Dag 8 - vervolg
Voor er weer tot actie kan worden overgegaan, moet er rust
gehouden worden. Ominan heeft tijd nodig om te herstellen en Ardea’s magische
krachten zijn vrijwel uitgeput. Vita die zich nog fris als een hoentje voelt,
stelt zich in stilte vragen over de taaiheid van haar bondgenoten, maar kiest
ervoor dat voor zich te houden. Er wordt dus besloten om tijdelijk naar het
klooster terug te trekken.
Ominan betoont zich inmiddels bezorgd om het lot van
Undrella: zou het niet verstandig zijn dat ze hen vergezelt naar het klooster?
Wat als Kardswann zijn woede op haar komt koelen? De kruidenvrouw wijst dat
meteen van de hand: in een klooster heeft ze niks te zoeken, en Kardswann zal
haar heus niks aandoen. De opgetrokken wenkbrauwen van zijn groepsgenoten
negerend, zet Ominan er dan maar de pas in richting het klooster.
Daar lopen ze algauw Garavel tegen het lijf, die informeert
naar de vorderingen. Ominan begint met het goede nieuws: er is eigenlijk nog
maar één tegenstander van enig belang overgebleven. Garavel betoont zich tevreden,
en wil dat goede nieuws meteen maar met Almah gaan delen. Hij wordt echter in
zijn aftocht gestuit door de stem van Ardea die hem meedeelt dat er ook slecht
nieuws is…
Ook Almah is zwaar aangeslagen door het heengaan van Ragna,
in wie ze net een dubbel gewaardeerd teamlid had gevonden. Het dodental dat
deze expeditie al heeft gekost, begint wel op te lopen…
Maar ze recht uiteindelijk haar schouders, en uit haar
voornemen om ervoor te zorgen dat deze levens niet vergeefs verspild zullen
blijken. Er moet ernstig werk worden gemaakt van het afronden van de expeditie.
Ominan haakt daar meteen soepel op in, en stel t Almah voor
dat het misschien nuttig is wanneer er een massaal offensief wordt ingezet om
met Kardswann af te rekenen. Almah, nog onder de indruk van het nieuws, stemt
verrassend vlot met dit voorstel in, en tevreden begeeft Ominan zich te rusten,
zodat de slaap zijn wonden verder kan helen.
Tegen de avond wordt Ominan wakker, en moet tot de
vaststelling komen dat zijn makkers inmiddels hun eigen bed hebben opgezocht.
Hij gaat de wachters dan maar vervoegen, en maakt hun taken met enige
zegeningen en magische ingrepen iets makkelijker. Hij is net in gesprek met een
jonge wachter die een lichte heldenverering voor hem blijkt te koesteren,
wanneer hij in de verte een lichtje ontwaart. Ook Dullen, de wachter, ziet het
geflakker, en na enige tijd zien ze dat het licht zich opdeelt in vijf punten
die kennelijk toortsen zijn, vastgehouden door een groepje gnolls.
Ominan haast zich om Vita en Ardea te wekken, die met enige
tegenzin uit het bed komen dat ze nog maar net hadden opgezocht. Wanneer Vita
echter hoort dat het over gnolls gaat, reikt ze met enthousiasme naar haar
boog, en posteert zich op een toren, terwijl Ominan en Ardea de vijf tegemoet
gaan.
Net wanneer de vijf binnen schotsafstand zijn genaderd, Vita
haar boog spant, en Ardea haar handen heft om haar laatste magie op deze nieuwe
dreiging af te vuren, springt een onverwachte aanwezigheid tussen de twee
groepen in: het is Dashki, die luidkeels roept dat de gnolls niet aangevallen
mogen worden, omdat ze komen onderhandelen.
De reacties zijn enigszins sceptisch, maar Dashki’s claim
wordt bevestigd door de leider van de gnolls. In een schorre, geblafte versie
van de omgangstaal, verklaart hij Hargk te zijn, gezonden door Narg, de leider van de
Drie Kaken-stam. Ze zijn gekomen om hun hulp aan te bieden bij het uitroeien
van de Kulldis-stam, met wie ze al lang overhoop liggen. Dat die onlangs Kardswann,
een niet-gnoll, als leider hebben aanvaard, was de druppel die de emmer deed
overlopen.
Terwijl Vita op de uitkijkpost geërgerd haar best doet om
haar pijl niet alsnog te laten vliegen, onderhandelt Ominan zakelijk met de
gnolls: ze moeten ermee akkoord gaan dat hun hulp niet betekent dat Kelmarane
aan hun stam toevalt. Wel stelt de priester voortvarend voor dat ze een
handelspost kunnen toegewezen krijgen in Kelmarane.
Ardea, die moe is en zich ernstige zorgen maakt over het lot
van Haleen, reageert amper op het ongewone bondgenootschap, maar suggereert dat
de gnolls misschien beter buiten het klooster hun kamp kunnen opslaan. Ominan
wil ze mee richting de kloostermuren nemen, om ze beter in de gaten te kunnen
houden, maar stuit daarbij op verzet van de wachters. Vita is al even
enthousiast over dit gebabbel met de vijand, en beent geïrriteerd richting haar
bed wanneer ze in de gaten krijgt dat er niet meer geschoten zal mogen worden.
Inmiddels heeft een wachter Almah op de hoogte gebracht, die
in alle staten naar buiten komt. Ze verzet zich op hoge toon tegen het idee dat
ook maar één gnoll een voet in het klooster zou zetten. Ominan kan haar
geruststellen: de gnolls, die niet veel enthousiaster leken over het
bondgenootschap dan zij, hebben zelf besloten de nacht vlakbij Kelmarane te
gaan doorbrengen. Niettemin is Almah
zwaar geprikkeld, en ze deelt geërgerd mee dat dit bondgenootschap, zonder haar
medeweten gesloten, haar goedkeuring niet kan wegdragen.
Ook Ominan en Ardea besluiten uiteindelijk maar om de nodige
rust te gaan nemen – het wordt een zware dag morgen.
Dag 9
De volgende ochtend blijkt Vita helemaal niet opgezet met de
plannen: ze was al geërgerd omdat de gnolls de vorige avond niet mochten worden
afgemaakt, en nu ze hoort dat er ook nog eens een bondgenootschap is gesloten,
voelt ze zich niet bepaald vrolijker.
Ook Almah komt nog een keer haar afkeuring uitspreken: nu de drie ervoor
hebben gekozen om met gnolls samen te werken, houdt ze haar eigen wachters en
soldaten bij zich in het klooster.
Ominan versaagt niet, en gaat bij de ontbijttafel Oxvard en
Felliped opzoeken: zij kunnen dan toch wel op zijn minst bijstand komen bieden.
De twee reageren aarzelend en het is duidelijk dat ze zich zonder fatsoenlijke
wapenrusting helemaal niet opgewassen voelen tegen een confrontatie met de
Nemesis van de Leeuwen van Senara.
Terwijl Ominan nog verwoede pogingen doet om hen alsnog te
overhalen, staat Ardea ongeduldig op. Dit gehakketak heeft wel lang genoeg
geduurd, en de toestand van Haleen kan er niet beter op zijn geworden intussen…
Almah komt hen nog een laatste opdracht meegeven: wanneer
Kardswann verslagen is, moeten de vijf gnolls ook maar afgemaakt worden – die
kunnen nooit goed nieuws zijn. Wanneer Dashki daarbij in de weg loopt, ruimen
ze hem ook maar uit de weg.
Dat komt haar op een ijzige blik uit de vurige ogen van
Ardea te staan. De tovenares die zich duidelijk geërgerd voelt over de luimen
van de handelsprinses, deelt haar in niet mis te verstane termen mee dat er bij
hun engagement alleen is gesproken over het ontruimen van Kelmarane, en niet
over gnollstammen die er niks mee te maken hebben. Almah werpt tegen dat de
gnolls toch niet te vertrouwen zijn, en zich vroeg of laat tegen hen zullen keren,
waarop Ardea verklaart dat ze dan en alleen dan wel afdoende met hen zullen
afrekenen.
Met Dashki in hun kielzog vertrekken de drie richting
Kelmarane, in een ongemakkelijke stemming. Vita is nog steeds wat knorrig, en
Ominan en Ardea zijn zich akelig bewust van het feit dat ze de enige nog
levende leden zijn van het oorspronkelijke gezelschap, dat nu in feite
gehalveerd is.
Ze maken een tussenstop bij Undrella – Ominan hoopt haar te
overhalen om hun gelederen te komen versterken, maar dat wijst de kruidenvrouw
verontwaardigd van de hand. Ominan moet zich haar liefde waardig betonen en
zelf afrekenen met zijn rivaal.
Bij Kelmarane aangekomen, treffen beide partijen van het
ongemakkelijke bondgenootschap elkaar. Alleen Dashki wordt hartelijk begroet,
verder zijn de blikken over en weer behoedzaam.
In eerste instantie gaat Vita op verkenning. Ze sluipt
omzichtig binnen, en snuffelt rond, maar treft geen levend wezen aan, en kan
niks dan dat rapporteren wanneer ze terugkomt. Daarop beduidt Ominan de gnolls
dat zij wel naar binnen kunnen gaan om op zoek te gaan naar overgebleven
gnolls, een taak die ze graag op zich nemen.
Inmiddels gaan de drie de gang met deuren verkennen waar ze
de vorige dag strandden. Nadat ze een lege wachtkamer hebben verkend, treffen
ze een vergrendelde deur. Ominan, ook niet meer de kalmte in persoon na alle
lotgevallen van de afgelopen dagen, wil meteen het slot maar met brute kracht
aan stukken slaan. Op een suggestie van Ardea probeert Vita eerst de sleutels
die ze in haar bezit heeft, en zowaar: de deur zwaait open.
In de kamer daarachter treffen ze een merkwaardige
verschijning. Een wat verwarde jongeman springt op van het bed, en vraagt hen
waar hij zich bevindt, en of hij al in Kelmerina is. Hij wordt door drie
verbijsterde gezichten aangestaard, voor iemand hem duidelijk maakt dat hij in
KelmArAnE is. Met een sip gezicht vertelt de jongeman hen dat hij op weg was
naar het Regenboogtoernooi in Kelmerina en er dus iets helemaal misgegaan is.
Toen hij Kelmarane binnentrok, werd hij hardhandig bewusteloos geslagen en
ontwaakte in deze cel.
De avonturiers vragen zich af of ze deze figuur wel kunnen
vertrouwen, maar komen eenparig tot de conclusie dat er geen kwaad in hem lijkt
te steken wanneer hij zich zwierig voorstelt als de Roze Ridder, en zijn
redders meedeelt dat hij klaar is om hen een wederdienst te verlenen en hen te
helpen met wat voor queeste ze dan ook bezig zijn.
Onder het motto ‘als we met gnolls kunnen samenwerken, kan
dit er ook wel bij’ wordt de Roze Ridder in de gelederen opgenomen, en kort op
de hoogte gesteld van het doel: Kardswann moet tegengehouden worden.
De volgende kamers blijken voornamelijk leeg, al zijn er
twee die gemeubileerd zijn en kennelijk enige tijd bewoond werden.
Ze trekken dan maar behoedzaam richting de centrale ruimte,
die ze de vorige dag maar gedeeltelijk hebben kunnen zien. Het lijkt er
helemaal verlaten, tot ze verscholen achter de bar een gnoll aantreffen. Hij
wordt door Ominan enige tijd ondervraagd, maar wanneer de verschrikte gnoll niet
snel genoeg met antwoorden op de proppen komt, roept Ominan er de Drie
Kaken-gnolls bij en laat ze met de gnoll afrekenen.
Vita heeft niet veel medelijden met het wezen, maar vraagt
toch sceptisch of hij niet wat verder ondervraagd had moeten worden. Ominan
haalt zijn schouders op: hij heeft weten los te krijgen dat Kardswann zich in
de tempel verschuilt, meer lijkt hem niet van belang. Ardea loopt de informatie
die zij heeft gekregen met gemengde gevoelens te beschouwen: Haleen is
kennelijk zwaargewond maar in leven door de smokkelaars meegedragen.
Niet van plan om het woord van een gnoll klakkeloos aan te
nemen, spoedt Vita zich naar de eerste verdieping om die grondig te gaan
onderzoeken. Daar treft ze lege ruimtes die ooit winkels waren, en ook een stuk
met banken dat ooit als plaats voor een orkest bedoeld was. Onder één van de
pauken vindt ze nog een mooie zilveren fluit.
Ominan en Ardea houden even halt bij het lichaam van
Ragna. Ze besluiten hun strijdmakker later de laatste eer te bewijzen door haar
een uitvaart te schenken die haar waardig is: nadat ze met Kardswann hebben
afgerekend, zullen ze om haar eer te bewijzen een brandstapel bouwen en haar ziel
door het vuur laten bevrijden uit het lichaam dat ze moet achterlaten.
Vita is inmiddels verder aan het snuffelen en treft een
merkwaardig alchemistisch apparaat met zeven naalden, één van de weinige dingen
die niet met stof bedekt zijn. Ze vindt dat het een wat gevaarlijke uitstraling
heeft en overweegt even om het aan stukken te slaan, maar besluit dan om het
voorlopig maar links te laten liggen.
In een laatste kamer treft Vita een trap naar boven, die ze
dan maar volgt, terwijl inmiddels haar makkers beneden eveneens op onderzoek
zijn. Nog meer winkeltjes en kraampjes worden aangetroffen. In één daarvan is
een heel arsenaal alchemistische spullen opgeslagen, waaronder de nodige
verdovende middelen.
Daarna bereikt ze het hoofdkwartier van de wacht, met de aangrenzende slaapkamers. Er staat ook een kist waarin ze een ware
verzameling buit treft, waaronder spullen die duidelijk ooit aan de Leeuwen van
Senara hebben toebehoord.
Verderop vindt ze ook een rijker gemeubileerde
slaapkamer, die haar na enige inspectie het vertrek van Kardswann lijkt te
zijn. Wanneer ze zijn vertrek nader onderzoekt, treft ze onder het bed een kist
waarin ze Kardswanns goud en edelstenen vindt. Na even een gewetenskwestie te
hebben doorworsteld – pikt ze uit de kisten eerst wat ze zelf wil hebben, of
deelt ze haar vondsten? – roept ze de rest van de groep erbij.
Ominan en Ardea voelen bij de kist meteen een kluwen van
magische aura’s en zetten zich aan de taak om uit te zoeken welke voorwerpen ze
voor zich hebben. Vita draait onrustig kringetjes om hen heen, en wil er zeker
van zijn dat geen dingen in andermans zakken verdwijnen waar ze zelf haar
zinnen op had gezet, maar wordt door de priester en de tovenares weggewuifd. Ze
gaat zich dan maar samen met de Roze Ridder vermaken door op de drie tronen te
gaan plaatsnemen.
Intussen worden de magische voorwerpen geanalyseerd en wordt
duidelijk dat enige daarvan bezittingen van de omgebrachte Leeuwen van Senara
moeten zijn geweest. Eenparig wordt besloten dat de voorwerpen geen waardiger
doel kunnen dienen dan het wreken van hun voormalige dragers.
Zo kan Vita een glanzende dolk op zak steken, al waagt ze
nog een spijtig oog aan de mantel die de Roze Ridder krijgt toebedeeld. Tegen
de tijd dat de mantel Ardea’s handen verlaat, heeft die echter een mooie roze
tint aangenomen, waarvoor de Roze Ridder haar hoffelijk bedankt, en neemt Vita
genoegen met haar minder opvallende deel van de buit. Ominan en Ardea legen
inmiddels beslag op een aantal magisch geladen sieraden, en zo voelt iedereen
zich gesterkt om de strijd met Kardswann weer aan te gaan.
De vier trekken richting de tempel, maar worden afgeleid
door beweging op de nabij gelegen begraafplaats. Ominan ziet daar vlakbij een
standbeeld van Sarenrae een geknielde figuur, en spoedt zich bezorgd richting
deze geloofsbroeder. Hij wordt echter onaangenaam verrast door een gezicht dat
wegsmelt om een grijzende doodskop te onthullen, die zijn lege oogkassen
hongerig op de vier richt.
Vita reageert koelbloedig en vuurt meteen een pijl af, die
klettert tegen de ribbenkast van het aanstormende skelet, terwijl Ardea weer
haar magische projectielen in de strijd gooit. Het skelet is echter niet zomaar
te stuiten en is op Ominan afgedenderd, de priester flink verwondend met twee
klauwachtige handen. De Roze Ridder meent te hebben begrepen dat hier sprake is
van De Confrontatie en stormt onder de kreet ‘Kardswaaannnnn’ op het
strijdtoneel af.
Ominan doet een beroep op de kracht van zijn geloof, en
wordt vervuld van het licht van Sarenrae, dat het skelet een gevoelige schok
bezorgt, waarna de Roze Ridder, zwaaiend met zwaard en schild, de genadeklap
toedient en het skelet als een knekelig kaartenhuisje in elkaar valt.
Wanneer het geluid van wegkletterende botten is
weggestorven, hoort Ominan een stem in zijn hoofd, die van het standbeeld lijkt
te komen. Hij knielt er neer, en voelt zich vervuld van de nabijheid van zijn
godin die hem met goedkeuring vertelt dat hij waardig is bevonden. Een sterk
gevoel van bescherming en kracht stroomt door hem heen, en het lijkt alsof
alles helderder wordt.
Ominan staat weer op, en weet wat hem te doen staat. Hij zegent
zijn groepsgenoten, stapt op de tempel toe, en verheft zijn stem: “Kardswann!
Kom naar buiten, jij schurftige hond!” Even is het ijzingwekkend stil – op het
gefluister van de verbaasde Roze Ridder na.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.