikt dan van haar bekentenis: Haleen was afgekomen op de beloning die gladiatoren in de gevechtsmarkt in het vooruitzicht werd gesteld. Het briefje dat ze had achtergelaten maar onleesbaar was geworden, moest Ardea er net van weerhouden om haar te volgen.
Ardea reageert geschokt en enigszins gekwetst dat haar vriendin haar niet om hulp heeft verzocht. Ze blijft echter niet bij de pakken neerzitten en overreedt Haleen om zich aan te sluiten bij de expeditie waar ze zelf deel van uitmaakt.
Terwijl Haleen en Ardea praten, gaan Vita en Ominan op verkenning door de kamertjes die achter de deuren in de gang liggen. Ze vinden echter niet veel bijzonders, en beseffen dat de rest van hun tegenstanders zich in de centrale hal moeten ophouden.
Ardea heeft inmiddels zoveel mogelijk informatie bij Haleen ingewonnen, en de laatste heeft ook haar aanbod aangenomen om zich bij de expeditie aan te sluiten. Volgens haar is er niet veel meer over van de strijdkracht van Kardswann: enkele smokkelaars houden zich schuil onder de bar, en van de gnollpopulatie is zo goed als niks over.

Ragna is in de tussentijd aan vreemde emoties ten prooi. De halfork lijkt te vechten tegen zichzelf: ze voelt binnenin zich weer dezelfde aanwezigheid, die dringend om aandacht verzoekt. Uiteindelijk komt ze in actie, en stapt onverschrokken de centrale hal in. De rest volgt haar, ietwat verbaasd.
Daar treffen ze Kardswann, die van zijn troon is afgedaald, omringd door een lijfwacht van vier gnolls en de andere gnoll die Vita eerder zag, die zijn rechterhand lijkt te zijn. Kardswann, gewapend met een enorme tweehandige bijl, stapt naar voren…
Ragna voelt de aanwezigheid in haar ziel met een diepe teleurstelling naar de dreigende figuur voor haar kijken, vervuld van droefenis om Kardswanns val uit de glorie. Reagerend op een steeds sterker wordende impuls, stapt ze naar voren, haar zwaard geheven op haar twee handen. “Aanschouw mijn zwaard… Ik ben Vardishal!”, schalt haar stem door de ruimte, “Kardswann, waarom handelt gij zoals ge doet?”
Kardswann is duidelijk aangedaan door deze woorden, en begint ongecontroleerd te schokken, alsof hij de beheersing over zichzelf dreigt te verliezen. Verschillende uitdrukkingen trekken op zijn gelaat langs, voor hij uiteindelijk stil blijft staan, het zweet over zijn gezicht stromend. Tussen opeengeklemde tanden brengt hij uit: “Zijn wil is… sterker dan de mijne… vernietig Xulthos! Xulthos moet vernietigd worden!”
Ragna maakt haar medestanders duidelijk dat ze in dezen moeten handelen zoals zij opdraagt: Kardswann moet niet gedood, maar geholpen worden. Niet iedereen voelt zich even gelukkig met dit plan, maar het lijkt niet het moment om een uitgebreid overleg te beginnen. Wanneer Ragna Haleen en Ominan sommeert om Kardswann voor zijn eigen veiligheid te gaan vastbinden, halen ze een touw boven, en gaan erop af.
Maar daar is de lijfwacht van Kardswann helemaal niet mee opgezet, en ze maken zich klaar om hun meester te verdedigen. Zijn luitenant gaat meteen in de aanval, en slaat Haleen haar rapier uit handen. Vita wil zo snel mogelijk reageren, maar schiet overhaast, en haar schot gaat helemaal mis – haar boog valt uit haar handen.
Ominan en Ragna snellen naderbij, terwijl ook de andere leden van Kardswanns lijfwacht zich in het gevecht werpen. Haleen krijgt het zwaar te verduren, en trekt zich even tactisch terug om haar wapen terug te vinden, terwijl Ragna zich op Kardswanns luitenant gooit. Maar ook zij wordt ontwapend, en krijgt rake klappen.
Intussen weten Vita en Ardea met gezamenlijke krachten één van de gnolls neer te halen, terwijl Ominan twee andere bezighoudt. Haleen komt Ragna bijstaan, maar is te zwaar gewond om nog veel schade te kunnen doen. Inmiddels slaat Kardswanns luitenant tot overmaat van ramp een genezend drankje achterover.
Vita richt nu haar pijlen op dit doelwit, en ook Ardea slingert magische projectielen in zijn richting… niet veel later weten hun inspanningen dan toch het beoogde doel te bereiken, en hij stort levenloos neer. 

Maar eigenlijk is het al te laat: Kardswann, die tot nu toe trillend en tandenknarsend op dezelfde plaats stond, slaakt een gepijnigde kreet, en de smartelijke uitdrukking op zijn gelaat maakt weer plaats voor het harde koude masker. Een manische lach ontsnapt hem, en meteen zwaait hij zijn bijl richting Haleen.
Haleen trekt wijselijk terug, maar nu krijgt Ragna het te verduren: terwijl Kardswann een litanie tegen Vardishal afsteekt wordt ze met machtige klappen tegen de vlakte geslagen. Twee gnolls storten zich op Ominan en ook de priester komt in een precaire toestand.
Vita weet echter een van zijn aanvallers aan een pijl te prikken, Ardea leidt de andere af met een vurige schicht, en zo krijgt Ominan de gelegenheid om richting Ragna te snellen, en de halfork met voorbijzien van zijn eigen veiligheid enige broodnodige heling te bieden.
Kardswann is echter woedend om deze interruptie. Andermaal haalt hij uit met zijn enorme bijl, en Ominan stort meer dood dan levend ter aarde. Ragna hijst zich half overeind, en steekt met bevende arm nogmaals het zwaard van Vardishal omhoog. “Aanschouw dit zwaard!”, klinkt haar stem vermoeid maar verbeten, “hervind jezelf, Kardswann!” Maar Kardswann is te ver heen… de greep van wat het ook is dat hem in zijn macht heeft, is te sterk. Vol razernij hakt hij opnieuw in op de weerloze Ragna, die zich vanuit haar positie niet kan verdedigen.
Zijn bijlslagen bijten diep in haar lichaam, en hakken dwars door haar beschermende kledij heen. Algauw zweeft ze op de rand van de dood… en dan dient Kardswann haar een fatale klap toe… Het gezicht van de halfork houdt nog even haar koppige trek, maar wanneer haar ogen breken, trekt de ontspanning van de eeuwige slaap op haar gezicht.

Ardea, die net met de laatste gnoll heeft afgerekend, werpt een vertwijfelde blik op Vita, maar er is niets dat ze nog kunnen doen. Met afgrijzen hebben ze het lot van Ragna gadegeslagen zonder haar te hebben kunnen helpen.
Met tegenzin besluiten de twee om de aftocht te blazen, en zo snel mogelijk rennen ze de gevechtsmarkt uit. Kardswann, die zich er eerst van vergewist of hij de volhardende stem van zijn geweten wel afdoende de mond heeft gesnoerd, en Ragna werkelijk heeft gedood, zet de achtervolging in, maar weet hen niet in te halen voor ze in de straatjes van Kelmarane zijn verdwenen. Inmiddels sleept in de gevechtsmarkt een zwaargewonde Haleen zich richting een veilig onderkomen…

Wanneer Ardea en Vita langs het huisje van Undrella komen, heeft de tovenares een heldere inval. Ze rent het huisje in, en brengt de kruidenvrouw op de hoogte van de nijpende toestand waarin Ominan verkeert. Ze heeft nog amper de tijd om haar te verzoeken zich ook om Haleen en Ragna te bekommeren wanneer die nog in leven zijn, voor Undrella haar vleugels uitslaat en richting de gevechtsmarkt vliegt, op een missie om de nieuwe uitverkorene van haar hart te redden.  
Niet veel later keert Undrella terug met Ominan in haar armen. Ze strijkt voorzichtig neer en legt de zwaargewonde priester behoedzaam op haar bed. Pas nadat ze Ominan de nodige drankjes heeft toegediend, zijn wonden heeft verzorgd met genezende zalfjes, en hem met een innige zoen heeft gewekt, is Undrella bereid verslag uit te brengen van de situatie die ze aantrof.

Over Ragna kan ze kort zijn: voor de halfork-krijger is geen hoop meer – het leven is definitief uit haar gevloden. Van Haleen heeft ze geen spoor meer gezien. 
Ardea voelt enige hoop terugkeren dat haar vriendin nog in leven is, en nu ze weet waar ze haar kan vinden, is ze vastberadener dan ooit om Haleen veilig uit Kelmarane weg te halen.