zondag 4 mei 2014

22 april 2014

Dag 1

Op een dag zit Vita met de net weergekeerde Roze Ridder en Ardea te praten over haar zorgen: de aanvallen van gnolls lijken almaar toe te nemen. Ze heeft het idee dat ondanks haar inspanningen hun brutaliteit steeds groter wordt.
Ze worden onderbroken door hun bediende, die komt melden dat er iemand aan de deur is: een wachter van prinses Almah, die hen haar verzoek komt overbrengen om zich bij haar te melden in de gevechtsmarkt. Ardea informeert naar de reden van dit plotse verzoek en krijgt te horen dat er een urgente zaak is die hun aandacht vraagt: er is met de laatste karavaan een man meegekomen die hen dringend wil spreken. Ze wil de wachter naar de tempel sturen om de abt-beschermer op te halen, maar de Roze Ridder is al overeind gesprongen om die taak enthousiast op zich te nemen.
Even later komen Vita en Ardea in de taveerne van de gevechtsmarkt aan, en voegen de Roze Ridder en een licht geïrriteerde Ominan die bij het bidden werd gestoord, zich bij hen. Aan een tafeltje treffen ze Almah, die in gezelschap is van een lange, kaalhoofdige man, die de tatoeage van een zon op zijn voorhoofd draagt. De tekening lijkt te pulseren, en Ominan werpt er een aandachtige blik op, voor zijn aandacht wordt afgeleid door de indrukwekkende kinbaard van de man. Ominan strijkt humeurig over zijn eigen bescheiden sik, en kijkt de man ietwat vijandig aan.
De reiziger trekt zich er niet al te veel van aan en stelt zich voor als Shams al-Din, een reizend prediker in dienst van Sarenrae. Ominan betoont zich meteen wat toeschietelijker bij deze verklaring. De vier nemen op uitnodiging van Shams al-Din plaats en hij biedt hen iets te drinken aan. Almah spoort de man aan om zijn verhaal te doen, en hij steekt van wal met zijn relaas.
Shams al-Din is een reiziger die het licht zo goed mogelijk verspreidt waar hij kan. Bij tijd en wijle richt Sarenrae een boodschap tot hem, die hij moet overbrengen aan mensen die kennelijk van belang zijn in haar plannen. Vandaag is hij hier om de vier avonturiers een dergelijke boodschap te brengen. Bij de Bleke Berg zijn de gnolls zich aan het samentrekken: de ene na de andere stam sluit zich bij een soort collectief aan, dat onder leiding staat van de Kadaverkoning, die kennelijk de macht heeft alle onderlinge geschillen te onderdrukken. Het lijdt weinig twijfel dat hij een offensief voorbereidt op Kelmarane, als vergelding voor de vernietiging van de Kuldisstam, een jaar geleden.
Almah is ten volle doordrongen van de ernst van de situatie. Kelmarane is nog maar net uit het stof aan het herrijzen, en nu wordt het alweer bedreigd… hier moet zo snel mogelijk actie worden ondernomen. Ook Shams al-Din dringt daarop aan: door tijdig handelen, kan een massa aan bloedvergieten voorkomen worden, en blijven onschuldige levens gespaard. De Kadaverkoning moet vernietigd worden, zodat het onnatuurlijke verbond weer uit elkaar valt.
Wanneer Ardea informeert naar het gebied van de Bleke Berg blijkt daar maar weinig over bekend. Reizigers blijven er uit de buurt, het is er veel te gevaarlijk. Shams al-Din weet alleen nog te vertellen dat de Kadaverkoning zich moet ophouden in een oude tempel, die ‘het Huis van het Beest’ wordt genoemd.
Ominan begrijpt meteen de implicaties: ‘het Beest’ is de bijnaam van Rovagug, god van de vernietiging en vijand bij uitstek van zijn goedgunstige godin. Hij toont zich onmiddellijk bereid zijn kromzwaard weer op te nemen om het in haar dienst te stellen. Vita is gewonnen voor een aanpak die efficiënt met de gnolls zal afrekenen – ze heeft de laatste maanden duidelijk genoeg gemerkt dat die zeker niet alleen een gerucht is. De Roze Ridder en Ardea zijn eveneens klaar om hun krachten met die van hun makkers te bundelen: ze voelen zich inmiddels betrokken bij het lot van Kelmarane en willen hun titel van ridder-beschermer eer aandoen.

Shams al-Dins aandringen op spoed heeft effect: er wordt niet lang getreuzeld met het vertrek. Ieder verzamelt zijn wapens en reisbenodigdheden en zadelt zijn rijdier. Nog dezelfde dag rijden de vier avonturiers Kelmarane uit. Ominan verzoekt om een extra halte – hij duikt nog even het huisje van Undrella in, waar hij uit terugkomt met een handvol genezende drankjes. Dat redt hem echter niet van de nodige opgetrokken wenkbrauwen wanneer blijkt dat hij zich binnen inmiddels ook even heeft omgekleed.
Maar dan vertrekt de groep toch echt. Almah heeft hen gesuggereerd een oude handelsroute te nemen voor het eerste deel, daarna kunnen ze de rivier volgen. De weg begint al snel gestaag te stijgen: ze bevinden zich al gauw in de uitlopers van de Bleke Berg. Het pad klimt omhoog tegen een rotshelling aan, met aan de andere zijde een steile kloof. 
Na goed een mijl zien ze een poortgebouw dat over de weg is gebouwd. Een groepje mannen is er aan het werk: het blijken werklieden van Kelmarane die herstellingen aan het gebouw komen doen.
De ridder-beschermers worden herkend, en er wordt meteen om hun hulp verzocht: de wachter die voor hun veiligheid moest instaan, is een uur geleden op onderzoek gegaan naar beneden in de kloof, waar een waterval zich naar beneden stort. Hij had beweging bespeurd bij de poel en wilde uitzoeken wat er gaande was, maar is niet meer teruggekomen, en de werklieden maken zich zorgen.
Er wordt kort gedebatteerd over het relatieve belang van deze kwestie versus de queeste die ze aan het ondernemen zijn, maar daarna besluit de groep om op onderzoek uit te gaan. Vita trekt haar betoverde slippertjes weer eens aan, zodat ze langs de wand naar beneden kan rennen en de Roze Ridder en Ardea kunnen dankzij hun magische ringen eenvoudigweg naar beneden springen. Het wachten is alleen nog op Ominan die naar beneden moet klimmen.

Rond de poel treffen ze een aantal totempalen aan, waarop gnollschedels zijn bevestigd, en die met kleurige symbolen zijn versierd. Wanneer ze de poel naderen waarin de waterval naar beneden valt, alvorens de rivier zich verderzet, begint er ineens een mist uit het water op te stijgen. Lichtjes dansen boven het wateroppervlak  en een spookachtig gelach klinkt op uit de nevels.
Vita en Ardea reageren met een pijl en een vuurschicht, maar die suizen door de lichtjes en mist heen, zonder dat er iets verandert. Ominan besluit de zaak van naderbij te gaan bestuderen, en springt het water in. Tot verbazing van zijn makkers begint hij, zodra hij de lichtjes nadert, onbedaarlijk te lachen. Het spookachtige gelach en dat van Ominan vermengen zich en de drie anderen hebben het gevoel dat hier iets helemaal mis aan het gaan is.
De Roze Ridder haalt een touw boven, maakt het aan een van de totempalen vast als ankerpunt, en werpt Ominan het andere eind toe: de priester lijkt immers zodanig in de greep van zijn lachbui dat hij zich nog maar amper boven water kan houden. Hij weet het touw te grijpen, maar slaagt er niet in zichzelf naar de kant te trekken.
De scherpe ogen van Vita hebben intussen toch een stoffelijke tegenstander ontwaard: net boven het wateroppervlak ziet ze twee ogen en de bovenkant van een hoofd, waarop wier gedrapeerd lijkt. Twee handen komen boven het oppervlak uit en volvoeren de gebaren van wat een magische bezwering lijkt. Ze hoort tussen het gedruis van de waterval door ook enkele mystieke woorden die haar indruk bevestigen. Vita vuurt een pijl af, maar mist het wezen helaas.
Het volgende moment is de Roze Ridder in de greep van een dwingende gedachte:  het wezen onder water lijkt hem vriendelijk uit te nodigen het water in te komen, en hij voelt zich niet in staat die uitnodiging te negeren. Zonder aarzelen springt ook hij het water in. Eenmaal diep in de poel wordt hem duidelijk dat dit bepaald geen idee was dat uit hemzelf kwam, maar het is al te laat: onder water bewegen geheimzinnige tentakels, en die grijpen zijn benen vast.
Ardea heeft Vita zien aanleggen en schieten, en kan nu ook het waterwezen ontwaren. Ze vuurt er eerst een duizelingwekkende uitbarsting van kleurige lichten op af, maar die lijken in de mist verloren te gaan. De tovenares gaat dan maar over op minder subtiele middelen en balt haar krachten samen in magische projectielen die ze op het waterwezen afslingert.
Ominan heeft inmiddels het dwangmatige gelach kunnen afschudden en weet zich uit het water te hijsen. De Roze Ridder is er slechter aan toe: hij wordt onder water getrokken door de grijparmen die hem bij zijn benen hebben. Tot overmaat van ramp is ook Vita in de greep van de betovering die de Roze Ridder het water inlokte, en duikt op haar beurt de poel in. Ze weet gelukkig door haar snelle reflexen te vermijden dat haar benen worden vastgegrepen, en krijgt het touw te pakken. In plaats van zichzelf in veiligheid te brengen, zwemt ze echter dapper op de Roze Ridder af om hem te helpen.
Inmiddels vuurt Ardea haar volgende salvo magische projectielen op het waterwezen af, dat er inmiddels slecht aan toe is. Wanneer ook Ominan een ijzige magische straal op het wezen afvuurt, zakt het stilletjes weg onder water. De lichtjes verdwijnen en de mist begint op te trekken.
Vita heeft de Roze Ridder intussen onder de arm gegrepen, en trekt hem met zich mee richting de kant. Ardea biedt ze hulp door aan het touw te trekken, en algauw staat iedereen weer op het droge.

De dreiging vanuit het water lijkt geweken, maar de wachter is nog steeds niet gevonden. Een wat nauwkeurigere zoektocht in de buurt van de totems levert niets op: hier is de man alvast niet. Vita herkent echter wel de tekens die erop geschilderd zijn, nu ze ze van nabij ziet. Het zijn waarschuwingstekens die gnolls voor elkaar achterlaten bij gevaarlijke plekken.
De enige logische plek waar de wachter nog kan zijn is op de bodem van de poel, of eventueel achter de waterval. Ominan grijpt een steen, omhult die met een magisch licht, en slingert hem dwars door de waterval. Hij lijkt niet meteen op een rots te botsen, en gaat daarentegen dwars door het watergordijn heen. 
De voortvarende priester besluit meteen om op onderzoek te gaan, en laat zich nog net op tijd door Ardea een touw om zijn middel knopen als voorzorgsmaatregel. Het blijkt overbodige moeite: de stroming is te sterk, en de priester komt er niet doorheen.
De Roze Ridder waagt een poging, en weet zich door de waterval heen te werken. Aan de andere kant treft hij een bewusteloze man die op een grotrichel ligt. Hij haast zich naderbij om de eerste zorgen toe te dienen en begint vanzelfsprekend met mond-op-mond-beademing. Dit lijkt echter niet helemaal het gewenste effect te hebben, dus hij roept Ominan en de anderen ter hulp.
De drie werken zich met behulp van het touw door de waterval heen, en Ominan dient met wat meer kennis van zaken eerste hulp toe: eerst moet het water uit de longen van de man worden geperst, daarna kan er pas sprake zijn van zuurstof toedienen. De Roze Ridder hoeft echter niet nogmaals in actie te komen, de wachter komt alweer proestend bij, en vraagt verward wat er allemaal gebeurd is.  
Nadat hij weer wat tot zijn positieven is gekomen, wordt de wachter richting de werkmannen begeleid, maar daaraan voorafgaand neemt Ominan nog even de tijd om alle totempalen af te breken en de rivier in te gooien. Hij heeft geen boodschap aan de rituelen van de gnolls die in duisternis lopen en het licht van Sarenrae niet omhelzen.
Terug bij het poortgebouw aangekomen, worden de vier dankbaar onthaald door voorman Rachid, die hen nog een kop warme thee aanbiedt voor ze weer verder moeten gaan. Hij vraagt bezorgd of het gevaar nu effectief geweken is. Ardea raadt hen aan om toch maar uit de buurt van de poel te blijven: het wezen zou immers alleen tijdelijk verslagen kunnen zijn, en suggereert dat iemand misschien in Kelmarane hulp kan gaan halen voor de gewonde wachter: momenteel zijn de werkmannen niet bijster goed beschermd.

De vier hebben geen tijd om zich nog verder met deze kwesties bezig te houden: hun belangrijke taak wacht. Ze zetten de reis verder, en na een tiental mijl verlaten ze het pad om de loop van de rivier richting het westen te volgen, nadat ze een zijarm zijn overgestoken.
Tegen het eind van de dag komen ze bij een kloof, die door de rivier wordt doorsneden. Ze besluiten dat dit een mooie plek is om hun kamp voor de nacht op te slaan – het is al een lange dag geweest. 
Met het oog op de onrustige omgeving loopt ieder om beurten wacht.
Rond middernacht hoort Vita, die met haar ronde bezig is, ineens vanachter zich iemand naderbij sluipen. Ze draait zich niet meteen om, zodat ze eerst goed zijn richting kan lokaliseren, en springt dan geruisloos overeind. Ze ziet tot haar verbazing een klein, lichtblauw mannetje, met wild haar en grote, bolle ogen naderen…


zondag 20 april 2014

25 maart 2014

Dag 10 – vervolg II

Xulthos neemt er geen genoegen mee om zijn duistere geestbeïnvloeding uit te oefenen, hij stort zich ook nog eens op de Roze Ridder, die zware bijtwonden oploopt van zijn machtige insectkaken. De ridder verdedigt zich zo goed hij kan, en hakt met zijn zwaard op het demonische insect in. Inmiddels blijft Ardea magische projectielen op de demon afvuren, die met onhoorbare klappen inslaan, terwijl Vita’s pijlen als een dodelijke regen door de lucht zoeven.
Ominan ziet dat de Roze Ridder zich in een moeilijke situatie bevindt, danst naderbij en lanceert een aanval op de demon die jammerlijk mist, maar niets dan een afleidingsmanoeuvre blijkt voor een dosis helende energie die hij op de Roze Ridder loslaat. Xulthos kan deze interventie maar matig waarderen, en stort zich ogenblikkelijk op het nieuwe gevaar: met klauwen, angel en kaken bedreigt hij de priester. Maar Ominan is niet voor één gat te vangen, en hult zich in een gezegende gloed waardoor hij met haast onmenselijke reflexen voor elke aanval kan wegbuigen.
De Roze Ridder werpt zich intussen met hernieuwde kracht in de strijd, maar valt ten prooi aan de iriserende patronen op het skelet van Xulthos, en zijn aanvallen missen hun doel. Ook Vita is weer aan verwarring ten prooi en staat zinloos voor zich uit te brabbelen, in koor met Oxvard, die haar enkele ogenblikken later als een dolle aanvalt. De reflexen van de halfelf zijn echter diep genoeg ingesleten om zelfs in haar huidige toestand soepel voor zijn aanval weg te duiken.
Ominan strijdt zij aan zij met de Roze Ridder verder, en weet verscheidene malen een beroep op de kracht van zijn godin te doen om opgelopen wonden zich weer te doen sluiten. De inspanningen van de twee krijgers houden de aandacht van de demon volledig gevangen, en ze fungeren zo als een verdedigingslinie voor Ardea: de tovenares maakt van haar gunstige positie gebruik om haar magische aanval met verdubbelde kracht verder te zetten: het ene na het andere projectiel slaat gaten in het glanzende exoskelet van de demon.
De strijd nadert een breekpunt: Vita lijkt ten prooi aan steeds grotere verwarring en brengt zichzelf een flinke houw toe met haar zwaard, terwijl Xulthos zich nogmaals met al zijn dodelijke ledematen op Ominan stort. De priester stort bloedend ter aarde, en na enkele ogenblikken is het duidelijk dat hij niet meer beweegt. Het blijkt een wanhoopspoging van Xulthos om de gelegenheid te krijgen weg te vluchten. De Roze Ridder houdt echter het hoofd koel: hij hakt de vluchtende demon de kop af, en snelt dan naar de zijde van Ominan. Hij legt het hoofd van de bewusteloze priester teder op zijn arm, dient hem een versterkend drankje toe, zodat de verraste priester net op tijd de ogen opslaat om het gezicht van de Roze Ridder gevaarlijk naderbij te zien komen om zijn zorgen te bezegelen met een warme zoen.
Nadat Ominan sputterend overeind is gesprongen, marcheert de Roze Ridder opgetogen en licht euforisch richting het kadaver van Xulthos en rukt er een poot af die hij triomfantelijk als trofee boven zijn hoofd houdt. De rest kijkt inmiddels verbaasd rond naar de veranderde kamer: het is niet langer een grot, maar een vertrek dat meer thuishoort in de cryptes van de tempel. Xulthos’ aanwezigheid had kennelijk een illusie op de ruimte gelegd die nu is opgeheven.

De avonturiers komen vermoeid maar zegevierend bij Almah terug, die gespannen hun relaas aanhoort, en een zucht van verlichting slaakt wanneer ze begrijpt dat de dreiging die zolang boven Kelmarane heeft gehangen, eindelijk onschadelijk is gemaakt, al heeft het dan ook kostbare levens gekost…: Avellana zal nooit de vrijheid die haar in het vooruitzicht was gesteld, kunnen smaken en Ragna heeft nooit de gelegenheid gekregen om te ontsnappen aan de woede die ze in haar korte leven had opgebouwd…
Maar er is ook reden tot vreugde: Kelmarane is bevrijd, en dat is te danken aan de vier die hier verenigd zijn. Ze krijgen hun beloofde beloning uitgereikt, maar daarbij houdt Almahs waardering niet op. Ze worden alle vier benoemd tot ridder-beschermer van Kelmarane. Als blijvend bewijs van haar waardering krijgen ze bovendien het mooie huis bij de haven als geschenk, dat hen tot verblijfplaats kan dienen wanneer ze in Kelmarane wensen te verblijven: ze zijn vanaf nu geëerde burgers van de handelsstad die dankzij hen weer kan floreren.


Naspel
De vier nemen hun intrek in het prachtige huis dat hen is toegekend, en vinden in de daaropvolgende maanden weer hun weg in een wat ‘normaler’ bestaan.

Ominan, die zich met zoveel kracht heeft ingezet om Kelmarane terug onder de bescherming van Sarenrae te brengen, wordt door de hooggeplaatste priester van Sarenrae die algauw in de bevrijde stad arriveert, als een zeer gewaardeerde medewerker aanvaard. Als abt-beschermer zet Ominan zijn inspanningen verder om het licht van Sarenrae steeds verder te laten reiken in dit schemerige gebied. Vaak wijdt hij nog een gedachte aan de bewogen periode die hem op deze positie heeft gebracht, wanneer hij verpoost bij het altaar waarop hij zijn trouwe kromzwaard aan Sarenrae heeft opgedragen.

Vita is niet zo meteen overtuigd van de werkelijke veiligheid in Kelmarane. Ze heeft het onrustige gevoel dat met de gnolls niet werkelijk is afgerekend, en voelt zich genoopt alles te doen wat ze kan om de stad weerbaar te maken. Ze neemt het op zich om de kinderen in de stad te leren spoorzoeken en boogschieten, zodat er steeds meer inwoners zullen zijn die in staat zijn een nakende aanval te herkennen en af te slaan. Tijdens haar verkenningsrondes buiten de stad treft ze wel eens een vijandelijk groepje gnolls, dat onveranderlijk valt onder haar pijlen. En na enige tijd hoort ze ook geruchten over karavanen die door gnolls werden overvallen. Een bezorgde Almah geeft Vita uiteindelijk een officiële functie: haar patrouillerondes doet ze vanaf dan in dienst van de stad.

Ardea zet het doel dat haar voor ogen stond toen ze naar Kelmarane kwam, verder: nu Haleen gezond en wel is, is het zaak dat zo te houden. Haleen moet haar schulden aflossen, als ze niet weer in dergelijke omstandigheden terecht wil komen, en Ardea is vastbesloten haar daarbij te helpen. In eerste instantie nemen ze samen weer lijfwachtklussen aan, zoals ze deden voor het hele gebeuren. Dankzij Haleen komt Ardea echter ook in contact met haar in de schaduw opererende makkers: de smokkelaars. De tovenares die niet echt overdreven veel last heeft van strikte morele bezwaren, begeeft zich steeds dieper en soepeler in het netwerk, waardoor ze de hand kan leggen op meer uitheemse producten dan langs de gebruikelijke kanalen de stad binnenkomen, een nuttige en soms ook wel lucratieve aangelegenheid. Op een bepaalde avond legt ze op al even weinig wettige wijze ook de hand op een ander object: ze sluipt de kamer van abt-beschermer Ominan binnen, en ontvreemdt daar een boek dat er stoffig en ongelezen bijligt: ‘Hoven van Steen en Vuur’, het boek over elementaire geesten dat Ominan in de kloosterbibliotheek vond en haar meteen al intrigeerde. Tijdens ettelijke studie-uren bladert ze door de verhalen over de vuurwezens met wie ze een verwantschap voelt, maar pikt ook extra informatie op over de Tempeliers van de Vijf Winden, met wie de avonturiers tijdens hun belevenissen geconfronteerd zijn…

De Roze Ridder inmiddels kreeg het al na enkele weken te kwaad. Het Regenboogtoernooi dat hij gemist had, wordt bij het begin van elk seizoen georganiseerd, en hij wil het niet nog eens missen: de fiere ridders, de modieuze gewaden, denderende paardenhoeven, vlag en wimpel en geheven lansen – wat wil iemand nog meer? Hij neemt dus afscheid van zijn makkers en gaat op pad. Helaas blijkt het richtingsgevoel van de Ridder niet erg sterk ontwikkeld, en pas na enige maanden van omzwervingen treft hij een vriendelijke ziel die hem weer op het goede pad kan zetten. Vol goede moed knoopt hij de aanwijzingen goed in zijn oren, en trekt vastberaden rechtstreeks richting Kelmerina… of dat denkt hij… want tot zijn ontzetting ziet hij enige maanden later een al te bekende horizon opdoemen: hij is weer terug bij Kelmarane.

De stad waar de Roze Ridder ontmoedigd doorheen sjokt is inmiddels zachtjesaan tot bloei aan het komen. Inmiddels zijn er een 500-tal inwoners, en Kelmarane is een relatief veilig en welvarend gebied geworden. Alleen ’s nachts draaien Vita, Ominan en Ardea zich soms onrustig om in hun bed, in de vage weet dat hun avontuur nog niet afgelopen is: dan klinkt vanuit de verte een ijzingwekkend gehuil dat over de vlakte weergalmt.  

dinsdag 25 maart 2014

7 maart 2014

Dag 10 - vervolg

Gezien de schatkamer een doodlopend punt lijkt te zijn, keert de groep weer terug naar de kamer met de put. Nu alles verder verkend is, zit er niets anders op dan in de put af te dalen. Ardea’s vurige ogen reiken verder dan die van haar kameraden en ze kan hen waarschuwen dat de bodem van de put inmiddels lager ligt dan te voren – de put is inmiddels zo’n 60 voet diep, maar beneden ziet ze nu een grotere ruimte, waar voorheen slechts een bodem te zien was.
Vita maakt gebruik van de magische slippers die ze zich eerder heeft weten toe te eigenen, en snelt lichtvoetig naar beneden. Daar treft ze een kamertje, dat leeg lijkt te zijn. Er vertrekt een gang uit, die leidt naar een traliehek, waarachter een gang met nissen aan weerszijden ligt.
Haar gezellen volgen haar vrij vlot naar beneden. Zowel de Roze Ridder als Ardea kan beroep doen op een magische ring, en beiden zweven waardig en rustig naar de grond, terwijl Ominan en Oxvard zich als echte mannen van de daad langs een touw naar beneden werken.

Het is al gauw duidelijk dat ze voorbij het traliehek zullen moeten, al heeft Vita enig protest aan te tekenen: dat hek zal daar toch wel met een goeie reden zitten? Maar ze wordt genegeerd: ze zijn hier om met een demon af te rekenen, en een onnozel hek zal hen niet tegenhouden.
De Roze Ridder stroopt zijn elegante roze mouwen op en gaat aan het werk: hij probeert het hek omhoog te trekken, tegen het verroeste ophaalmechanisme in. Zijn gespannen spieren en bezwete gezicht hebben helaas niet het gewenste effect: het hek gaat niet omhoog… en Ominan lijkt al evenmin erg onder de indruk. Met vereende krachten lukt het uiteindelijk wel: het roestige hek schuift ratelend omhoog, en ze kunnen de gang in.
De vijf gaan behoedzaam verder, en onderwerpen elke nis aan een onderzoek. Ze treffen er echter niets meer aan dan dode lichamen die in vergane stof zijn gekleed. Wanneer ze bij een bocht in de gang komen, horen ze echter ineens geluiden. Niet alleen voor zich… maar ook achter zich, uit de nissen die leeg leken te zijn.
Al gauw verschijnen er drie schuifelende zombies in de gang, die met verrassende snelheid naderen. Ardea en bestookt de levende lijken met zuurkogels, Vita voegt er haar pijlen aan toe, maar die worden door de zombies onvermoed lenig ontweken. Vita legt zonder verpinken opnieuw aan, maar wanneer één van de zombies haar toefluistert ‘blijf bij ons… blijf bij Xulthos…’ brengt zijn grafadem haar dusdanig van de wijs dat haar pijl de wand raakt in plaats van het beoogde doel. Ze laat haar boog vallen, en grijpt haar zwaard, maar heeft daarmee niet veel meer geluk.
De Roze Ridder komt echter toesnellen, en slaat het lijk met één forse klap neer. Het lijkt even dood, en nu voorgoed… maar komt dan weer overeind, klaar om de strijd verder te zetten. Ominan, misschien nog wat moreel ontdaan door het feit dat hij de heiligheid van de schatkamer heeft geschonden, raakt bij deze aanblik in de greep van paniek, en zet het op een rennen. Een van de zombies probeert hem in het voorbijgaan te grijpen, maar hij weet de klauw af te schudden, en stormt richting de uitgang.

Zijn achtergebleven vrienden voeren inmiddels een schijnbaar eindeloze strijd. De Roze Ridder slaat een zombie neer met zijn schild, Ardea vuurt vuurpijlen af en weet een tweede neer te halen… maar inmiddels staat de eerste zombie alweer overeind. Vita, wiens pijlen hun doel blijven missen, voelt zich helemaal niet meer opgewassen tegen de situatie, en neemt op haar beurt de vlucht. Ook Ardea, wanneer ze haar tegenstander andermaal ziet opstaan, wordt door paniek bevangen: deze onnatuurlijke aanvallers lijken door niets te stuiten. Oxvard slaat een derde zombie neer, die meteen weer oprijst, en de Roze Ridder verliest op zijn beurt alle hoop: ook hij zet het op een lopen.
Vita rent richting de uitgang, en treft op de bodem van de kuil Ominan, die in een hoekje zit te beven. Ze houdt geen halt, maar rent dankzij haar slippers tegen de rechte muur op, en verdwijnt in de verte. De Roze Ridder, wie het ook allemaal te veel is geworden, stormt Ardea voorbij, grijpt het touw en begint te klimmen. Ardea, die geen uitweg meer ziet, kijkt paniekerig in het rond, en merkt dat een van de zombies hen is gevolgd.
Ominan lijkt bij zinnen te komen bij dit zicht: nu er geen andere optie is, komt hij overeind, raapt zichzelf bij elkaar, en maakt zich klaar om de strijd weer aan te gaan. Ardea put moed uit het feit dat haar strijdmakker weer tot zichzelf is gekomen, en wanneer ze ook Oxvard ziet aankomen, die door de zombie wordt aangevallen, richt ze weer een vuurpijl op het wezen. Ze mist, maar intussen is Ominan naderbij gewerveld, en hakt met zijn kromzwaard dodelijk in op het levende lijk. Dat stort weer ter aarde, maar rijst andermaal op. Ardea heeft het gevoel dat dit een verloren zaak is, en staat als aan de grond genageld terwijl de zombie Ominan beetgrijpt.
De priester weet zich los te rukken, en vlucht paniekerig voor de zombie weg. Hij rent opnieuw de gang in en rent recht tegen een deur aan, waarop een afbeelding van Sarenrae staat, waarvan het gezicht is weggebrand. Angstig kijkt hij over zijn schouder, en ziet onverwachte hulp naderen. De Roze Ridder blijkt net op tijd weer bij zinnen te zijn gekomen, en verschijnt op dit moment om de zombie tegen de grond te slaan. Wanneer die echter andermaal overeind komt, wordt ook hij weer door paniek bevangen en deinst achteruit.
Ominan put moed uit de nabijheid van de afbeelding van Sarenrae, omklemt het gevest van zijn kromzwaard, en werpt zich met een combinatie van paniek en verbetenheid op de zombie, die hij schreeuwend aan mootjes hakt.

Wanneer tenslotte iedereen weer bij elkaar is, worden enige opgelaten blikken gewisseld. De drie zombies zijn uiteindelijk allemaal geveld, en achteraf is het wel duidelijk dat ze de vorige keren niet werkelijk verslagen waren, maar alleen deden alsof, zodat hun prooi zich veilig zou voelen. In een stilzwijgende overeenkomst wordt besloten dat na deze dag nooit meer gerept zal worden over Ominans bibberende minuten, Ardea’s hysterische neiging om het touw in brand te steken waarlangs de Roze Ridder weinig manhaftig omhoog vluchtte, of het feit dat Vita halverwege Kelmarane was voor ze schoorvoetend terugkeerde… de verhalen die over deze dag verteld zullen worden, kunnen ongetwijfeld zonder deze episodes.

De deur waartegen Ominan opbotste is het volgende element dat nader onderzocht wordt. De geur die er vanaf slaat is muf. Wanneer de Roze Ridder de deur voorzichtig openduwt, blijkt die niet op slot te zitten. Erachter ligt een donkere ruimte, die een soort grot lijkt te zijn. Op de bodem liggen plassen, in het plafond zijn boomwortels te zien.
Aan de overkant van de ruimte is een platform gemaakt, waarop een grote man staat, die iedereen in eerste instantie herkent als Kardswann, voor het tot hen doordringt dat het ongetwijfeld om de demon Xulthos gaat die zijn gedaante heft aangenomen. De man lacht dreigend en begint een bezwering. Is het de aanwezigheid van twee heilige mannen? Ominans tulband lijkt even op te gloeien in het schemerlicht, en de bezwering van Xulthos heeft geen enkel effect op de groep.
De Roze Ridder aarzelt niet lang, en valt driest deze zoveelste Kardswann aan. Ardea grijpt een van de glanzende edelsteentjes van haar nieuwe halssnoer, mikt zorgvuldig en lanceert dan een gigantische vuurbal. Tot haar teleurstelling lijkt de demon het vuur echter grotendeels van zich af te schudden. Vita vuurt inmiddels twee pijlen op hem af – één ervan weet hij te ontwijken, maar de andere raakt tot haar tevredenheid.
Xulthos reageert door zichzelf te onthullen in zijn ware gedaante: de demon blijkt een soort gigantisch insectachtig wezen te zijn, met doorzichtige vleugels, die hij steeds sneller begint te bewegen. Een vreemd licht weerkaatst op zijn exoskelet, en Vita en Oxvard raken in verwarring door deze twee effecten die met de zintuigen lijken te spelen. Oxvard lijkt uit zijn doen, staat met zijn wapen te zwaaien, maar raakt er uiteindelijk alleen zichzelf mee.
De demon neemt geen genoegen met dit povere resultaat, en valt de dichtstbijzijnde vijand aan: de Roze Ridder moet het ontgelden. Ardea wilde net een vuurpijl op Xulthos afschieten, maar mist door deze plotse beweging. Ze concentreert zich voor een volgende poging, en merkt niet dat Vita inmiddels aan steeds grotere verwarring ten prooi lijkt. Tot haar verbijstering wordt ze ineens door de halfelf aangevallen, die zonder aarzelen toesteekt!


Xulthos maakt zijn reputatie waar: hij is kennelijk inderdaad heel goed in staat om geesten zo te beïnvloeden dat bondgenoten zich tegen elkaar keren… het gevecht is nog zwaarder geworden dan het al leek. 

21 februari 2014

Dag 9 – vervolg

Wanneer de uitdaging van Ominan volledig weggestorven is, barsten de tempelpoorten met een dreunende klap open, en stormt een woedende Kardswann naar buiten. Met één klap maait hij één van de gnolls die hem weerstreven neer.
De avonturiers komen echter snel weer tot hun positieven. Ardea slingert een zuurpijl naar Kardswann, Ominan hult hem in een mist waardoor zijn gezichtsvermogen wordt verminderd, en Vita vuurt een pijl op hem af. Inmiddels stormen de gnolls eveneens op Kardswann af, en trekt ook Dashki zijn wapen.
Ominan en Ardea kijken met enige verbazing toe hoe de morsige gids die ze alleen maar traag hebben zien trekkebenen ineens met verrassend soepele bewegingen naderbij danst en zijn kromzwaard zwaait. Maar veel tijd om zich daarover te bekommeren, hebben ze niet. Kardswann slaat links en rechts gnolls neer, en doet dan een uitval op Dashki, die zich schielijk terugtrekt. Ook de pijlen van de gnolls sorteren maar weinig effect, ze lijken te zeer onder de indruk van het gemak waarmee hun gelederen worden uitgedund.
Ominan zegent zijn groepsgenoten, zodat Sarenrae’s macht hun aanvallen extra energie verleent, wervelt dan met zijn eigen kromzwaard naderbij en weet in tegenstelling tot Dashki flinke japen uit te delen. Inmiddels blijft Ardea’s zuurpijl zich verder in Kardswann vlees bijten, en slingert ze er een aantal magische projectielen achteraan, die stevig aankomen. Vita mist een paar keer, maar krijgt dan de slag te pakken, en Kardswann moet ijlings zijn toevlucht nemen tot een magisch genezingsdrankje. Het baat hem niet.
Wanneer ook de Roze Ridder van zijn verbazing is bekomen over de schijnbaar onuitputtelijke voorraad aan Kardswanns, en zijn met zwierig roze linten versierde pijlen bij die van Vita voegt, wordt de gezamenlijke aanval toch te sterk. Overdekt met wonden van het bijtend zuur, pijlen, en kriskras lopende zwaardhouwen, wankelt Kardswann op zijn benen. Met zijn laatste krachten weet hij nog één gnoll mee te nemen in zijn onafwendbare graf, voor het fatale magische projectiel de handen van Ardea verlaat, en een einde maakt aan zijn leven…

Wanneer de vier naderbij komen, zien ze dat Kardswann een merkwaardige uitdrukking van dankbaarheid op zich gelaat heeft. Het heeft een ontnuchterend effect, want ze beseffen zo des te duidelijker dat ze zonet niet hun echte vijand hebben gedood, maar slechts zijn marionet.
Ze sluipen omzichtig de tempel binnen, maar die blijkt leeg, en de verzegelde deur is nog steeds onwrikbaar gesloten. Pogingen die te openen, halen niets uit, en Ardea weet de anderen tenslotte te overhalen om eerst maar eens verslag aan Almah te gaan uitbrengen – waarbij ze haar dan meteen eens kunnen uithoren over de manier waarop de demon indertijd verzegeld is. Mogelijk weet zij hoe de verzegeling doorbroken kan worden.
Ominan stemt schoorvoetend in, vooral omdat hij zo de gnolls, die hij al had geronseld als bondgenoten in de strijd tegen de demon, niet langer kan overhalen het verbond in stand te houden. Het uitstel doet hun happigheid afnemen, en uiteindelijk vertrekken ze, met hun dode broeders op de schouders, richting hun woonplaats. Ook Dashki vertrekt met hen, en is al vertrokken voor Ominan tot de vaststelling komt dat hij hem eigenlijk wel eens nader had willen ondervragen over zijn plotse dynamiek in het strijdveld.

Terug in het klooster trekken de vier richting Almah, waar ze haar op de hoogte stellen van de laatste verwikkelingen. Ook de Roze Ridder wordt geïntroduceerd, die door Almah in eerste instantie met enigszins wantrouwig oog wordt bezien, zelfs nadat ze heeft gehoord hoe hij als gevangene werd aangetroffen in de gevechtsmarkt. Maar hij versaagt geen ogenblik, maakt een hoffelijke knieval aan haar voeten, kust haar hand en stelt zich zwierig voor als de Roze Ridder, klaar om zich in haar dienst te stellen. Almah blijkt toch wel gevoelig voor deze aanpak, en nadat de andere drie hun goedkeuring over zijn nut hebben uitgesproken, hebben ze er officieel een nieuw groepslid bij.
Wanneer Ardea haar naar de demon vraagt, blijkt Almah niet veel te weten over het ritueel waarmee de demon destijds werd opgesloten. Wel heeft ze een soort amulet dat als sleutel dienst doet, en waarmee ze dus de verzegelde deur moeten kunnen openen. Over de demon zelf weet ze desgevraagd nog wel een beetje extra informatie op te diepen: Xulthos wist de geest van mensen te beïnvloeden, en kon zo tweedracht zaaien tussen bondgenoten.
Almah acht de tijd gekomen om de expeditie naar Kelmarane te verplaatsen en begint de onderneming te regelen. Intussen bezorgen de avonturiers Oxvard zijn wapenrusting en knots terug. De priester lijkt weer op te leven, nu hij herenigd is met zijn trouwe gereedschap, en geeft de groep zijn zegen om de andere objecten die ze hebben gevonden verder te gebruiken in hun strijd tegen de demon.

Tegen de tijd dat de hele expeditie zich naar Kelmarane heeft verplaatst, is de avond aangebroken. Toch nemen de vier nog even de tijd om vader Zastoran mee te nemen naar het vreemde apparaat dat Vita had gevonden. De alchemist verklaart hen meteen dat het gebruikt kan worden om magische drankjes rechtstreeks in het bloed te brengen, zodat hun werking versterkt wordt. Er bevindt zich ook een voorraadje met drankjes met uiteenlopende werking in het apparaat. De vier knopen dit goed in hun oren: dat kan nog van pas komen…
Dan worden ze afgeleid door een groepje mensen dat Kelmarane nadert. Het blijken geen kapers op de kust te zijn, maar de smokkelaars, die Haleen met zich meedragen. Ardea rept zich onmiddellijk naar haar vriendin toe en moet vaststellen dat ze er nog steeds niet best aan toe is. Ze doet een dringend beroep op Ominans geneeskunsten, en de priester toont zich bereid om Haleen op te lappen. Ze is echter nog steeds in een verzwakte toestand, en Ardea haast zich om haar in een kamer met een bed te installeren.
De vier maken plannen voor de volgende dag – hun grootste confrontatie moet eigenlijk nog komen. Strategieën worden overwogen en besproken, maar stuiten uiteindelijk altijd op een onvermijdelijke muur: ze weten niet wat hen te wachten staat. Tenslotte besluiten ze maar een welverdiende nachtrust te gaan nemen. Ardea glipt weg en voegt zich bij Haleen, waar de twee nog lange tijd verhalen zitten uit te wisselen over hun belevenissen, voor ook Ardea tenslotte haar bed opzoekt, zodat ze krachten kan opdoen voor de volgende uitdaging…


Dag 10

De volgende dag wordt er niet veel tijd verdaan: de vier maken zich klaar en trekken richting de Tempel. Oxvard voelt zich zo gesterkt door het hervinden van zijn harnas en wapens, dat hij zich spontaan bij de groep aansluit, en zijn hulp wordt met beide handen aangenomen.
In de tempel aangekomen, begeven ze zich onmiddellijk naar de crypte. Met behulp van de sleutel die ze van Almah heeft gekregen, verbreekt Ardea de magische verzegeling, en daarna blijkt de deur makkelijk te kunnen worden opengeduwd.
Ze komen terecht op een trap, die afdaalt naar een ovalen kamer. In het midden daarvan bevindt zich een put van zo’n 9 meter diep, die rondom rond met stenen is gemarkeerd. Aan één zijde bevindt zich een deur, die gesloten is. Er staat ook een grote gong, en de groep komt tot de hypothese dat die wellicht magisch verbonden is met de deur.
De Roze Ridder werpt zich onmiddellijk op als vrijwilliger, en slaat de gong stevig aan. De geluidstrillingen zijn nog maar amper weggestorven, of de deur schuift omhoog, maar gelijktijdig komt er uit de put een grote vlam omhoog. In het midden daarvan rijzen drie engelachtige figuren op, die van vuur lijken te zijn gemaakt. 
Ominan herkent ze aan hun vorm: dit zijn dienaars van Sarenrae, hier wellicht geplaatst als wachters. Dat de bedoelingen van de groep goed zijn, baat hen niet: ze worden onmiddellijk door de vurige bewakers aangevallen.
De Roze Ridder wordt net gemist door een uithaal van één van de vuurengelen, maar zijn ontwijkende beweging geeft een tweede net de kans om hem te raken. Hij reageert direct en haalt uit met zwaard en schild. Ardea roept de bewakers aan met een oproep de strijd te staken – hun vurige verschijningsvorm heeft in haar een gevoel van verwantschap gewekt, en ze wil hen eigenlijk niet bevechten. Maar ze vindt geen gehoor, en gaat met tegenzin tot de aanval over, magische projectielen op hen afslingerend.
Oxvard en Ominan werpen zich in de strijd. Oxvard lijkt een beetje roestig, maar Ominan weet met een geoefende, flitsende zwaardhouw één van de bewakers neer te halen. De Roze Ridder bekampt de wezens met zwaard en schild, maar laat zijn dekking open en wordt nogmaals geraakt. Vita spant echter haar boog, en haalt met een welgemikte pijl de aanvaller neer. Ardea bekogelt het laatste wezen met zuur, en Oxvards knots maakt tenslotte een einde aan zijn uitdovende bestaan.

Wanneer het daarna stil blijft, besluit de groep om verder te gaan: voorzichtig gaan ze de ruimte achter de opengeschoven deur verkennen. Daarachter blijkt een ruimte met nissen te liggen, die bij nader onderzoek skeletten blijken te bevatten. Kennelijk is dit een graftombe waarin eertijds priesters werden bijgezet. In het midden is een verhoging waarop een urn rust, die is afgesloten met een beeldje van Sarenrae. Ominan voelt eens te meer de nabijheid van zijn godin, en maant de anderen om hier met eerbied op te treden.
Eén nis blijkt een verborgen deur te bevatten, die leidt naar een ruimte die vroeger een schatkamer van de Tempel moet zijn geweest. Ominan is wat schroomvallig om die te doorzoeken: deze heilige schatten – of wat daarvan overblijft – mogen niet zomaar verstoord worden. Ardea wordt echter aangetrokken door het magische aura van enkele voorwerpen die nog in de kamer verstrooid liggen, alsof ze door plunderaars over het hoofd zijn gezien. Ze slaat geen acht op de tegenkanting van de priester en verzamelt ze zorgvuldig, terwijl Vita humeurig toeziet: ongetwijfeld worden ook deze voorwerpen weer door de twee magiegebruikers verdeeld zonder dat verder iemand een stuk van de koek krijgt.
Bij nadere bestudering blijken hier enkele krachtige voorwerpen tussen te zitten, die hen goed van pas zouden kunnen komen bij het naderende gevecht. Na enig soebatten weet Ardea Ominan ervan te overtuigen dat zijn godin uiteraard goedkeurend zal toezien wanneer deze voorwerpen worden gebruikt om haar tempel te zuiveren. De strijdlustige priester heeft wel oor naar deze argumenten en geeft uiteindelijk schoorvoetend toe: hij aanvaardt de streng gebedskralen en de hoofdband die ze hem in handen drukt, en besluit om vol dankbaarheid en eerbied van deze onverwachte geschenken van Sarenrae gebruik te maken. Zelf hangt de tovenares inmiddels met een tevreden glimlach een halsketting om, waarvan de glanzende rode edelsteentjes vurig schitteren…

maandag 17 februari 2014

5 februari 2014

Dag 8 - vervolg

Voor er weer tot actie kan worden overgegaan, moet er rust gehouden worden. Ominan heeft tijd nodig om te herstellen en Ardea’s magische krachten zijn vrijwel uitgeput. Vita die zich nog fris als een hoentje voelt, stelt zich in stilte vragen over de taaiheid van haar bondgenoten, maar kiest ervoor dat voor zich te houden. Er wordt dus besloten om tijdelijk naar het klooster terug te trekken.
Ominan betoont zich inmiddels bezorgd om het lot van Undrella: zou het niet verstandig zijn dat ze hen vergezelt naar het klooster? Wat als Kardswann zijn woede op haar komt koelen? De kruidenvrouw wijst dat meteen van de hand: in een klooster heeft ze niks te zoeken, en Kardswann zal haar heus niks aandoen. De opgetrokken wenkbrauwen van zijn groepsgenoten negerend, zet Ominan er dan maar de pas in richting het klooster.

Daar lopen ze algauw Garavel tegen het lijf, die informeert naar de vorderingen. Ominan begint met het goede nieuws: er is eigenlijk nog maar één tegenstander van enig belang overgebleven. Garavel betoont zich tevreden, en wil dat goede nieuws meteen maar met Almah gaan delen. Hij wordt echter in zijn aftocht gestuit door de stem van Ardea die hem meedeelt dat er ook slecht nieuws is…
Ook Almah is zwaar aangeslagen door het heengaan van Ragna, in wie ze net een dubbel gewaardeerd teamlid had gevonden. Het dodental dat deze expeditie al heeft gekost, begint wel op te lopen…
Maar ze recht uiteindelijk haar schouders, en uit haar voornemen om ervoor te zorgen dat deze levens niet vergeefs verspild zullen blijken. Er moet ernstig werk worden gemaakt van het afronden van de expeditie.
Ominan haakt daar meteen soepel op in, en stel t Almah voor dat het misschien nuttig is wanneer er een massaal offensief wordt ingezet om met Kardswann af te rekenen. Almah, nog onder de indruk van het nieuws, stemt verrassend vlot met dit voorstel in, en tevreden begeeft Ominan zich te rusten, zodat de slaap zijn wonden verder kan helen.

Tegen de avond wordt Ominan wakker, en moet tot de vaststelling komen dat zijn makkers inmiddels hun eigen bed hebben opgezocht. Hij gaat de wachters dan maar vervoegen, en maakt hun taken met enige zegeningen en magische ingrepen iets makkelijker. Hij is net in gesprek met een jonge wachter die een lichte heldenverering voor hem blijkt te koesteren, wanneer hij in de verte een lichtje ontwaart. Ook Dullen, de wachter, ziet het geflakker, en na enige tijd zien ze dat het licht zich opdeelt in vijf punten die kennelijk toortsen zijn, vastgehouden door een groepje gnolls.
Ominan haast zich om Vita en Ardea te wekken, die met enige tegenzin uit het bed komen dat ze nog maar net hadden opgezocht. Wanneer Vita echter hoort dat het over gnolls gaat, reikt ze met enthousiasme naar haar boog, en posteert zich op een toren, terwijl Ominan en Ardea de vijf tegemoet gaan.
Net wanneer de vijf binnen schotsafstand zijn genaderd, Vita haar boog spant, en Ardea haar handen heft om haar laatste magie op deze nieuwe dreiging af te vuren, springt een onverwachte aanwezigheid tussen de twee groepen in: het is Dashki, die luidkeels roept dat de gnolls niet aangevallen mogen worden, omdat ze komen onderhandelen.
De reacties zijn enigszins sceptisch, maar Dashki’s claim wordt bevestigd door de leider van de gnolls. In een schorre, geblafte versie van de omgangstaal, verklaart hij Hargk te zijn, gezonden door Narg, de leider van de Drie Kaken-stam. Ze zijn gekomen om hun hulp aan te bieden bij het uitroeien van de Kulldis-stam, met wie ze al lang overhoop liggen. Dat die onlangs Kardswann, een niet-gnoll, als leider hebben aanvaard, was de druppel die de emmer deed overlopen.
Terwijl Vita op de uitkijkpost geërgerd haar best doet om haar pijl niet alsnog te laten vliegen, onderhandelt Ominan zakelijk met de gnolls: ze moeten ermee akkoord gaan dat hun hulp niet betekent dat Kelmarane aan hun stam toevalt. Wel stelt de priester voortvarend voor dat ze een handelspost kunnen toegewezen krijgen in Kelmarane.
Ardea, die moe is en zich ernstige zorgen maakt over het lot van Haleen, reageert amper op het ongewone bondgenootschap, maar suggereert dat de gnolls misschien beter buiten het klooster hun kamp kunnen opslaan. Ominan wil ze mee richting de kloostermuren nemen, om ze beter in de gaten te kunnen houden, maar stuit daarbij op verzet van de wachters. Vita is al even enthousiast over dit gebabbel met de vijand, en beent geïrriteerd richting haar bed wanneer ze in de gaten krijgt dat er niet meer geschoten zal mogen worden.
Inmiddels heeft een wachter Almah op de hoogte gebracht, die in alle staten naar buiten komt. Ze verzet zich op hoge toon tegen het idee dat ook maar één gnoll een voet in het klooster zou zetten. Ominan kan haar geruststellen: de gnolls, die niet veel enthousiaster leken over het bondgenootschap dan zij, hebben zelf besloten de nacht vlakbij Kelmarane te gaan doorbrengen.  Niettemin is Almah zwaar geprikkeld, en ze deelt geërgerd mee dat dit bondgenootschap, zonder haar medeweten gesloten, haar goedkeuring niet kan wegdragen.
Ook Ominan en Ardea besluiten uiteindelijk maar om de nodige rust te gaan nemen – het wordt een zware dag morgen.


Dag 9

De volgende ochtend blijkt Vita helemaal niet opgezet met de plannen: ze was al geërgerd omdat de gnolls de vorige avond niet mochten worden afgemaakt, en nu ze hoort dat er ook nog eens een bondgenootschap is gesloten, voelt ze zich niet bepaald vrolijker.  Ook Almah komt nog een keer haar afkeuring uitspreken: nu de drie ervoor hebben gekozen om met gnolls samen te werken, houdt ze haar eigen wachters en soldaten bij zich in het klooster.
Ominan versaagt niet, en gaat bij de ontbijttafel Oxvard en Felliped opzoeken: zij kunnen dan toch wel op zijn minst bijstand komen bieden. De twee reageren aarzelend en het is duidelijk dat ze zich zonder fatsoenlijke wapenrusting helemaal niet opgewassen voelen tegen een confrontatie met de Nemesis van de Leeuwen van Senara.
Terwijl Ominan nog verwoede pogingen doet om hen alsnog te overhalen, staat Ardea ongeduldig op. Dit gehakketak heeft wel lang genoeg geduurd, en de toestand van Haleen kan er niet beter op zijn geworden intussen…
Almah komt hen nog een laatste opdracht meegeven: wanneer Kardswann verslagen is, moeten de vijf gnolls ook maar afgemaakt worden – die kunnen nooit goed nieuws zijn. Wanneer Dashki daarbij in de weg loopt, ruimen ze hem ook maar uit de weg.
Dat komt haar op een ijzige blik uit de vurige ogen van Ardea te staan. De tovenares die zich duidelijk geërgerd voelt over de luimen van de handelsprinses, deelt haar in niet mis te verstane termen mee dat er bij hun engagement alleen is gesproken over het ontruimen van Kelmarane, en niet over gnollstammen die er niks mee te maken hebben. Almah werpt tegen dat de gnolls toch niet te vertrouwen zijn, en zich vroeg of laat tegen hen zullen keren, waarop Ardea verklaart dat ze dan en alleen dan wel afdoende met hen zullen afrekenen.

Met Dashki in hun kielzog vertrekken de drie richting Kelmarane, in een ongemakkelijke stemming. Vita is nog steeds wat knorrig, en Ominan en Ardea zijn zich akelig bewust van het feit dat ze de enige nog levende leden zijn van het oorspronkelijke gezelschap, dat nu in feite gehalveerd is.
Ze maken een tussenstop bij Undrella – Ominan hoopt haar te overhalen om hun gelederen te komen versterken, maar dat wijst de kruidenvrouw verontwaardigd van de hand. Ominan moet zich haar liefde waardig betonen en zelf afrekenen met zijn rivaal.
Bij Kelmarane aangekomen, treffen beide partijen van het ongemakkelijke bondgenootschap elkaar. Alleen Dashki wordt hartelijk begroet, verder zijn de blikken over en weer behoedzaam.
In eerste instantie gaat Vita op verkenning. Ze sluipt omzichtig binnen, en snuffelt rond, maar treft geen levend wezen aan, en kan niks dan dat rapporteren wanneer ze terugkomt. Daarop beduidt Ominan de gnolls dat zij wel naar binnen kunnen gaan om op zoek te gaan naar overgebleven gnolls, een taak die ze graag op zich nemen.

Inmiddels gaan de drie de gang met deuren verkennen waar ze de vorige dag strandden. Nadat ze een lege wachtkamer hebben verkend, treffen ze een vergrendelde deur. Ominan, ook niet meer de kalmte in persoon na alle lotgevallen van de afgelopen dagen, wil meteen het slot maar met brute kracht aan stukken slaan. Op een suggestie van Ardea probeert Vita eerst de sleutels die ze in haar bezit heeft, en zowaar: de deur zwaait open.
In de kamer daarachter treffen ze een merkwaardige verschijning. Een wat verwarde jongeman springt op van het bed, en vraagt hen waar hij zich bevindt, en of hij al in Kelmerina is. Hij wordt door drie verbijsterde gezichten aangestaard, voor iemand hem duidelijk maakt dat hij in KelmArAnE is. Met een sip gezicht vertelt de jongeman hen dat hij op weg was naar het Regenboogtoernooi in Kelmerina en er dus iets helemaal misgegaan is. Toen hij Kelmarane binnentrok, werd hij hardhandig bewusteloos geslagen en ontwaakte in deze cel.
De avonturiers vragen zich af of ze deze figuur wel kunnen vertrouwen, maar komen eenparig tot de conclusie dat er geen kwaad in hem lijkt te steken wanneer hij zich zwierig voorstelt als de Roze Ridder, en zijn redders meedeelt dat hij klaar is om hen een wederdienst te verlenen en hen te helpen met wat voor queeste ze dan ook bezig zijn.
Onder het motto ‘als we met gnolls kunnen samenwerken, kan dit er ook wel bij’ wordt de Roze Ridder in de gelederen opgenomen, en kort op de hoogte gesteld van het doel: Kardswann moet tegengehouden worden.

De volgende kamers blijken voornamelijk leeg, al zijn er twee die gemeubileerd zijn en kennelijk enige tijd bewoond werden.
Ze trekken dan maar behoedzaam richting de centrale ruimte, die ze de vorige dag maar gedeeltelijk hebben kunnen zien. Het lijkt er helemaal verlaten, tot ze verscholen achter de bar een gnoll aantreffen. Hij wordt door Ominan enige tijd ondervraagd, maar wanneer de verschrikte gnoll niet snel genoeg met antwoorden op de proppen komt, roept Ominan er de Drie Kaken-gnolls bij en laat ze met de gnoll afrekenen.
Vita heeft niet veel medelijden met het wezen, maar vraagt toch sceptisch of hij niet wat verder ondervraagd had moeten worden. Ominan haalt zijn schouders op: hij heeft weten los te krijgen dat Kardswann zich in de tempel verschuilt, meer lijkt hem niet van belang. Ardea loopt de informatie die zij heeft gekregen met gemengde gevoelens te beschouwen: Haleen is kennelijk zwaargewond maar in leven door de smokkelaars meegedragen.
Niet van plan om het woord van een gnoll klakkeloos aan te nemen, spoedt Vita zich naar de eerste verdieping om die grondig te gaan onderzoeken. Daar treft ze lege ruimtes die ooit winkels waren, en ook een stuk met banken dat ooit als plaats voor een orkest bedoeld was. Onder één van de pauken vindt ze nog een mooie zilveren fluit.

Ominan en Ardea houden even halt bij het lichaam van Ragna. Ze besluiten hun strijdmakker later de laatste eer te bewijzen door haar een uitvaart te schenken die haar waardig is: nadat ze met Kardswann hebben afgerekend, zullen ze om haar eer te bewijzen een brandstapel bouwen en haar ziel door het vuur laten bevrijden uit het lichaam dat ze moet achterlaten.

Vita is inmiddels verder aan het snuffelen en treft een merkwaardig alchemistisch apparaat met zeven naalden, één van de weinige dingen die niet met stof bedekt zijn. Ze vindt dat het een wat gevaarlijke uitstraling heeft en overweegt even om het aan stukken te slaan, maar besluit dan om het voorlopig maar links te laten liggen.
In een laatste kamer treft Vita een trap naar boven, die ze dan maar volgt, terwijl inmiddels haar makkers beneden eveneens op onderzoek zijn. Nog meer winkeltjes en kraampjes worden aangetroffen. In één daarvan is een heel arsenaal alchemistische spullen opgeslagen, waaronder de nodige verdovende middelen.
Daarna bereikt ze het hoofdkwartier van de wacht, met de aangrenzende slaapkamers. Er staat ook een kist waarin ze een ware verzameling buit treft, waaronder spullen die duidelijk ooit aan de Leeuwen van Senara hebben toebehoord. 
Verderop vindt ze ook een rijker gemeubileerde slaapkamer, die haar na enige inspectie het vertrek van Kardswann lijkt te zijn. Wanneer ze zijn vertrek nader onderzoekt, treft ze onder het bed een kist waarin ze Kardswanns goud en edelstenen vindt. Na even een gewetenskwestie te hebben doorworsteld – pikt ze uit de kisten eerst wat ze zelf wil hebben, of deelt ze haar vondsten? – roept ze de rest van de groep erbij.

Ominan en Ardea voelen bij de kist meteen een kluwen van magische aura’s en zetten zich aan de taak om uit te zoeken welke voorwerpen ze voor zich hebben. Vita draait onrustig kringetjes om hen heen, en wil er zeker van zijn dat geen dingen in andermans zakken verdwijnen waar ze zelf haar zinnen op had gezet, maar wordt door de priester en de tovenares weggewuifd. Ze gaat zich dan maar samen met de Roze Ridder vermaken door op de drie tronen te gaan plaatsnemen.
Intussen worden de magische voorwerpen geanalyseerd en wordt duidelijk dat enige daarvan bezittingen van de omgebrachte Leeuwen van Senara moeten zijn geweest. Eenparig wordt besloten dat de voorwerpen geen waardiger doel kunnen dienen dan het wreken van hun voormalige dragers.
Zo kan Vita een glanzende dolk op zak steken, al waagt ze nog een spijtig oog aan de mantel die de Roze Ridder krijgt toebedeeld. Tegen de tijd dat de mantel Ardea’s handen verlaat, heeft die echter een mooie roze tint aangenomen, waarvoor de Roze Ridder haar hoffelijk bedankt, en neemt Vita genoegen met haar minder opvallende deel van de buit. Ominan en Ardea legen inmiddels beslag op een aantal magisch geladen sieraden, en zo voelt iedereen zich gesterkt om de strijd met Kardswann weer aan te gaan.

De vier trekken richting de tempel, maar worden afgeleid door beweging op de nabij gelegen begraafplaats. Ominan ziet daar vlakbij een standbeeld van Sarenrae een geknielde figuur, en spoedt zich bezorgd richting deze geloofsbroeder. Hij wordt echter onaangenaam verrast door een gezicht dat wegsmelt om een grijzende doodskop te onthullen, die zijn lege oogkassen hongerig op de vier richt.
Vita reageert koelbloedig en vuurt meteen een pijl af, die klettert tegen de ribbenkast van het aanstormende skelet, terwijl Ardea weer haar magische projectielen in de strijd gooit. Het skelet is echter niet zomaar te stuiten en is op Ominan afgedenderd, de priester flink verwondend met twee klauwachtige handen. De Roze Ridder meent te hebben begrepen dat hier sprake is van De Confrontatie en stormt onder de kreet ‘Kardswaaannnnn’ op het strijdtoneel af.
Ominan doet een beroep op de kracht van zijn geloof, en wordt vervuld van het licht van Sarenrae, dat het skelet een gevoelige schok bezorgt, waarna de Roze Ridder, zwaaiend met zwaard en schild, de genadeklap toedient en het skelet als een knekelig kaartenhuisje in elkaar valt.
Wanneer het geluid van wegkletterende botten is weggestorven, hoort Ominan een stem in zijn hoofd, die van het standbeeld lijkt te komen. Hij knielt er neer, en voelt zich vervuld van de nabijheid van zijn godin die hem met goedkeuring vertelt dat hij waardig is bevonden. Een sterk gevoel van bescherming en kracht stroomt door hem heen, en het lijkt alsof alles helderder wordt.

Ominan staat weer op, en weet wat hem te doen staat. Hij zegent zijn groepsgenoten, stapt op de tempel toe, en verheft zijn stem: “Kardswann! Kom naar buiten, jij schurftige hond!” Even is het ijzingwekkend stil – op het gefluister van de verbaasde Roze Ridder na. 

23 januari 2014

Dag 8

De volgende ochtend is Ominan slechts een vluchtige verschijning aan het ontbijt: hij vertrekt bij het krieken van de dag richting de Sultansklauw. Daar wil hij op zoek naar spreukenboeken van Eloais, die misschien in de restanten van de uitgebrande wagen zijn achtergebleven. De priester hoopt zo zijn magische arsenaal te kunnen uitbreiden.
Ardea pakt het anders aan en gaat op de creatieve toer: ze brengt een bezoekje aan vader Zastoran, en vindt tussen zijn alchemistische ingrediënten precies wat ze zocht – een flesje zuur, dat een spreuk waar ze al een poosje aan werkt, wel eens sterker zou kunnen maken. De alchemist stopt haar ook weer enkele genezende drankjes toe, die ze met graagte aanvaardt, die komen ongetwijfeld nog van pas.
Vita en Ragna hebben inmiddels maar één ding aan hun hoofd: gnolls gaan afmaken! Ze doen hun uiterste best om de pas geredde Oxvard te ronselen als nieuwe versterking voor de groep. De wat verblufte priester is niet zo happig: hij heeft geen wapens, en voelt zich niet echt opgewassen tegen deze taak. Pogingen om voor hem een wapen te versieren bij de huurlingen, lopen helaas op niks uit.
Ominan komt besmeerd met roet maar tevreden terug: hij heeft met engelengeduld de wagen uitgekamd, en trof er tussen de halfverbrande boeken één exemplaar dat nog leesbare stukken bevatte. Hij heeft er vertrouwen in dat een diepgaande bestudering ervan hem nieuwe inzichten zal geven over het gebruik van zijn magie.

Voor de vier richting Kelmarane vertrekken, geeft Ardea haar drie strijdmakkers een gedegen beschrijving van de vrouw die ze hier kwam zoeken, Haleen. Ze is ervan overtuigd dat Haleen ergens in de gevechtsmarkt moet zitten opgesloten, en wil vermijden dat iemand haar per ongeluk aanziet voor een tegenstander.
De groep slaagt erin om Kelmarane binnen te komen zonder veel ongelukken. Alleen Ragna heeft onderweg af en toe een knagend gevoel: is ze wel goed bezig? Had ze niet voorvoeld dat een gevecht moest vermeden worden? Is dat dit gevecht? Maar anderzijds is haar bloeddorstige drang om de gehate gnolls een kopje kleiner te maken sterk, en Vita’s vastberadenheid om het gnollnest uit te roeien, werkt aanstekelijk.
Bij de gevechtsmarkt aangekomen, neemt Vita de leiding. Met één van de sleutels van Undrella die Ominan haar heeft toegeschoven, ontgrendelt ze de noordpoort en sluipt binnen. Voor zich ziet ze alleen een lege gang en een trap, al is er wel enig geroezemoes te horen uit het midden van het gebouw. Ze wenkt de rest van de groep naar binnen. Ragna wordt door haar kordaat bij de ingang gepost om de wacht te houden, Ominan en Ardea volgen haar verder naar binnen.
Met de soepele tred van een jager beklimt Vita de trap, wenkt dan Ardea naderbij, en maakt haar met welsprekende gebaren duidelijk dat zij de overloop in de gaten moet blijven houden: die komt uit op een balustrade die wellicht uitziet op de centrale ruimte van de gevechtsmarkt.
Nadat Vita een paar kleinere ruimtes heeft aangetroffen, daalt ze de trap weer af aan de andere kant, en vindt beneden weer een gesloten deur. Met de tweede sleutel weet ze ook die te openen, en treft daarachter een gang met alweer een rij deuren.
Voorlopig tevreden, begeeft Vita zich terug naar de balustrade. Ze sluipt behoedzaam een stukje verder, en ziet beneden een groot podium, waarop een flinke bloedvlek prijkt. Bovenaan is een koepel die licht naar binnen laat vallen, aan de linkerkant is een balkon, waarop drie tronen staan. Vita trekt zich schielijk terug, maar niet dan nadat ze heeft gezien dat op de middelste troon een grote, kale man zit. Naast hem ziet ze een gnoll van een soort die haar niet bekend is.

Met gebaren wordt druk overleg gepleegd, en uiteindelijk wordt besloten dat Ragna en Ominan zich ook maar bij Ardea en Vita moeten komen voegen. Ominan sluipt succesvol naar boven, maar de barbaar achter hem slaagt niet zo best in dat subtiele klusje: Ragna’s lawaaierige acties lokken reactie uit vanuit de centrale ruimte. Een gnollenstem vraagt achterdochtig wie daar gaat.
Ominan besluit te trachten om de achterdocht te sussen, en geeft antwoord in zijn beste gnolls. Helaas komt hij niet overtuigend genoeg over, en er wordt binnen de kortste keren alarm geslagen. Een bulderende stem die afkomstig is van het balkon met de tronen biedt 500 goudstukken voor degene die het hoofd van één van de indringers levert. De vier beseffen dat de tijd voor sluipen voorbij is.
Een groot monsterachtig wezen komt de trap opgedenderd, en Ragna stort zich maar al te graag in haar favoriete bezigheid: ze stormt naar beneden en werpt zich op de aanvaller. Ze krijgt een forse klap te verwerken, maar wanneer de ogre haar probeert vast te grijpen, ontworstelt ze zich meteen aan zijn greep. Ardea en Vita vuren van bovenaan de trap respectievelijk vuur- en gewone pijlen af, Ominan staat Ragna terzijde met zijn magische krachten, en uiteindelijk weet de strijdvaardige halfork de ogre met één machtige klap doormidden te splijten.

De vier is geen rust gegund: meteen wordt de plaats van de ogre ingenomen door drie forse bugbears die hun zinnen op de beloning hebben gezet. Ragna loopt hen tegemoet en ook Vita en Ardea laten zich niet onbetuigd. Terwijl Ragna rake klappen krijgt, schakelen pijlen en vuurschichten één van de drie bugbears fluks uit. Ragna slaat een andere in één klap neer, maar krijgt dan zelf weer een aanval te verwerken. Ominan wervelt naar het gewoel toe, heelt Ragna met één hand, en buigt soepeltjes langs haar heen om met de laatste tegenstander af te rekenen, die de goedgeplaatste houw van zijn kromzwaard niet overleeft.
Ook aan de andere kant van de trap klinkt nu gerommel. Ardea en Vita draaien zich meteen in die richting, en weten met een aanstormende gnoll af te rekenen – die wordt echter meteen door gretige soortgenoten gevolgd. Ominan hakt een aanstormende bugbear zonder veel poespas het hoofd af, en komt dan met Ragna in zijn kielzog aangespurt om hen te helpen.
De situatie wordt nog verhitter, wanneer op de balustrade vier gnolls verschijnen, die zich met bogen in de aanslag op de vier richten. Ardea schat de situatie even in, en onderneemt dan oordeelkundig actie: ze heft haar handen en vuurt een regen van verblindende kleuren op de drie gnolls op de trap af, die verblind neervallen. Ragna hoeft ze alleen nog maar het hoofd van de romp te scheiden en gaat zich met grimmige voldoening van die taak kwijten.
Ominan heeft gelijktijdig voor een rookgordijn gezorgd dat hen aan het oog van de gnoll-boogschutters onttrekt, die vergeefs proberen te richten op de wazige figuren die ze aan de andere kant daarvan amper kunnen onderscheiden.
Ardea en Vita treden andermaal gecoördineerd op, en met de rook als dekking vuren ze dodelijke projectielen op de boogschutters af. Eén van de gnolls legt meteen het loodje, de andere drie laten hun bogen vallen, en komen met bijlen in de hand aangestormd.
Ominan houdt het rookgordijn in stand, en geeft zo Ardea de kans om nogmaals een verrassingsaanval te wagen. De gnolls worden verrast door de tovenares die met vurige handen uit de rook opduikt en als een wraakzuchtige furie met gloeiende ogen een vlammende golf op hen afstuurt. Voor ze hun brandwonden hebben kunnen tellen, komt een wervelende zwaarddanser één van hen een kopje kleiner maken, vindt een suizende pijl de tweede, en hakt een woeste halfork de laatste doormidden.

De vier verspillen geen tijd, en lopen de trap af, terwijl nog steeds geschreeuwd wordt om hun hoofden. Inmiddels zijn ze tot de conclusie gekomen dat het de stem ongetwijfeld van Kardswann zelf moet zijn!
Beneden aan de trap worden ze verrast doordat de deur ineens opengaat en een jonge vrouw met rapier in de hand naar buiten komt. Voor iemand kan reageren is Ardea al met uitgestoken handen op haar afgelopen: kennelijk is dit de vrouw die ze hier kwam zoeken. Ze begroet Haleen opgetogen, maar schrikt dan van haar bekentenis: Haleen was afgekomen op de beloning die gladiatoren in de gevechtsmarkt in het vooruitzicht werd gesteld. Het briefje dat ze had achtergelaten maar onleesbaar was geworden, moest Ardea er net van weerhouden om haar te volgen.
Ardea reageert geschokt en enigszins gekwetst dat haar vriendin haar niet om hulp heeft verzocht. Ze blijft echter niet bij de pakken neerzitten en overreedt Haleen om zich aan te sluiten bij de expeditie waar ze zelf deel van uitmaakt.
Terwijl Haleen en Ardea praten, gaan Vita en Ominan op verkenning door de kamertjes die achter de deuren in de gang liggen. Ze vinden echter niet veel bijzonders, en beseffen dat de rest van hun tegenstanders zich in de centrale hal moeten ophouden.
Ardea heeft inmiddels zoveel mogelijk informatie bij Haleen ingewonnen, en de laatste heeft ook haar aanbod aangenomen om zich bij de expeditie aan te sluiten. Volgens haar is er niet veel meer over van de strijdkracht van Kardswann: enkele smokkelaars houden zich schuil onder de bar, en van de gnollpopulatie is zo goed als niks over.

Ragna is in de tussentijd aan vreemde emoties ten prooi. De halfork lijkt te vechten tegen zichzelf: ze voelt binnenin zich weer dezelfde aanwezigheid, die dringend om aandacht verzoekt. Uiteindelijk komt ze in actie, en stapt onverschrokken de centrale hal in. De rest volgt haar, ietwat verbaasd.
Daar treffen ze Kardswann, die van zijn troon is afgedaald, omringd door een lijfwacht van vier gnolls en de andere gnoll die Vita eerder zag, die zijn rechterhand lijkt te zijn. Kardswann, gewapend met een enorme tweehandige bijl, stapt naar voren…
Ragna voelt de aanwezigheid in haar ziel met een diepe teleurstelling naar de dreigende figuur voor haar kijken, vervuld van droefenis om Kardswanns val uit de glorie. Reagerend op een steeds sterker wordende impuls, stapt ze naar voren, haar zwaard geheven op haar twee handen. “Aanschouw mijn zwaard… Ik ben Vardishal!”, schalt haar stem door de ruimte, “Kardswann, waarom handelt gij zoals ge doet?”
Kardswann is duidelijk aangedaan door deze woorden, en begint ongecontroleerd te schokken, alsof hij de beheersing over zichzelf dreigt te verliezen. Verschillende uitdrukkingen trekken op zijn gelaat langs, voor hij uiteindelijk stil blijft staan, het zweet over zijn gezicht stromend. Tussen opeengeklemde tanden brengt hij uit: “Zijn wil is… sterker dan de mijne… vernietig Xulthos! Xulthos moet vernietigd worden!”
Ragna maakt haar medestanders duidelijk dat ze in dezen moeten handelen zoals zij opdraagt: Kardswann moet niet gedood, maar geholpen worden. Niet iedereen voelt zich even gelukkig met dit plan, maar het lijkt niet het moment om een uitgebreid overleg te beginnen. Wanneer Ragna Haleen en Ominan sommeert om Kardswann voor zijn eigen veiligheid te gaan vastbinden, halen ze een touw boven, en gaan erop af.
Maar daar is de lijfwacht van Kardswann helemaal niet mee opgezet, en ze maken zich klaar om hun meester te verdedigen. Zijn luitenant gaat meteen in de aanval, en slaat Haleen haar rapier uit handen. Vita wil zo snel mogelijk reageren, maar schiet overhaast, en haar schot gaat helemaal mis – haar boog valt uit haar handen.
Ominan en Ragna snellen naderbij, terwijl ook de andere leden van Kardswanns lijfwacht zich in het gevecht werpen. Haleen krijgt het zwaar te verduren, en trekt zich even tactisch terug om haar wapen terug te vinden, terwijl Ragna zich op Kardswanns luitenant gooit. Maar ook zij wordt ontwapend, en krijgt rake klappen.
Intussen weten Vita en Ardea met gezamenlijke krachten één van de gnolls neer te halen, terwijl Ominan twee andere bezighoudt. Haleen komt Ragna bijstaan, maar is te zwaar gewond om nog veel schade te kunnen doen. Inmiddels slaat Kardswanns luitenant tot overmaat van ramp een genezend drankje achterover.
Vita richt nu haar pijlen op dit doelwit, en ook Ardea slingert magische projectielen in zijn richting… niet veel later weten hun inspanningen dan toch het beoogde doel te bereiken, en hij stort levenloos neer. 

Maar eigenlijk is het al te laat: Kardswann, die tot nu toe trillend en tandenknarsend op dezelfde plaats stond, slaakt een gepijnigde kreet, en de smartelijke uitdrukking op zijn gelaat maakt weer plaats voor het harde koude masker. Een manische lach ontsnapt hem, en meteen zwaait hij zijn bijl richting Haleen.
Haleen trekt wijselijk terug, maar nu krijgt Ragna het te verduren: terwijl Kardswann een litanie tegen Vardishal afsteekt wordt ze met machtige klappen tegen de vlakte geslagen. Twee gnolls storten zich op Ominan en ook de priester komt in een precaire toestand.
Vita weet echter een van zijn aanvallers aan een pijl te prikken, Ardea leidt de andere af met een vurige schicht, en zo krijgt Ominan de gelegenheid om richting Ragna te snellen, en de halfork met voorbijzien van zijn eigen veiligheid enige broodnodige heling te bieden.
Kardswann is echter woedend om deze interruptie. Andermaal haalt hij uit met zijn enorme bijl, en Ominan stort meer dood dan levend ter aarde. Ragna hijst zich half overeind, en steekt met bevende arm nogmaals het zwaard van Vardishal omhoog. “Aanschouw dit zwaard!”, klinkt haar stem vermoeid maar verbeten, “hervind jezelf, Kardswann!” Maar Kardswann is te ver heen… de greep van wat het ook is dat hem in zijn macht heeft, is te sterk. Vol razernij hakt hij opnieuw in op de weerloze Ragna, die zich vanuit haar positie niet kan verdedigen.
Zijn bijlslagen bijten diep in haar lichaam, en hakken dwars door haar beschermende kledij heen. Algauw zweeft ze op de rand van de dood… en dan dient Kardswann haar een fatale klap toe… Het gezicht van de halfork houdt nog even haar koppige trek, maar wanneer haar ogen breken, trekt de ontspanning van de eeuwige slaap op haar gezicht.

Ardea, die net met de laatste gnoll heeft afgerekend, werpt een vertwijfelde blik op Vita, maar er is niets dat ze nog kunnen doen. Met afgrijzen hebben ze het lot van Ragna gadegeslagen zonder haar te hebben kunnen helpen.
Met tegenzin besluiten de twee om de aftocht te blazen, en zo snel mogelijk rennen ze de gevechtsmarkt uit. Kardswann, die zich er eerst van vergewist of hij de volhardende stem van zijn geweten wel afdoende de mond heeft gesnoerd, en Ragna werkelijk heeft gedood, zet de achtervolging in, maar weet hen niet in te halen voor ze in de straatjes van Kelmarane zijn verdwenen. Inmiddels sleept in de gevechtsmarkt een zwaargewonde Haleen zich richting een veilig onderkomen…

Wanneer Ardea en Vita langs het huisje van Undrella komen, heeft de tovenares een heldere inval. Ze rent het huisje in, en brengt de kruidenvrouw op de hoogte van de nijpende toestand waarin Ominan verkeert. Ze heeft nog amper de tijd om haar te verzoeken zich ook om Haleen en Ragna te bekommeren wanneer die nog in leven zijn, voor Undrella haar vleugels uitslaat en richting de gevechtsmarkt vliegt, op een missie om de nieuwe uitverkorene van haar hart te redden.  
Niet veel later keert Undrella terug met Ominan in haar armen. Ze strijkt voorzichtig neer en legt de zwaargewonde priester behoedzaam op haar bed. Pas nadat ze Ominan de nodige drankjes heeft toegediend, zijn wonden heeft verzorgd met genezende zalfjes, en hem met een innige zoen heeft gewekt, is Undrella bereid verslag uit te brengen van de situatie die ze aantrof.

Over Ragna kan ze kort zijn: voor de halfork-krijger is geen hoop meer – het leven is definitief uit haar gevloden. Van Haleen heeft ze geen spoor meer gezien. 
Ardea voelt enige hoop terugkeren dat haar vriendin nog in leven is, en nu ze weet waar ze haar kan vinden, is ze vastberadener dan ooit om Haleen veilig uit Kelmarane weg te halen. 

maandag 6 januari 2014

18 december 2013

Dag 6 (vervolg II)

Oxvard krijgt nauwelijks de tijd om zijn hereniging met Felliped goed tot zich te laten doordringen, want voor hij goed van de verbazing om hun hereniging is bekomen, wordt de priester door zijn confrator Ominan overladen met vragen. Oxvard vertelt wat hij weet, maar dat is niet zoveel. Hij blijkt de laatste overlevende te zijn van de Leeuwen van Senara  – Felliped hoort met afgrijzen aan hoe hun leider de vorige dag is terechtgesteld.
Zelf heeft Oxvard de hele tijd in de gevechtsmarkt opgesloten gezeten in een klein kamertje, van waaruit hij de gnolls hoorde praten met soortgenoten en ander tuig, maar informatie heeft hij zo niet opgevangen. Ominan blijft enigszins ontevreden achter, en ook Ardea wordt niks wijzer: Oxvard heeft niet de gelegenheid gehad om te zien of de vrouw die zij in Kelmarane hoopte te vinden, Haleen, zich in de gevechtsmarkt bevond.
Oxvard heeft geen idee waar de gnolls hem heenbrachten, alleen dat ze niet veel goeds in de zin hadden, en is dus uiterst dankbaar voor zijn redding. Hij betoont zich dan ook meteen bereid om de avonturiers met zijn helende gave terzijde te staan.
Ze besluiten om eerst en vooral maar eens rust te nemen, want tijd om krachten op te doen hebben ze niet bepaald gehad. Om beurten betrekken ze de wacht, en zien wel diverse patrouilles passeren, maar hoeden zich ervoor hun aandacht te trekken, voor ze zich klaar voelen voor een nieuw gevecht.

Dag 7

De volgende morgen voelt iedereen zich verkwikt. Ardea en Ominan hebben het voedsel dat ze voorzienend hadden ingepakt al achter de kiezen voor ze beseffen dat de rest op een houtje zit te bijten en hen als een stel hongerige puppies aanstaart. Tja, niks aan te doen… met hier en daar rammelende magen gaan ze in een hinderlaag liggen om de eerstvolgende patrouille af te wachten: die gaan ze op de nek springen, om daarna dieper Kelmarane in te trekken.

Inmiddels in het klooster ziet een wachter een ruiter naderen, en wanneer die halt houdt bij het klooster, verzoekt een vrouwenstem om toegang. De wachter informeert achterdochtig wie daar voor de poort staat, en de bezoeker stelt zich voor als Vita. Ze vraagt de leider van de expeditie te spreken. Nadat de wachter heeft achterhaald dat Vita hier is om Avellana te zoeken, toont hij zich bereid haar binnen te laten en naar Almah te begeleiden.
Tegenover Almah zet Vita uiteen dat ze op onderzoek is uitgestuurd door iemand uit het geboortedorp van Avellana. In haar naspeuringen is ze aan de weet gekomen dat Avellana als slavin is verkocht, maar de gelegenheid had gekregen om zichzelf vrij te kopen door deel te nemen aan de expeditie naar Kelmarane. 
Almah bevestigt dat ze de goede informatie heeft, maar vertelt haar dat ze helaas te laat is: Avellana is net een dag tevoren overleden tijdens een gevecht met een demon, die in dienst staat van de gnolls die Kelmarane hebben ingepalmd.
Vita’s gezicht betrekt, en ze is een poosje in gedachten verzonken voor ze zich weer tot Almah wendt. Ze verklaart dat ze een hevige haat jegens gnolls koestert en vraagt of er, nu haar opdracht zinloos is geworden, geen plaatsje is voor haar in de expeditie tegen de gnolls. Nadat Almah zich vergewist heeft van haar vaardigheden – Vita blijkt een geoefend spoorzoeker en boogschutter te zijn – onthaalt ze verheugd dit nieuwe lid van de expeditie: na het verscheiden van Avellana konden de avonturiers wel versterking gebruiken.
Maar voor ze tot de orde van de dag overgaat, heeft Vita nog een verzoek: ze wil graag het lichaam van Avellana een keer zien, en eventuele bezittingen van de danseres wil ze graag verzamelen om die voor haar opdrachtgever te bewaren. Almah stuurt een wachter met haar mee om haar naar de nis te brengen waar Avellana in de catacomben rust, en suggereert haar zich ook tot de drie avonturiers te wenden indien ze meer over Avellana wil weten: zij hebben haar beter leren kennen dan waar Almah gelegenheid toe had.
Nadat de wachter Avellana’s tombe voor haar heeft geopend, en Vita het lichaam van de danseres heeft bestudeerd, maakt ze plannen om meteen maar tot actie over te gaan. Op haar vraag wijst de wachter Vita vanop de uitkijkpost de plek in Kelmarane aan waar hij de avonturiers voor het laatst in actie heeft gezien. Hij verzekert haar ervan dat ze het met de priester onder hen, Ominan, ongetwijfeld goed zal kunnen vinden: volgens de wachter is dat bij uitstek een geweldige kerel. Vita neemt het ter kennisgeving aan, verliest verder geen tijd meer, zadelt haar kameel, en gaat op pad.

In de verlaten herberg in Kelmarane is het Ominan die ineens een geluid bespeurt buiten het raam achter zich. Zonder zijn kalmte te verliezen sommeert hij de sluipende figuur in de bosjes om zich onmiddellijk kenbaar te maken. Een halfelf met een boog en pijlenkoker op haar rug hijst zich soepeltjes door het raam, en stelt zich voor als Vita. Ze verklaart dat ze gezonden is door Almah om hen bij te staan op de expeditie.
Ragna vindt het wel best, maar Ominan en Ardea zijn iets achterdochtiger. Maar wanneer Vita een correcte beschrijving van Almah en Garavel weet te geven, is Ardea gerustgesteld, en wanneer ze Ominan identificeert als degene waar de wachter zo van onder de indruk was, is ook de priester snel gesust.
De opstelling van de hinderlaag wordt herzien. Ardea en Vita trekken naar de eerste verdieping van de herberg, en stellen zich daar bij de ramen op, terwijl Ominan en Ragna op de onderste verdieping op de loer liggen.
Wanneer patrouille van vier gnolls nietsvermoedend door de straat komt, weten ze niet wat hen overkomt. Vanuit de ramen van de bovenverdieping suizen een vuurstraal en een pijl op hen af, waardoor twee gnolls wankelend achterblijven. Ragna velt trefzeker één van de gewonde gnolls, en brengt ze zo meteen in de minderheid.
Ominan stormt naar buiten en brult de gnolls in hun eigen taal een verwensing toe, die ze niet al te zwaar lijken op te nemen. Ardea is echter even van haar à propos door deze actie, en haar volgende vuurschicht mist de derde gnoll waar hij voor bedoeld was. Vita’s handen lijken sneller te bewegen dan mogelijk wanneer ze razendsnel twee pijlen afvuurt: de ene legt de tweede gewonde gnoll om, de andere mist helaas eveneens gnoll nummer drie, die kennelijk over goede reflexen beschikt.
Maar dat is buiten Ragna en Ominan gerekend. Ragna schiet hem fluks een pijl in zijn bast, en Ominan wervelt naderbij om hem met één houw van zijn kromzwaard de kop af te hakken. De vierde gnoll krijgt in de gaten dat dit niet goed gaat aflopen, en slaakt een luide alarmkreet, voor hij Ominan een gigantische klap verkoopt. Vita schiet de gnoll echter trefzeker een pijl in zijn schouder, zodat Ominan andermaal de genadeklap kan toebrengen.

Vier gnoll-lijken liggen in het stof, en het is heel even stil. Maar dan horen ze vanuit de verte een dreigend geluid: het helse geblaat van een demonische geit galmt over Kelmarane. Oxvard snelt naderbij en zet zijn helende kracht in om Ominan, die er niet bepaald florissant meer uitziet, te versterken.
Ardea onderneemt ook preventieve actie. Ze leunt uit het raam, en vraagt Ragna om in haar gezichtsveld te komen staan. De halfork neemt aan dat het wel geen kwaad zal kunnen en ondergaat laconiek de bezwerende gebaren en melodieuze woorden die bij een incantatie van de tovenares horen. Een vreemde kracht golft naar beneden, glijdt in de leden van de krijgster, en even later kijkt Ragna wat verbaasd maar verheugd van op haar nieuwe hoogte naar haar grote ledematen en wapen: Ardea heeft van haar een gigant gemaakt.
Wanneer de demon arriveert treft hij tegenover zich ineens een tegenstander die boven hem uitsteekt. De vier gaan onmiddellijk in de aanval, en scheppen moed uit het feit dat zijn geitenkop er nog steeds wat gehavend uitziet na hun vorige aanvaring. Ardea slingert magische projectielen naar hem toe; Vita, die van Ardea heeft begrepen dat dit het wezen is dat Avellana fataal is geworden, is kennelijk even van de kook: haar pijl zoeft langs de demon heen zonder hem te raken. Ragna heeft intussen wat moeite om zich aan haar nieuwe lichaamsvorm aan te passen. Ze dendert weliswaar zonder problemen op de demon af, maar de zwaai van haar grote zwaard gaat faliekant over zijn kop heen.
Ominan anticipeert op het logische gevolg, en schiet naderbij om Ragna bij te staan. En maar goed ook, want de demon hakt meteen met volle kracht in op deze reusachtige tegenstander: Ragna krijgt twee forse houwen van zijn hellebaard te verduren, en hij spietst haar ook nog een keer aan één van zijn hoorns. Ze wankelt verzwakt achteruit, recht tegen Ominan aan die zijn helende kracht haar lichaam in laat stromen.
Vita lijkt nog steeds haar gebruikelijke kalmte niet te hebben teruggevonden bij het zicht van Avellana’s nemesis: haar pijlen blijven de demon systematisch missen, terwijl Ardea haar magische projectielen naar de demon blijft slingeren. Hij begint ongecoördineerder te bewegen, en ook Ragna slaat andermaal mis wanneer ze uithaalt met haar gigantische zwaard.
Ominan ziet echter zijn kans schoon terwijl de demon is afgeleid door Ragna’s manoeuvres, duikt in een acrobatisch hoogstandje tussen haar benen door, en voor de demon tijd heeft om van de verrassing te bekomen, maakt Ominans flitsende kromzwaard een eind aan zijn leven. De demon valt dreunend op de grond, en opluchting heerst alom. Ragna reageert zich af door met haar gigantische voeten nog een paar keer op de gevallen tegenstander op en neer te gaan springen, zodat hij zeker nooit meer overeind zal komen.

Gesterkt door deze overwinning besluiten de vier om Kelmarane maar meteen wat dieper in te trekken. Ze volgen het pad naarboven, tot ze bij een wachthuisje komen. Ominan herkent er op een pilaar een standbeeld van Sarenrae die een klaroen steekt. Nog maar net heeft hij zijn gezellen daarop gewezen, of er klinkt daadwerkelijk een klaroenstoot! Ominan krijgt niet de gelegenheid te hopen dat het zijn godin is die hem met een bezoek komt vereren: twee gnollwachters blijken een viertal getrainde hyena’s te hebben losgelaten.
De gnolls bestoken de avonturiers met pijlen, maar de vier zijn paraat, en weten tijdig dekking te zoeken. Inmiddels hebben de hyena’s echter wel de tijd om zich op hen te storten. Twee van hen werpen zich op Ominan en trekken de priester naar de grond. Twee andere trachten door Ragna’s wapenrusting en schimmel heen te bijten. Ominan brult de anderen toe dat hij zich prima weet te redden en verzoekt hen vooral met de gnolls af te rekenen.
Vita neemt die raad meteen ter harte en richt haar pijlen op de gnolls, en weet één van hen direct te treffen. De gnolls zelf lijken te zenuwachtig om fatsoenlijk te reageren en blijven hun tegenstanders in het gewoel met de hyena’s missen. Ardea bestookt afwisselend gnolls en hyena’s met haar vuurstralen, maar ook haar speelt de chaotische toestand schijnbaar parten: meer dan eens missen haar vuurschichten hun doel. Vita blijft daarentegen onverstoorbaar haar boog spannen tot ze beide gnolls met een welgemikte pijl naar beneden heeft laten tuimelen.
Intussen heeft Ominan zich niet laten ontmoedigen door het feit dat hij liggend de strijd moet aangaan – met een welgemikte klap slaat hij één hyena de kop af, en begint dan naar de andere te hakken. Ragna heeft hyenamoes van haar aanvallers gemaakt, en komt Ominan een handje helpen. Samen weten ze al gauw de laatste belager onschadelijk te maken.
Wanneer Ominan het stof van zijn kleren heeft geklopt, wordt de tocht verder gezet. Het poortgebouwtje wordt verkend, en tot Vita’s vreugde treffen ze daarin een flinke voorraad pijlen aan. Die kan ze ongetwijfeld nog goed gebruiken, en ze vult dan ook meteen haar pijlenkoker bij.
De groep is nog maar goed en wel weer buitengekomen of er klinkt een hoog, krijsend geluid uit de lucht. Zware vleugelslagen komen steeds dichterbij, en al gauw zien de avonturiers dat wat hen nadert een gevleugeld hertachtig wezen is, met scherpe hoeven en vervaarlijke klauwen. Ze beseffen meteen dat dit de peryton is waar Felliped hen voor waarschuwde, en merken tot hun verrassing dat het wezen een mensvormige schaduw heeft.
Veel tijd om zich daarover te bekommeren, hebben ze echter niet, want het beest komt snel naderbij. Terwijl de peryton rakelings over Ominan scheert, waarbij zijn klauwen de priester maar net missen, vuurt Ardea magische projectielen op zijn kop af, die echter te hoog raken en slechts een stukje van zijn indrukwekkende gewei slaan. Vita, die er haar zinnen op heeft gezet de peryton recht in zijn hart te raken, heeft intussen niet veel meer geluk, en de peryton cirkelt terug om zich nogmaals op Ominan te storten. Ardea heeft zich deze keer echter beter gefocust en weet de peryton goed te raken met enkele flinke treffers, waarna Ragna met een forse zwaardstoot een eind aan het gevecht maakt.
De avonturiers komen zo langzamerhand de bedrukte sfeer te boven die hen sinds het verscheiden van Avellana had omringd: de succesvolle acties van vandaag lijken zich naadloos aan elkaar te rijgen. Ragna neemt een poot van de peryton mee als trofee, Vita enkele zwarte veren om op haar hoed te steken, en Ardea steekt het stukje gewei op zak dat ze eerder had losgeschoten. Al doende merken ze op dat de schaduw van de peryton nu beter past bij de vorm van het wezen dat geveld op de grond ligt. Ardea en Ominan speculeren enige tijd over dit geheimzinnige gebeuren: is de peryton een mens in de gedaante van een monster, of een dier onder invloed van een mens? Uiteindelijk laten ze de zaak rusten: ze hebben afgerekend met de tegenstander, en dat is het voornaamste.

In een goed humeur trekken ze terug naar het klooster: dit lijkt een goed moment om even terug te trekken en nieuwe krachten op te doen. Bovendien zijn Ragna en Vita intussen wel erg hongerig geworden! Maar wanneer ze daar aankomen, staat het hele klooster in rep en roer. De vier haasten zich naar het centrum van de chaos en zien dat een gigantische gier rondcirkelt boven de binnentuin, waar het nest met de eieren was.
Vita loopt zelfverzekerd naar voren, en wanneer mensen haar proberen te weerhouden, verklaart ze dat het dier alleen maar haar nest probeert te bewaken – wat kan natuurlijker zijn? Ze wil proberen om de gier te kalmeren, en ziet geen reden om de vogel maar af te maken.
Ominan heeft niet veel vertrouwen in dit plan, en verzamelt een aantal huurlingen met pijl en boog die hij naar een hogergelegen punt dirigeert. Zijn twijfel blijkt terecht: ondanks verwoede pogingen slaagt Vita er niet in contact te leggen met de gier: het beest is door het dolle heen en doet woeste aanvallen naar wie ook in de buurt durft te komen.
Ragna heeft helemaal geen zin meer in een hoop toestanden: ze wil eindelijk wel eens iets te eten en daarmee uit! Dus stormt ze de binnentuin in en maakt zich klaar om de gier aan te vallen zodra die in haar bereik komt. Ardea stelt zich wat verdekt achter haar op, en bestookt de gier, terwijl Ominan de boogschutters coacht en hun pijlen door de lucht zoeven. De gier wordt een aantal keren geraakt, en stort zich op het eerste het beste doelwit dat ze ziet: de halfork die uitdagend in de binnentuin staat te schreeuwen. Maar de aanval loopt niet zoals gewenst, want Ragna slaat met één krachtige mep de gier uit de lucht, waarna het dier zielloos ter aarde stort. Tevreden stapt Ragna weg: op naar haar welverdiende en langverwachte avondmaal.

’s Avonds krijgt de dag nog een onverwacht staartje: Ragna wordt benaderd door Almah. Aanvankelijk is Ragna wat wantrouwig: wat heeft de handelsprinses met haar alleen te bespreken – is ze soms ontevreden over haar diensten? Maar het blijkt dat Almah iets heel anders in gedachten heeft. Ze herinnert Ragna aan de eerste dag dat ze bij de karavaan kwam, toen ze één van de kaarten van Eloais bij zich droeg, en vraagt haar of zij soms een bepaalde affiniteit met deze kaarten voelt? 
Ragna heeft niet direct een reactie klaar, en voelt zich ook niet in staat te ontkennen dat ze toch wel een zekere band met deze kaart voelde. Wanneer Almah haar vraagt of zij soms in de mogelijkheid is om een voorspelling te doen over wat de expeditie te wachten staat, gaat ze daar schoorvoetend op in, ze voelt dat dit iets is dat ze een kans moet geven.
Wanneer ze haar ogen sluit, voelt ze het vreemde element in zich dat haar extra kracht verleende in haar strijd tegen de gnolls, zich op een nieuwe manier roeren. Vage kluwens beelden komen tot haar, en ze ziet dat er verschillende gevechten in de toekomst liggen. Vreemd genoeg krijgt ze daarbij één heel sterke indruk: dat één van de zwaarste gevechten vermeden zou kunnen worden…
Wanneer ze Almah haar bevindingen meedeelt, toont die zich erg tevreden, en voelt ze zich ook hoopvol gestemd door de boodschap die Ragna haar biedt. Ze voelt zich zo dankbaar gestemd dat ze Ragna belooft dat ze de beloning voor de diensten van de avonturiers zal verhogen.
Ragna zelf vertrekt bedachtzaam uit deze ontmoeting. De gave die zich in haar geopenbaard heeft, is mysterieus, maar voelt als een verrijking. Maar of ze tevreden moet zijn met de gedachte dat een gevecht vermeden zou worden? Dat weet de strijdvaardige halfork nog niet zo zeker…

XP
7,600 XP (1,900 XP per speler)

Treasure
Masterwork halberd

Totaal XP: 22,000 XP (5,500 XP per speler)