Dag 8
De volgende ochtend is Ominan slechts een vluchtige
verschijning aan het ontbijt: hij vertrekt bij het krieken van de dag richting
de Sultansklauw. Daar wil hij op zoek naar spreukenboeken van Eloais, die
misschien in de restanten van de uitgebrande wagen zijn achtergebleven. De
priester hoopt zo zijn magische arsenaal te kunnen uitbreiden.
Ardea pakt het anders aan en gaat op de creatieve toer: ze
brengt een bezoekje aan vader Zastoran, en vindt tussen zijn alchemistische
ingrediënten precies wat ze zocht – een flesje zuur, dat een spreuk waar ze al
een poosje aan werkt, wel eens sterker zou kunnen maken. De alchemist stopt
haar ook weer enkele genezende drankjes toe, die ze met graagte aanvaardt, die
komen ongetwijfeld nog van pas.
Vita en Ragna hebben inmiddels maar één ding aan hun hoofd:
gnolls gaan afmaken! Ze doen hun uiterste best om de pas geredde Oxvard te
ronselen als nieuwe versterking voor de groep. De wat verblufte priester is
niet zo happig: hij heeft geen wapens, en voelt zich niet echt opgewassen tegen
deze taak. Pogingen om voor hem een wapen te versieren bij de huurlingen, lopen
helaas op niks uit.
Ominan komt besmeerd met roet maar tevreden terug: hij heeft
met engelengeduld de wagen uitgekamd, en trof er tussen de halfverbrande boeken
één exemplaar dat nog leesbare stukken bevatte. Hij heeft er vertrouwen in dat
een diepgaande bestudering ervan hem nieuwe inzichten zal geven over het
gebruik van zijn magie.
Voor de vier richting Kelmarane vertrekken, geeft Ardea haar
drie strijdmakkers een gedegen beschrijving van de vrouw die ze hier kwam
zoeken, Haleen. Ze is ervan overtuigd dat Haleen ergens in de gevechtsmarkt
moet zitten opgesloten, en wil vermijden dat iemand haar per ongeluk aanziet
voor een tegenstander.
De groep slaagt erin om Kelmarane binnen te komen zonder
veel ongelukken. Alleen Ragna heeft onderweg af en toe een knagend gevoel: is
ze wel goed bezig? Had ze niet voorvoeld dat een gevecht moest vermeden worden?
Is dat dit gevecht? Maar anderzijds is haar bloeddorstige drang om de gehate
gnolls een kopje kleiner te maken sterk, en Vita’s vastberadenheid om het
gnollnest uit te roeien, werkt aanstekelijk.
Bij de gevechtsmarkt aangekomen, neemt Vita de leiding. Met één
van de sleutels van Undrella die Ominan haar heeft toegeschoven, ontgrendelt ze
de noordpoort en sluipt binnen. Voor zich ziet ze alleen een lege gang en een
trap, al is er wel enig geroezemoes te horen uit het midden van het gebouw. Ze
wenkt de rest van de groep naar binnen. Ragna wordt door haar kordaat bij de
ingang gepost om de wacht te houden, Ominan en Ardea volgen haar verder naar binnen.
Met de soepele tred van een jager beklimt Vita de trap,
wenkt dan Ardea naderbij, en maakt haar met welsprekende gebaren duidelijk dat
zij de overloop in de gaten moet blijven houden: die komt uit op een balustrade
die wellicht uitziet op de centrale ruimte van de gevechtsmarkt.
Nadat Vita een paar kleinere ruimtes heeft aangetroffen,
daalt ze de trap weer af aan de andere kant, en vindt beneden weer een gesloten
deur. Met de tweede sleutel weet ze ook die te openen, en treft daarachter een
gang met alweer een rij deuren.
Voorlopig tevreden, begeeft Vita zich terug naar de
balustrade. Ze sluipt behoedzaam een stukje verder, en ziet beneden een groot
podium, waarop een flinke bloedvlek prijkt. Bovenaan is een koepel die licht
naar binnen laat vallen, aan de linkerkant is een balkon, waarop drie tronen
staan. Vita trekt zich schielijk terug, maar niet dan nadat ze heeft gezien dat
op de middelste troon een grote, kale man zit. Naast hem ziet ze een gnoll van
een soort die haar niet bekend is.
Met gebaren wordt druk overleg gepleegd, en uiteindelijk
wordt besloten dat Ragna en Ominan zich ook maar bij Ardea en Vita moeten komen
voegen. Ominan sluipt succesvol naar boven, maar de barbaar achter hem slaagt
niet zo best in dat subtiele klusje: Ragna’s lawaaierige acties lokken reactie
uit vanuit de centrale ruimte. Een gnollenstem vraagt achterdochtig wie daar
gaat.
Ominan besluit te trachten om de achterdocht te sussen, en
geeft antwoord in zijn beste gnolls. Helaas komt hij niet overtuigend genoeg
over, en er wordt binnen de kortste keren alarm geslagen. Een bulderende stem
die afkomstig is van het balkon met de tronen biedt 500 goudstukken voor degene
die het hoofd van één van de indringers levert. De vier beseffen dat de tijd
voor sluipen voorbij is.
Een groot monsterachtig wezen komt de trap opgedenderd, en
Ragna stort zich maar al te graag in haar favoriete bezigheid: ze stormt naar
beneden en werpt zich op de aanvaller. Ze krijgt een forse klap te verwerken,
maar wanneer de ogre haar probeert vast te grijpen, ontworstelt ze zich meteen
aan zijn greep. Ardea en Vita vuren van bovenaan de trap respectievelijk vuur-
en gewone pijlen af, Ominan staat Ragna terzijde met zijn magische krachten, en
uiteindelijk weet de strijdvaardige halfork de ogre met één machtige klap
doormidden te splijten.
De vier is geen rust gegund: meteen wordt de plaats van
de ogre ingenomen door drie forse bugbears die hun zinnen op de beloning hebben
gezet. Ragna loopt hen tegemoet en ook Vita en Ardea laten zich niet onbetuigd.
Terwijl Ragna rake klappen krijgt, schakelen pijlen en vuurschichten één van de
drie bugbears fluks uit. Ragna slaat een andere in één klap neer, maar krijgt
dan zelf weer een aanval te verwerken. Ominan wervelt naar het gewoel toe,
heelt Ragna met één hand, en buigt soepeltjes langs haar heen om met de laatste
tegenstander af te rekenen, die de goedgeplaatste houw van zijn kromzwaard niet
overleeft.
Ook aan de andere kant van de trap klinkt nu gerommel. Ardea
en Vita draaien zich meteen in die richting, en weten met een aanstormende
gnoll af te rekenen – die wordt echter meteen door gretige soortgenoten
gevolgd. Ominan hakt een aanstormende bugbear zonder veel poespas het hoofd af,
en komt dan met Ragna in zijn kielzog aangespurt om hen te helpen.
De situatie wordt nog verhitter, wanneer op de balustrade vier
gnolls verschijnen, die zich met bogen in de aanslag op de vier richten. Ardea
schat de situatie even in, en onderneemt dan oordeelkundig actie: ze heft haar
handen en vuurt een regen van verblindende kleuren op de drie gnolls op de trap
af, die verblind neervallen. Ragna hoeft ze alleen nog maar het hoofd van de
romp te scheiden en gaat zich met grimmige voldoening van die taak kwijten.
Ominan heeft gelijktijdig voor een rookgordijn gezorgd dat
hen aan het oog van de gnoll-boogschutters onttrekt, die vergeefs proberen te
richten op de wazige figuren die ze aan de andere kant daarvan amper kunnen
onderscheiden.
Ardea en Vita treden andermaal gecoördineerd op, en met de
rook als dekking vuren ze dodelijke projectielen op de boogschutters af. Eén
van de gnolls legt meteen het loodje, de andere drie laten hun bogen vallen, en
komen met bijlen in de hand aangestormd.
Ominan houdt het rookgordijn in stand, en geeft zo Ardea de
kans om nogmaals een verrassingsaanval te wagen. De gnolls worden verrast door
de tovenares die met vurige handen uit de rook opduikt en als een wraakzuchtige
furie met gloeiende ogen een vlammende golf op hen afstuurt. Voor ze hun
brandwonden hebben kunnen tellen, komt een wervelende zwaarddanser één van hen
een kopje kleiner maken, vindt een suizende pijl de tweede, en hakt een woeste
halfork de laatste doormidden.
De vier verspillen geen tijd, en lopen de trap af, terwijl
nog steeds geschreeuwd wordt om hun hoofden. Inmiddels zijn ze tot de conclusie
gekomen dat het de stem ongetwijfeld van Kardswann zelf moet zijn!
Beneden aan de trap worden ze verrast doordat de deur ineens
opengaat en een jonge vrouw met rapier in de hand naar buiten komt. Voor iemand
kan reageren is Ardea al met uitgestoken handen op haar afgelopen: kennelijk is
dit de vrouw die ze hier kwam zoeken. Ze begroet Haleen opgetogen, maar schrikt
dan van haar bekentenis: Haleen was afgekomen op de beloning die gladiatoren in
de gevechtsmarkt in het vooruitzicht werd gesteld. Het briefje dat ze had
achtergelaten maar onleesbaar was geworden, moest Ardea er net van weerhouden
om haar te volgen.
Ardea reageert geschokt en enigszins gekwetst dat haar
vriendin haar niet om hulp heeft verzocht. Ze blijft echter niet bij de pakken
neerzitten en overreedt Haleen om zich aan te sluiten bij de expeditie waar ze
zelf deel van uitmaakt.
Terwijl Haleen en Ardea praten, gaan Vita en Ominan op
verkenning door de kamertjes die achter de deuren in de gang liggen. Ze vinden
echter niet veel bijzonders, en beseffen dat de rest van hun tegenstanders zich
in de centrale hal moeten ophouden.
Ardea heeft inmiddels zoveel mogelijk informatie bij Haleen
ingewonnen, en de laatste heeft ook haar aanbod aangenomen om zich bij de
expeditie aan te sluiten. Volgens haar is er niet veel meer over van de
strijdkracht van Kardswann: enkele smokkelaars houden zich schuil onder de bar,
en van de gnollpopulatie is zo goed als niks over.
Ragna is in de tussentijd aan vreemde emoties ten prooi. De
halfork lijkt te vechten tegen zichzelf: ze voelt binnenin zich weer dezelfde
aanwezigheid, die dringend om aandacht verzoekt. Uiteindelijk komt ze in actie,
en stapt onverschrokken de centrale hal in. De rest volgt haar, ietwat
verbaasd.
Daar treffen ze Kardswann, die van zijn troon is afgedaald,
omringd door een lijfwacht van vier gnolls en de andere gnoll die Vita eerder
zag, die zijn rechterhand lijkt te zijn. Kardswann, gewapend met een enorme
tweehandige bijl, stapt naar voren…
Ragna voelt de aanwezigheid in haar ziel met een diepe
teleurstelling naar de dreigende figuur voor haar kijken, vervuld van droefenis
om Kardswanns val uit de glorie. Reagerend op een steeds sterker wordende
impuls, stapt ze naar voren, haar zwaard geheven op haar twee handen.
“Aanschouw mijn zwaard… Ik ben Vardishal!”, schalt haar stem door de ruimte,
“Kardswann, waarom handelt gij zoals ge doet?”
Kardswann is duidelijk aangedaan door deze woorden, en
begint ongecontroleerd te schokken, alsof hij de beheersing over zichzelf
dreigt te verliezen. Verschillende uitdrukkingen trekken op zijn gelaat langs,
voor hij uiteindelijk stil blijft staan, het zweet over zijn gezicht stromend.
Tussen opeengeklemde tanden brengt hij uit: “Zijn wil is… sterker dan de mijne…
vernietig Xulthos! Xulthos moet vernietigd worden!”
Ragna maakt haar medestanders duidelijk dat ze in dezen
moeten handelen zoals zij opdraagt: Kardswann moet niet gedood, maar geholpen
worden. Niet iedereen voelt zich even gelukkig met dit plan, maar het lijkt
niet het moment om een uitgebreid overleg te beginnen. Wanneer Ragna Haleen en
Ominan sommeert om Kardswann voor zijn eigen veiligheid te gaan vastbinden,
halen ze een touw boven, en gaan erop af.
Maar daar is de lijfwacht van Kardswann helemaal niet mee
opgezet, en ze maken zich klaar om hun meester te verdedigen. Zijn luitenant
gaat meteen in de aanval, en slaat Haleen haar rapier uit handen. Vita wil zo
snel mogelijk reageren, maar schiet overhaast, en haar schot gaat helemaal mis
– haar boog valt uit haar handen.
Ominan en Ragna snellen naderbij, terwijl ook de andere
leden van Kardswanns lijfwacht zich in het gevecht werpen. Haleen krijgt het
zwaar te verduren, en trekt zich even tactisch terug om haar wapen terug te vinden,
terwijl Ragna zich op Kardswanns luitenant gooit. Maar ook zij wordt ontwapend,
en krijgt rake klappen.
Intussen weten Vita en Ardea met gezamenlijke krachten één
van de gnolls neer te halen, terwijl Ominan twee andere bezighoudt. Haleen komt
Ragna bijstaan, maar is te zwaar gewond om nog veel schade te kunnen doen.
Inmiddels slaat Kardswanns luitenant tot overmaat van ramp een genezend drankje
achterover.
Vita richt nu haar pijlen op dit doelwit, en ook Ardea
slingert magische projectielen in zijn richting… niet veel later weten hun
inspanningen dan toch het beoogde doel te bereiken, en hij stort levenloos
neer.
Maar eigenlijk is het al te laat: Kardswann, die tot nu toe trillend en
tandenknarsend op dezelfde plaats stond, slaakt een gepijnigde kreet, en de
smartelijke uitdrukking op zijn gelaat maakt weer plaats voor het harde koude
masker. Een manische lach ontsnapt hem, en meteen zwaait hij zijn bijl richting
Haleen.
Haleen trekt wijselijk terug, maar nu krijgt Ragna het te
verduren: terwijl Kardswann een litanie tegen Vardishal afsteekt wordt ze met machtige
klappen tegen de vlakte geslagen. Twee gnolls storten zich op Ominan en ook de
priester komt in een precaire toestand.
Vita weet echter een van zijn aanvallers aan een pijl te
prikken, Ardea leidt de andere af met een vurige schicht, en zo krijgt Ominan
de gelegenheid om richting Ragna te snellen, en de halfork met voorbijzien van
zijn eigen veiligheid enige broodnodige heling te bieden.
Kardswann is echter woedend om deze interruptie. Andermaal
haalt hij uit met zijn enorme bijl, en Ominan stort meer dood dan levend ter
aarde. Ragna hijst zich half overeind, en steekt met bevende arm nogmaals het
zwaard van Vardishal omhoog. “Aanschouw dit zwaard!”, klinkt haar stem vermoeid
maar verbeten, “hervind jezelf, Kardswann!” Maar Kardswann is te ver heen… de
greep van wat het ook is dat hem in zijn macht heeft, is te sterk. Vol razernij
hakt hij opnieuw in op de weerloze Ragna, die zich vanuit haar positie niet kan
verdedigen.
Zijn bijlslagen bijten diep in haar lichaam, en hakken dwars
door haar beschermende kledij heen. Algauw zweeft ze op de rand van de dood… en
dan dient Kardswann haar een fatale klap toe… Het gezicht van de halfork houdt
nog even haar koppige trek, maar wanneer haar ogen breken, trekt de ontspanning
van de eeuwige slaap op haar gezicht.
Ardea, die net met de laatste gnoll heeft afgerekend, werpt
een vertwijfelde blik op Vita, maar er is niets dat ze nog kunnen doen. Met afgrijzen
hebben ze het lot van Ragna gadegeslagen zonder haar te hebben kunnen helpen.
Met tegenzin besluiten de twee om de aftocht te blazen, en
zo snel mogelijk rennen ze de gevechtsmarkt uit. Kardswann, die zich er eerst
van vergewist of hij de volhardende stem van zijn geweten wel afdoende de mond
heeft gesnoerd, en Ragna werkelijk heeft gedood, zet de achtervolging in, maar
weet hen niet in te halen voor ze in de straatjes van Kelmarane zijn verdwenen.
Inmiddels sleept in de gevechtsmarkt een zwaargewonde Haleen zich richting een
veilig onderkomen…
Wanneer Ardea en Vita langs het huisje van Undrella komen,
heeft de tovenares een heldere inval. Ze rent het huisje in, en brengt de
kruidenvrouw op de hoogte van de nijpende toestand waarin Ominan verkeert. Ze
heeft nog amper de tijd om haar te verzoeken zich ook om Haleen en Ragna te
bekommeren wanneer die nog in leven zijn, voor Undrella haar vleugels uitslaat
en richting de gevechtsmarkt vliegt, op een missie om de nieuwe uitverkorene
van haar hart te redden.
Niet veel later keert Undrella terug met Ominan in haar
armen. Ze strijkt voorzichtig neer en legt de zwaargewonde priester behoedzaam
op haar bed. Pas nadat ze Ominan de nodige drankjes heeft toegediend, zijn
wonden heeft verzorgd met genezende zalfjes, en hem met een innige zoen heeft
gewekt, is Undrella bereid verslag uit te brengen van de situatie die ze
aantrof.
Over Ragna kan ze kort zijn: voor de halfork-krijger is geen
hoop meer – het leven is definitief uit haar gevloden. Van Haleen heeft ze geen
spoor meer gezien.
Ardea voelt enige hoop terugkeren dat haar vriendin nog in
leven is, en nu ze weet waar ze haar kan vinden, is ze vastberadener dan ooit
om Haleen veilig uit Kelmarane weg te halen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.